Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2730

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
C/13/680780 / HA ZA 20-274
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Een man moet een boete van 25.000 euro betalen, omdat hij vertrouwelijke informatie heeft verspreid van de stichting waarvoor hij als vrijwilliger werkte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0675
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/680780 / HA ZA 20-274

Vonnis van 26 mei 2021

in de zaak van

de stichting

STICHTING VOLUNTEER ACTIVISTS,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. K.B.C. Friesen te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. G.P. Geelkerken te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de stichting en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 3 maart 2020 van de stichting, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde] , met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 27 januari 2021, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    een brief van de stichting van 30 juni 2021, met producties 15 tot en met 17.

1.2.

Op 12 april 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. De door de griffier gemaakte aantekeningen van deze mondelinge behandeling maken deel uit van het procesdossier.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De stichting is een non-gouvernementele organisatie, die zich inzet voor de vrijheid van meningsuiting, persvrijheid, digitale vrijheid en vrouwenrechten in het Midden-Oosten en in het bijzonder in Iran. De heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) is bestuurder van de stichting.

2.2.

Op 12 oktober 2015 heeft de stichting een concept vrijwilligersovereenkomst per e-mail naar [gedaagde] gestuurd op grond waarvan [gedaagde] werkzaamheden voor de stichting zou gaan verrichten.

2.3.

Vervolgens heeft [gedaagde] op 14 oktober 2015 in reactie op de concept vrijwilligersovereenkomst per e-mail aan de stichting het volgende geschreven (vertaling vanuit het Farsi):

“Wees gegroet,

Ik wil een aantal punten van het contract met u doornemen.

Mijn geboortedatum is [geboortedag] -1989

En dit stukje van het contract begrijp ik niet:

Maandelijks/per kwartaal overmaken op rekeningnummer (…) van de vrijwilliger.

Indien u maandelijks kunt betalen, dan graag.

Thanks & best regards”

2.4.

Vervolgens hebben de stichting en [gedaagde] de vrijwilligersovereenkomst getekend op grond waarvan [gedaagde] met ingang van 15 januari 2016 werkzaamheden voor de stichting heeft verricht (hierna: de vrijwilligersovereenkomst). In de vrijwilligersovereenkomst is onder ander het volgende opgenomen:

1. De werkzaamheden

1.1.

De vrijwilliger zal ten behoeve van de organisatie met ingang van 15-01-2016 de volgende werkzaamheden verrichten:

1.1.1.

Schrijven van de tekst voor Koneshtech

1.1.2.

Techbeheer

1.2.

De partijen kunnen de werkzaamheden in onderling overleg wijzigen.

1.3.

Voor het inwerken en de begeleiding zal de mevrouw [naam 2] zorgdragen.

1.4.

De werkzaamheden vinden plaats gedurende 16 uren per week.

2 Onkostenvergoeding

2.1.

De vrijwilliger ontvangt geen beloning voor de door hem verrichte werkzaamheden.

2.2.

De vrijwilliger ontvangt een vergoeding voor werkelijk gemaakte kosten. Vergoeding vindt alleen plaats na overlegging van een betalingsbewijs. De organisatie zal de vergoeding maandelijks overmaken op rekeningnummer (…) van de vrijwilliger.

2.3.

De hoogte van maandelijkse vergoeding bedraagt: €150,- tot het maximum €1500,- per jaar.

(…)

4. Aard van de overeenkomst

4.1.

Deze overeenkomst is geen arbeidsovereenkomst in de zin van het Burgerlijk Wetboek.

4.2.

Deze overeenkomst is geen dienstbetrekking in de zin van de Ziektewet. De vrijwilliger is bekend met het feit dat hij op basis van deze overeenkomst niet verzekerd is voor de gevolgen van ziekte, arbeidsongeschiktheid en werkeloosheid.

4.3.

De relatie tussen de organisatie en de vrijwilliger is geen arbeidsverhouding in de zin van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen.

(…)

6. Vertrouwelijkheid/Geheimhouding

6.1.

