Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2720

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
13/669083-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Verlenging tbs-maatregel met 2 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/669083-18

Beslissing op de op 30 maart 2021 ter griffie van deze rechtbank ingekomen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 30 maart 2021 in de zaak tegen:

[betrokkene]

geboren op [geboortedag] 1980 te [geboorteplaats],

verblijvende in [verblijfadres],

thans begeleid door Reclassering Inforsa te Amsterdam.

die bij vonnis van deze rechtbank van 9 mei 2019 ter beschikking gesteld werd.

1 De inhoud van de vordering

De vordering van de officier van justitie strekt tot het verlengen van de termijn van genoemde terbeschikkingstelling met twee jaar.

2 De procesgang

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:

  • -

    het op 25 maart 2021 op grond van artikel 6:6:12, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering uitgebrachte advies, strekkende tot verlenging van deze terbeschikkingstelling met twee jaar, alsmede de daarbij overgelegde voortgangsverslagen;

  • -

    het op 6 maart 2021 en op grond van artikel 6:6:12, derde lid van het Wetboek van Strafvordering opgemaakte adviesrapport van de psychiater J. Marx, niet verbonden aan de instelling waarin de terbeschikkinggestelde wordt verpleegd, strekkende tot verlenging van deze terbeschikkingstelling met twee jaar.

De rechtbank heeft op 6 mei 2021 de officier van justitie mr. M. Modder, de terbeschikkinggestelde en diens raadsvrouw mr. F. van Baarlen, advocaat te Amsterdam, alsmede de deskundige M. Buné, verbonden aan Reclassering Inforsa te Amsterdam, op de openbare terechtzitting gehoord. Hiervan is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt.

3 De beoordeling

Aan genoemd advies van Reclassering Inforsa van 25 maart 2021 wordt het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:

Kernproblematiek

Bij betrokkene is sprake van een psychotische kwetsbaarheid. Betrokkene is bekend met psychotische episodes waarbij ook sprake is van manische (ontremde) aspecten. De problematiek is lange tijd (vanaf het 19e-levensjaar) aanwezig. Er kan worden gesproken van een schizoaffectieve stoornis. Differentiaal diagnostisch wordt ook een bipolaire stoornis genoemd, waarbij dient te worden opgemerkt dat dit een nauw verwante stoornis is (feitelijk betreft het de wijze waarop ziekte-episoden (retrospectief) worden geduid) en dat de behandeling vrijwel geheel overeenkomt. Er is verder sprake van problematisch middelengebruik, daarbij is de afgelopen jaren vooral sprake geweest van problematisch amfetamine en stimulantium -gebruik. Eerder zou ook sprake zijn geweest van problematisch alcoholgebruik. Momenteel geeft betrokkene aan dat hij volledig is gestopt. In 2020 was twee keer sprake van een terugval in middelen-gebruik (amfetamine en speed). Zodoende kan nu worden gesproken van vroege remissie onder gecontroleerde omstandigheden.

De probleemgebieden zijn overigens niet geheel los van elkaar te zien en zijn op elkaar van invloed. Door middelengebruik neemt de kans op een psychotische decompensatie toe. Bij (hypo)mane symptomen neemt de kans op een terugval in middelengebruik toe.

Behandelverloop en risicotaxatie

Vanaf het begin van het opleggen van de tbs-maatregel met voorwaarden heeft betrokkene verbleven in en staat onder behandeling bij FPK Inforsa. Na ruim anderhalf jaar behandeling en verblijf in de FPK, lijkt er sprake te zijn van de nodige vooruitgang. Betrokkene volgde gedurende zijn verblijf in de FPK de nodige therapie-onderdelen gericht op middelen-, psychose- en psycho-educatie. Het lijkt erop dat bij betrokkene nu sprake is van meer vastberadenheid en planning op lange termijn.

Recentelijk werd de delict-analyse afgerond. Betrokkene stelde zich hierbij – volgens de behandelaar – coöperatief in op en toonde inzicht in zijn delictzettende factoren. Ook gebruikt betrokkene de nodige medicatie. In verband met het ongunstige bijwerkingsprofiel van zijn ‘oude’ medicatie werd er in de afgelopen periode een medicatieverandering ingezet. De Olanzapine werd omgezet naar Paliperidon.

Ondanks de omstandigheid dat er in het afgelopen jaar en ook momenteel sprake is van de nodige beperkingen in ‘bewegingsvrijheid’ en sociale contacten als gevolg van het coronavirus, is er bij betrokkene sprake van in toenemende mate uitbreiding van zijn verlofmogelijkheden. Momenteel werkt betrokkene twee dagdelen per week in de keuken van de Regenbooggroep (ter terechtzitting is verklaard dat dit nu is uitgebreid naar vier dagdelen) en heeft hiertoe onbegeleid verlof.