Opdrachtnemer is verplicht tot geheimhouding van al hetgeen hem uit hoofde van de Overeenkomst ter kennis is gekomen, ongeacht de wijze waarop hij met deze informatie bekend is geworden. Deze geheimhouding omvat mede alle gegevens van werknemers, opdrachtgevers en andere relaties van de Opdrachtgever waarvan uit hoofde van de opdrachtovereenkomst kennis is genomen.

6.2.

In geval van het einde van de Overeenkomst zal Opdrachtnemer op het eerste daartoe strekkende verzoek van Opdrachtgever alle zich onder hem bevindende eigendommen van Opdrachtgever alsmede alle bescheiden die in enigerlei verband staan met Opdrachtgever en/of met de aan haar gelieerde organisaties, met haar opdrachtgevers en andere relaties, één en andere in de ruimste zin des woords, alsmede alle kopieën van degelijke bescheiden (al dan niet vervat op gegevensdragers) en eigendommen ter beschikking stellen van Opdrachtgever en/of – op aanwijzing van Opdrachtgever – haar opdrachtgevers.

6.3.

Opdrachtnemer ziet erop toe dat een mogelijk door hem ingeschakelde derde in het kader van de Overeenkomst op gelijke wijze als Opdrachtnemer is gehouden aan de geheimhouding als omschreven in dit artikel.

6.4.

Opdrachtnemer onderkent dat het respecteren van vertrouwelijkheid en geheimhouding in het kader van de Overeenkomst van essentieel belang zijn. Ingeval van overtreding van het in dit artikel neergelegde vertrouwelijkheids-/geheimhoudingsbeding, zal Opdrachtnemer aan Opdrachtgever een zonder ingebrekestelling direct opeisbare boete verbeuren van € 25.000,- per overtreding en van € 5.000,- voor iedere dag, een gedeelte van een dag voor een hele gerekend, waarop de overtreding voortduurt, onverminderd het recht van Opdrachtgever om in aanvulling op de boete schadevergoeding te eisen.”

2.5.

Eind december 2016 vermoedde de stichting dat haar computersysteem gehackt was. Op 3 januari 2017 heeft de stichting aangifte gedaan van cybercrime bij de politie.

2.6.

Op 3 januari 2017 is er vanaf een anoniem e-mailadres een e-mail gestuurd naar 95 ontvangers met 29 documenten waaronder kopie paspoorten en vliegtickets (hierna: de e-mail).

2.7.

Op 18 januari 2017 heeft de stichting van haar subsidiegever Internews een brief ontvangen (hierna: de brief van Internews) waarin, voor zover van belang, het volgende staat:

“We are very concerned to hear of the issues your organization has been dealing with. It must certainly be a challenging time and we hope you are able to swiftly investigate and mitigate. In the interim, we need to take steps concerning our sub-agreement with you to ensure the security of our joint work.

Pursuant to Provision 2.06 (“Termination and Suspension”) of Internews subgrant SG-R-XB1626-4, which states that Internews may suspend the award at any time, in whole or in part, upon written notice to the Subrecipient, Internews hereby partially suspends the subject subgrant to Volunteer Activists Institution.

(…)

Follow up Actions for Subrecipient

1. The Subrecipient will immediately suspend all activities under the subject subgrant. The Subrecipient will not be entitled to reimbursement for activity costs incurred after the effective date of this suspension.

2. The Subrecipient is requested to submit a partial suspension budget that will accommodate Subrecipient staff collaboration with Internews staff to assess the scope, severity, security concerns of the hack, and explore the measures that may mitigate the damage of the hack or prevent futures hacks.
a. The budget will cover the next 90 days, the expected period during which this assessment will take place.

b. The budget will include only Subrecipient staff time; no audit or other costs.

c. The Subrecipient will submit the proposed budget to (…) no later than 27 JAN2017.”

2.8.

Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 30 oktober 2018 (hierna: het strafvonnis) is [gedaagde] veroordeeld voor het hacken van het computersysteem van de stichting en het wissen, veranderen en toevoegen van gegevens van de stichting in de periode van 27 december 2016 tot en met 11 januari 2017. [gedaagde] is veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden en een taakstraf van 80 uur. [naam 1] heeft als benadeelde partij € 415.670,00 aan schadevergoeding gevorderd. [naam 1] is niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering omdat de rechtbank de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding vond.

2.9.

Op 13 augustus 2019 heeft de stichting een sommatiebrief naar [gedaagde] gestuurd waarin zij [gedaagde] aansprakelijk heeft gesteld voor de door de stichting geleden schade als gevolg van de hack (hierna: de sommatiebrief). Verder heeft de stichting aanspraak gemaakt op betaling van een contractuele boete wegens het overtreden van het geheimhoudingsbeding in de vrijwilligersovereenkomst.

2.10.

[gedaagde] is niet tot betaling van de door de stichting gevorderde bedragen overgegaan.

3 Het geschil

3.1.

De stichting vordert, uitvoerbaar bij voorraad samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van:

( i) € 46.511,00 aan schadevergoeding, vermeerderd met rente,

(ii) € 7.135,00 aan schadevergoeding, vermeerderd met rente,

(iii) € 8.000,00 aan schadevergoeding, vermeerderd met rente,

(iv) € 25.000,00 aan contractuele boete, vermeerderd met rente,

( v) € 136,11 aan kosten voor het uitgebrachte exploot,

(vi) de proceskosten en nakosten, vermeerderd met rente,

3.2.

De stichting legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld doordat hij computermisdrijven heeft gepleegd waarvan zij slachtoffer is geworden. De stichting heeft hierdoor schade geleden die door [gedaagde] vergoed moet worden, aldus de stichting.

3.3.

Verder is [gedaagde] volgens de stichting tekortgekomen in de nakoming van het geheimhoudingsbeding uit de vrijwilligersovereenkomst doordat hij op 3 januari 2017 de in rechtsoverweging 2.6 genoemde e-mail verspreid heeft. [gedaagde] moet daarom volgens de stichting op grond van het geheimhoudingsbeding een contractuele boete van € 25.000,00 aan de stichting betalen.

3.4.

[gedaagde] voert verweer.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

onrechtmatig handelen

4.1.

De rechtbank zal eerst beoordelen of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. De stichting stelt dat [gedaagde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door (i) het binnendringen van de computersystemen van de stichting en (ii) het versturen van de e-mail waardoor vertrouwelijke informatie van de stichting is gedeeld met externe relaties van de stichting.

(i) het binnendringen van de computersystemen

4.2.

In het op tegenspraak gewezen strafvonnis is [gedaagde] veroordeeld voor het hacken van het computersysteem van de stichting en het wissen, veranderen en toevoegen van gegevens van de stichting in de periode van 27 december 2016 tot en met 11 januari 2017.

4.3.

Artikel 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bepaalt dat een in kracht van gewijsde gegaan op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, dwingend bewijs oplevert van dat feit. De rechtbank dient dit vonnis voor wat betreft de bewezenverklaarde feiten als waar aan te nemen, behoudens tegenbewijs, artikel 151 Rv.

4.4.

[gedaagde] heeft in de strafzaak ontkend dat hij de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd omdat hij bevoegd zou zijn geweest en toestemming zou hebben gehad om de handelingen in het computersysteem van de stichting te verrichten. [gedaagde] blijft in deze procedure bij dit standpunt. Hij heeft op onvoldoende concrete wijze voor het voetlicht gebracht wanneer, van wie en hoe hij toestemming zou hebben verkregen om de hem verweten handelingen te verrichten. [gedaagde] heeft zijn verweer dan ook onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd. Om die reden is dan ook geen plaats voor tegenbewijslevering in de zin van artikel 151 lid 2 Rv. Gelet op de dwingende bewijskracht van het strafvonnis staat in deze procedure daarmee aldus vast dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door het computersysteem van de stichting te hacken en het wissen, veranderen en toevoegen van gegevens in de periode van 27 december 2016 tot en met 11 januari 2017.

(ii) het versturen van de e-mail

4.5.

Partijen verschillen van mening of deze e-mail van [gedaagde] afkomstig was.

Zoals door [gedaagde] terecht is aangevoerd zegt het strafvonnis niets over de vraag of hij de e-mail verstuurd heeft. Niet in geschil is dat de e-mail op 3 januari 2017 met 29 vertrouwelijke documenten van de stichting vanaf een anoniem e-mailadres aan 95 externe relaties van de stichting is gestuurd.

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat de stichting voldoende heeft aangetoond dat [gedaagde] de e-mail heeft verstuurd. [gedaagde] heeft zich blijkens het strafvonnis van 27 december 2016 tot en met 11 januari 2017 toegang verschaft tot de Google Suite omgeving van de stichting. De stichting heeft toegelicht dat het daardoor voor [gedaagde] mogelijk is geworden om de e-mail te versturen. Op de Google Suite omgeving van de stichting stonden namelijk de vertrouwelijke documenten opgeslagen die in de e-mail zijn verstuurd. Verder stond op de Google Suite een standaard mailinglijst van de stichting welke lijst vrijwel identiek is aan de lijst van 95 relaties waaraan de e-mail is verstuurd. [gedaagde] heeft zichzelf dus in de periode voorafgaand aan het versturen van de e-mail toegang verschaft tot de documenten en de mailinglijst en de e-mail is gestuurd gedurende de periode waarin [gedaagde] het computersysteem van de stichting heeft gehackt, aldus de stichting. [gedaagde] heeft de juistheid van deze door de stichting gestelde feiten niet betwist. Ook heeft hij daar tegenover geen ander plausibel, alternatief scenario voor de verzending van de e-mail geschetst. Evenmin heeft hij zijn stelling dat uit het politieonderzoek juist zou blijken dat er geen link is tussen hem en de e-mail niet verder toegelicht of onderbouwd door middel van documenten, verklaringen of ander bewijs. De rechtbank is dan ook van oordeel dat aan de hand van hetgeen de stichting naar voren heeft gebracht op afdoende wijze is komen vast te staan dat de e-mail door [gedaagde] moet zijn verstuurd.

4.7.

Uit het voorgaande blijkt dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door (i) het binnendringen van de computersystemen van de stichting en (ii) het versturen van de e-mail waardoor vertrouwelijke informatie van de stichting is gedeeld met externe relaties van de stichting.

schade

4.8.

Vervolgens is het de vraag of de stichting de door haar gevorderde schade heeft geleden door het onrechtmatig handelen van [gedaagde] .

(i) schade Internews

4.9.

De eerste schade die de stichting mogelijkerwijs door de hack zou hebben geleden is het mislopen van een (subsidie)bijdrage van Internews ten bedrage van € 46.511,00.

4.10.

De stichting stelt dat zij met Internews is overeengekomen dat de stichting een bijdrage van € 46.511,00 van Internews zou ontvangen, dat Internews betaling van de bijdrage heeft opgeschort na de hack en vervolgens nooit meer aan de stichting heeft betaald. Uit de brief van Internews van 18 januari 2017 blijkt inderdaad dat Internews de betaling van haar bijdrage heeft opgeschort en dat dit te maken heeft met de hack. Uit de brief van Internews blijkt echter ook dat Internews de stichting de kans geeft om de bijdrage alsnog te ontvangen na een assessment. Internews heeft de samenwerking in de brief dus niet beëindigd en de bijdrage niet stopgezet, maar afhankelijk gesteld van de uitkomst van een assessment. Ter zitting heeft de stichting hierover toegelicht dat het assessment niet heeft plaatsgevonden omdat Internews de stichting later alsnog mondeling heeft aangegeven geen risico te willen lopen en de samenwerking met de stichting te beëindigen en kennelijk, zo begrijpt de rechtbank, dus heeft afgezien van het laten plaatsvinden van een assessment. [gedaagde] heeft die door de Stichting beschreven gang van zaken betwist. De stichting heeft hiermee onvoldoende onderbouwd dat Internews haar bijdrage heeft stopgezet als gevolg van het handelen van [gedaagde] . Onvoldoende is gebleken dat de bijdrage inderdaad is stopgezet. De stichting verwijst hiervoor slechts naar een mondelinge beëindiging. Het gaat om een groot bedrag van € 46.511,00 en het ligt daarom voor de hand om daar per e-mail of brief over te corresponderen. Ook een schriftelijke verklaring van Internews, waarin het door de stichting gestelde wordt bevestigd, is niet overgelegd. De rechtbank kan niet slechts op basis van een door de stichting gestelde en door [gedaagde] betwiste mondelinge beëindiging vaststellen dat de bijdrage door Internews is stopgezet. Als de bijdrage al zou zijn stopgezet is het vervolgens ook nog de vraag wat de reden van de beëindiging was, de hack of het (niet uitgevoerde) assessment van de stichting.