Betrokkene heeft zich in deze eerste twee jaren van de tbs-maatregel gehouden aan de opgelegde voorwaarden. Wel was er sprake van een tweetal terugvallen in middelengebruik, door betrokkene beschreven als ‘uitglijders’. Betrokkene had gedurende zijn verblijf op de FPK regelmatig last van ‘craving’, kende ook periodes dat hij hier minder last van had maar wordt de laatste tijd – samenhangend met zijn onbegeleide verloven en werkzaamheden en dagbesteding buiten de FPK – weer opnieuw geconfronteerd met deze gevoelens. Zich hiertoe verhouden op een adequate wijze lijkt betrokkene vooralsnog goed af te gaan. Het contact met zijn familie verbetert langzaam, zodra de beperkingen die samenhangen met het coronavirus dit mogelijk maken, zullen er nieuwe systeemgesprekken worden georganiseerd. Ook de financiële situatie van betrokkene blijft onveranderd, er zijn geen nieuwe schulden gemaakt. De gemoedstoestand van betrokkene wisselt met regelmaat: tijdens ‘goede dagen’ komt hij enthousiast over, ziet hij zijn vorderingen en is hij tevreden over de stappen die hij maakt. Tijdens ‘mindere dagen’ lijkt er sprake te zijn van weinig relativeringsvermogen en geeft hij aan zijn vrijheid te missen.

Er is – kort samengevat – sprake van een chronisch kwetsbare man waarbij sprake dient te zijn van een blijvend en duurzaam zorgkader. Bij ontregeling (die op verschillende manieren kan optreden) bestaat het risico van impulsdoorbraken. De kans op recidive wordt onbehandeld als matig tot hoog ingeschat. Binnen het huidige behandelkader wordt het risico als laag tot matig ingeschat. Dit risico zal stijgen als het kader weg zou vallen.

Koers en advies

Betrokkene heeft de nodige plannen en ambities om opleidingen en dagbestedingsmogelijkheden buiten de FPK op te gaan pakken. Hierbij zal een balans in acht moeten worden genomen tussen de ‘haast’ die betrokkene heeft en de snelheid die hij wil maken en de geleidelijkheid en de noodzaak tot risicomanagement die de behandelaren en de reclassering van belang vinden.

Ook ten aanzien van het toewerken naar begeleid wonen met ambulante begeleiding zal de weg van geleidelijkheid bewandeld dienen te worden, in dit kader wordt gedacht aan plaatsing van betrokkene op één van de aan de FPK verbonden HAT-appartementen.

Hoewel betrokkene de afgelopen periode de nodige stappen heeft gemaakt en zich op constructieve wijze inzet tijdens zijn behandeling en verblijf in de FPK, schat toezichthouder in – in lijn met de inschatting van de PJ-rapporteur – dat de behandeling en het toewerken naar begeleid wonen met ambulante ondersteuning, langer dan één jaar in beslag zullen nemen. De reclassering adviseert derhalve om de tbs-maatregel met voorwaarden te verlengen met twee jaar. Dit zou kunnen onder dezelfde voorwaarden.

De deskundige heeft dit advies op de openbare terechtzitting bevestigd en daar waar nodig aangevuld.

Aan genoemd advies van de psychiater J. Marx van 6 maart 2021 wordt het volgende ontleend, zakelijk weergegeven:

Bij betrokkene is sprake van verschillende probleemgebieden die elkaar onderling versterken; namelijk een schizoaffectieve stoornis en problematisch middelengebruik. Er sprake is van een laag tot matig risico op recidive binnen het huidige kader, dit risico zal stijgen als het kader weg zou vallen. Thans is sprake van een pril evenwicht. Betrokkene conformeert zich aan de (medicamenteuze) behandeling en begeleiding. Hij ervaart voldoening bij het verrichten van zijn werkzaamheden. Ten aanzien van de risico’s van middelengebruik is sprake van een beginnend probleembesef. Dit oogt nog echter niet doorleefd en intrinsiek. De komende periode zal in het teken staan van het bestendigen van het evenwicht en het gaandeweg uitbreiden van vrijheden en uiteindelijk toewerken naar een meer zelfstandige woonvorm.

Bij betrokkene is met name sprake van een risico op gewelddadig gedrag op momenten dat hij psychisch ontregeld raakt. Er is dan vooral sprake van ongecontroleerd gedrag met een mogelijk gewelddadige component (zoals brandstichting).

De komende tijd zal in het teken staan van de volgende behandeldoelen: (1) verder stabiliseren,

(2) abstinentie van middelen, (3) toewerken naar een vorm van begeleid wonen met ambulante begeleiding. De benodigde te doorlopen (verlof) stappen – alvorens een voorwaardelijke beëindiging aan de orde zal zijn – zullen in de praktijk niet binnen de periode van één jaar te realiseren zijn. Gelet op het voorgaande heeft de psychiater geadviseerd de maatregel met twee jaar te verlengen.

Betrokkene is het eens met het advies.

De rechtbank is – gelet op de adviezen, het verhandelde ter zitting en het artikel 38d van het Wetboek van Strafrecht – van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen eist dat de termijn van de terbeschikkingstelling met twee jaar wordt verlengd. Hoewel de terbeschikkinggestelde goed zijn best heeft gedaan en nog steeds doet en er vooruitgang is geboekt, moeten nog de nodige stappen worden gezet. Het is niet realistisch dat alle stappen binnen één jaar zullen worden gezet. Daarom is de rechtbank van oordeel dat de tbs-maatregel met twee jaar moet worden verlengd.

4 Beslissing

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie toe en verlengt de termijn van de terbeschikkingstelling van [betrokkene] met twee jaar.

Deze beslissing is gegeven door

mr. L. Dolfing, voorzitter,

mrs. H.E. Hoogendijk en P.J.H. van Dellen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 mei 2021.

.