4.11.

Uit het voorgaande volgt dat niet is gebleken dat de stichting een bijdrage van Internews is misgelopen als gevolg van het handelen van [gedaagde] . De vordering van de stichting van € 46.511,00 zal worden afgewezen.

(ii) schade interne kosten

4.12.

De tweede schade die de stichting mogelijkerwijs zou hebben geleden zijn interne bedrijfskosten in verband met de hack ten bedrage van € 7.135,00.

4.13.

Ter onderbouwing van de schadepost heeft de stichting een Excelbestand als productie overgelegd. In dit bestand staan onder andere data, uren, uurtarieven en personen aangeduid met een letter. De stichting heeft ter zitting toegelicht dat er werkzaamheden zijn uitgevoerd door IT mensen die zijn verbonden aan de stichting. Een deel van de werkzaamheden zou vrijwillig zijn gedaan en een deel zou in rekening worden gebracht aan de stichting. Het Excelbestand is volgens de stichting een overzicht van de uren die door de IT mensen in rekening zijn gebracht of moeten worden gebracht. [gedaagde] betwist dat er herstel plaats hoefde te vinden en dat er IT kosten zijn gemaakt door de stichting. De stichting heeft haar schadepost naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Niet is gebleken dat de uren die zijn opgenomen in het Excelbestand daadwerkelijk kosten zijn die in rekening zijn of worden gebracht bij de stichting. Er zijn door de stichting geen facturen van IT werkzaamheden overgelegd. Bij de sommatiebrief zat wel een factuur van ICTRC van € 6.050,00 voor 100 uur werk à € 50,00 per uur maar die komt niet overeen met het Excelbestand. Er komt in het Excelbestand bijvoorbeeld nergens een tarief van € 50,00 per uur terug. Verder zijn in het Excelbestand geen namen maar alleen letters opgenomen zodat verdere vergelijking van de factuur van ICTR met het Excelbestand niet mogelijk is. De rechtbank kan daarom niet aan de hand van het Excelbestand vaststellen of de stichting met betrekking tot haar interne bedrijfskosten schade heeft geleden.

4.14.

Uit het voorgaande volgt dat de stichting onvoldoende heeft onderbouwd dat zij in haar interne bedrijfskosten schade heeft geleden. De vordering van de stichting van

€ 7.135,00 zal worden afgewezen.

(iii) schade door verlies van rapporten en handleidingen

4.15.

De stichting stelt als laatste schadepost dat zij schade zou hebben geleden door het verlies van rapporten en handleidingen die volgens de stichting door [gedaagde] zijn gewist. De stichting begroot de kosten voor het opnieuw vervaardigen van deze handleidingen en rapporten op € 8.000,00.

4.16.

[gedaagde] betwist dat er rapporten en handleidingen door de stichting worden gemist omdat [naam 1] overal een back-up van heeft. Verder gaat het volgens [gedaagde] om oude rapporten waarvan het gemis geen schade oplevert. Tegenover deze betwisting van [gedaagde] heeft de stichting haar schadepost onvoldoende onderbouwd. De stichting heeft geen inzicht gegeven in om hoeveel rapporten en handleidingen het gaat en waarom het niet mogelijk was om op een andere manier aan ieder specifiek document te komen. Wat de inhoud van de betreffende rapporten en handleidingen was en waarom het belangrijk voor de stichting is om het betreffende document opnieuw te vervaardigen, is evenmin op afdoende wijze toegelicht.

4.17.

De rechtbank kan aan de hand van de stellingen van de stichting, gegeven de daar tegenover aangevoerde betwisting door [gedaagde] , niet vaststellen om wat voor documenten het precies gaat en of er schade is. De vordering van de stichting van € 8.000,00 zal daarom als onvoldoende gesubstantieerd worden afgewezen.

contractuele boete, vrijwilligersovereenkomst gesloten?

4.18.

Het eerste geschilpunt tussen partijen met betrekking tot de contactuele boete is de vraag of de vrijwilligersovereenkomst tussen [gedaagde] en de stichting tot stand is gekomen. [gedaagde] voert aan dat er geen wilsovereenstemming is omdat het contract in het Nederlands is opgesteld.

4.19.

Tussen partijen staat vast dat de vrijwilligersovereenkomst door de stichting en [gedaagde] is ondertekend. Verder heeft de stichting onbetwist gesteld dat de vrijwilligersovereenkomst mondeling in het Farsi is toegelicht aan [gedaagde] . Dat er in het Farsi over het contract met [gedaagde] werd gesproken blijkt ook uit e-mails tussen de stichting en [gedaagde] . De vrijwilligersovereenkomst is met een begeleidende e-mail in het Farsi aan [gedaagde] toegestuurd. Vervolgens geeft [gedaagde] per e-mail in het Farsi zijn geboortedatum als input voor de overeenkomst en verzoekt hij de stichting om de vergoeding maandelijks aan hem te betalen. Hieruit blijkt niet alleen dat er in het Farsi over het contract werd gecorrespondeerd maar ook dat [gedaagde] het contract goed heeft bekeken en eventuele vragen die hij daarbij had aan de stichting heeft gesteld. Concluderend is er sprake van een ondertekende overeenkomst en mocht de stichting er in deze omstandigheden ook vanuit gaan dat de wil van [gedaagde] was gericht op het aangaan van die overeenkomst. De vrijwilligersovereenkomst is op rechtsgeldige en bindende wijze tot stand gekomen tussen [gedaagde] en de stichting.

vrijwilligersovereenkomst of arbeidsovereenkomst?

4.20.

Het volgende geschilpunt tussen partijen is of er in de verhouding tussen [gedaagde] en de stichting sprake was van een arbeidsovereenkomst in plaats van een vrijwilligersovereenkomst en of het geheimhoudingsbeding daarom nietig is.

4.21.

Op grond van het bepaalde in artikel 7:610 Burgerlijk Wetboek (BW) is er sprake van een arbeidsovereenkomst als voldaan is aan de (cumulatieve) criteria: persoonlijke arbeid, loon en gezagsverhouding.

4.22.

In de vrijwilligersovereenkomst hebben partijen met elkaar afgesproken dat [gedaagde] op basis van vrijwilligheid werk voor de stichting zou gaan verrichten. Verder staat in artikel 4.1. van de vrijwilligersovereenkomst expliciet vermeld dat de overeenkomst geen arbeidsovereenkomst is. Het doel van partijen bij het aangaan van de overeenkomst is duidelijk, het verrichten van werkzaamheden door [gedaagde] op basis van vrijwilligheid. Dat [gedaagde] in deze procedure aangeeft dat hij eigenlijk een arbeidsovereenkomst had gewild, maakt dit niet anders. Hij heeft desondanks immers ingestemd met het verrichten van werkzaamheden op basis van vrijwilligheid.

4.23.

De vergoeding die [gedaagde] ontving sluit ook aan bij de overeengekomen vrijwilligheid. In de vrijwilligersovereenkomst zijn partijen een maximumvergoeding van

€ 1.500,00 per jaar overeengekomen. Dit bedrag valt beneden de jaarlijkse inkomensgrens van de fiscale vrijwilligersregeling van de Belastingdienst hetgeen duidelijk wijst op een vrijwilligersvergoeding en niet op loon als vergoeding voor verrichte arbeid. Verder stelt [gedaagde] (betwist door de stichting) dat hij fulltime voor de stichting heeft gewerkt. [gedaagde] ontving desondanks maar een vergoeding van € 150,00 per maand. De omvang van de door [gedaagde] gestelde werkzaamheden en de vergoeding staan in zodanige verhouding tot elkaar dat die vergoeding, gelet op de omvang daarvan, niet kwalificeert als loon maar slechts als een vrijwilligersvergoeding.

4.24.

Uit het voorgaande volgt dat er niet is voldaan aan de criteria van artikel 7:610 BW, er is daarom geen sprake van een arbeidsovereenkomst. [gedaagde] kan ook geen beroep doen op het vermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7:610a BW nu niet is voldaan aan de criteria.

4.25.

Omdat de tussen partijen gesloten overeenkomst niet kwalificeert als arbeidsovereenkomst, komt [gedaagde] geen beroep toe op de wettelijke nietigheidsbepalingen die gelden voor boeteclausules in arbeidsovereenkomsten.

beroep op het geheimhoudingsbeding

4.26.

De rechtbank komt nu toe aan de vraag of [gedaagde] tekort is geschoten in de nakoming van het geheimhoudingsbeding in de vrijwilligersovereenkomst. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor in 4.5 tot en met 4.7 heeft overwogen volgt dat [gedaagde] de e-mail heeft verstuurd waardoor vertrouwelijke informatie van de stichting is gedeeld met externe relaties van de stichting. [gedaagde] had geen toestemming om deze e-mail te versturen en heeft daarom het geheimhoudingsbeding in de vrijwilligersovereenkomst geschonden. [gedaagde] is op grond van dit beding een boete van € 25.000,00 verschuldigd aan de stichting.

4.27.

Het verweer van [gedaagde] dat op grond van artikel 6:92 BW geen boete naast schadevoeding gevorderd kan worden slaagt niet. Partijen kunnen bij overeenkomst van deze bepaling afwijken, hetgeen de stichting en [gedaagde] ook hebben gedaan. In artikel 6 van de vrijwilligersovereenkomst is opgenomen dat de stichting een boete en schadevergoeding kan vorderen.

4.28.

Voor zover [gedaagde] verder de rechtbank heeft verzocht om de boete te matigen heeft hij geen feiten of omstandigheden gesteld ter onderbouwing van dit verzoek. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de boete te matigen.

4.29.

Tot slot kan ook de stelling van [gedaagde] dat de vorderingen moeten worden afgewezen omdat er sprake is van misbruik van recht, strijd met de goede procesorde en strijd met de redelijkheid en billijkheid niet slagen. Dat de stichting de vorderingen heeft ingesteld is gelet op het onrechtmatig handelen van [gedaagde] en de schending van het geheimhoudingsbeding door [gedaagde] niet onrechtmatig noch in strijd met de redelijkheid en billijkheid.

buitengerechtelijke incassokosten

4.30.

De stichting vordert € 136,11 aan kosten voor het uitgebrachte exploot in verband met de aansprakelijkheidsstelling. De stichting maakt in beginsel aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt echter niet voor toewijzing in aanmerking omdat in de aanmaning geen buitengerechtelijke incassokosten zijn vermeld, hetgeen wel vereist is op grond van artikel 6:96 lid 6 BW.

proceskosten

4.31.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de advocaatkosten aan de zijde van de stichting op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 83,38

- griffierecht 2.042,00

- salaris advocaat 1.442,00 (2,0 punten × tarief € 721,00)

Totaal € 3.567,38

4.32.

De nakosten zijn toewijsbaar op na te noemen wijze.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan de stichting te betalen een bedrag van € 25.000,00 (vijfentwintig duizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag met ingang van 3 januari 2017 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van de stichting tot op heden begroot op € 3.567,38, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Broek en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2021, in tegenwoordigheid van de griffier.