Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2710

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-05-2021
Datum publicatie
28-06-2021
Zaaknummer
19/5402 e.a.
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlaging/weigering compensatie AOW-gat na FLO en verhoging AOW-leeftijd. Brandweer Amsterdam-Amstelland. Geen strijd met gelijkheidsbeginsel. Andere situatie dan bij Ministerie van Defensie. Ook geen leeftijdsdiscriminatie. Aard van het werk maakt niet dat op verweerder grotere zorgplicht rust om financieel nadeel van verhoging AOW-leeftijd te compenseren. Medische ongeschiktheid niet onderbouwd. Bewijsrisico.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 19/5402 e.v.

uitspraak van de meervoudige kamer van 25 mei 2021 in de zaken tussen

1. [eiser 1]AMS 19/5402)

2. [eiser 2] AMS 19/5404)

3. [eiser 3] AMS 19/5405)

4. [eiser 4] AMS 19/5406)

5. [eiser 5] AMS 19/5407)

6. [eiser 6] AMS 19/5409)

7. [eiser 7] AMS 19/5410)

8. [eiser 8] AMS 19/5414)

9. [eiser 9] AMS 19/5416)

10. [eiser 10]AMS 19/5418)

11. [eiser 11] AMS 19/5419)

12. [eiser 12] AMS 19/5420)

13. [eiser 13] AMS 19/5956)

14. [eiser 14] AMS 19/5960)

15. [eiser 15] AMS 19/5963)

16. [eiser 16] AMS 19/5966)

eisers,

(gemachtigde: [naam 1] )

en

het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.J. Hofste),

Procesverloop

Eisers hebben in februari 2019 besluiten ontvangen over AOW1-compensatie.

Bij besluiten van 3 september 2019 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de bezwaren van eisers tegen de hiervoor genoemde besluiten ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweerschriften ingediend.

In aanloop naar de geplande zitting op 3 maart 2020 hebben partijen te kennen gegeven dat nader overleg plaatsvindt tussen verweerder en vakbonden en dat de uitkomst hiervan mogelijk relevant is voor de hierboven opgesomde zaken. Op verzoek van beide partijen heeft de rechtbank de behandeling van de zaken aangehouden.

De enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft op 25 november 2020 in de hierboven opgesomde zaken alsmede in 48 verwante zaken (die deel uitmaken van de zogenoemde clusters FLO1, FLO2 en FLO3) een regiezitting gehouden. Het onderzoek ter zitting is geschorst en met partijen is afgesproken dat in het voorjaar van 2021 behandeling van de zaken op een zitting van de meervoudige kamer plaatsvindt voor zover nog nodig.

De inhoudelijke behandeling van de hierboven opgesomde zaken heeft plaatsgevonden ter zitting van de meervoudige kamer op 13 april 2021.

De volgende eisers zijn, bijgestaan door hun gemachtigde, verschenen: [naam 2] , [eiser 2] , [eiser 3] , [eiser 4] , [eiser 7] , [eiser 9] , [eiser 10] , [eiser 12] , [naam 3] en [eiser 14] . De overige eisers zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door bovengenoemde gemachtigde. Tevens zijn voor verweerder verschenen mr. J.E. Farenhorst en [naam 4] .

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Alle te beoordelen zaken betreffen medewerkers van de Brandweer in Amsterdam-Amstelland die op enig moment na 1 januari 2013 gebruik zijn gaan maken van de mogelijkheid om met functioneel leeftijdsontslag (FLO) te gaan, voordat zij met pensioen zouden gaan. Voor hen is een financieel gat ontstaan toen vanaf 1 januari 2013 de AOW-leeftijd is verhoogd.

2. De regeling van FLO houdt sinds een wijziging in 2006 kort gezegd in dat de medewerker die gebruik maakt van het overgangsrecht FLO vanaf zijn 55e jaar gedurende de eerste vier jaar 80% ontvangt van zijn eerdere salaris, dat hij daarna drie jaar gebruik maakt van onbezoldigd verlof op basis van de levensloopregeling en dat na afloop van de levensloopperiode recht bestaat op vroegpensioen (zogenoemd ‘versterkt’ pensioen). De medewerker krijgt op die manier betaald tot het moment waarop hij de (toenmalige) pensioengerechtigde leeftijd bereikt, waarna hij recht krijgt op bedrijfspensioen (van het ABP) en op pensioen op grond van de AOW.

3. In verband met de verhoging van de AOW-leeftijd vanaf 2013 zijn de vertegenwoordigers van werkgevers en ambtenaren een reparatieregeling overeengekomen die voorziet in compensatie: onder bepaalde voorwaarden komen personen die met FLO zijn gegaan na 1 januari 2013 en die inactief waren op de peildatum, 29 oktober 2016, in aanmerking voor geldelijke compensatie voor de periode van maximaal twee jaar vanaf hun 65e jaar tot het moment waarop zij 67 jaar worden (de toen maximaal verwachte toekomstige AOW-leeftijd). De hoogte van de compensatie komt overeen met het brutobedrag dat de medewerker anders aan AOW zou hebben ontvangen.

4. In alle nog voorliggende zaken gaat het om de al dan niet toegekende AOW-compensatie. In de zaken van eisers genoemd onder 1 tot en met 12 (cluster FLO4) spitst het geschil zich toe op een korting die op de toegekende compensatie is aangebracht omdat de medewerker langer heeft doorgewerkt en daarvoor salaris heeft ontvangen. In de zaken van eisers genoemd onder 13 en verder (cluster FLO5) gaat het over de weigering om compensatie toe te kennen omdat niet aan de voorwaarden hiervoor is voldaan.

5. In de zaken zijn niet alleen financiële aanspraken aan de orde. Eisers hebben op beide zittingen een helder beeld gegeven van hun werk bij de Brandweer en de voor hen soms zware en emotioneel belastende omstandigheden waaronder zij dit werk hebben moeten doen. Eisers hebben zich daarin niet altijd voldoende gesteund gevoeld door hun werkgever, verweerder, en ervaren in de door verweerder genomen besluiten opnieuw een tekort aan begrip van verweerder voor hun situatie. (Ook) dat was voor hen reden om naar de rechter te stappen.

I. De zaken van eisers 1 tot en met 12: verlaging compensatie

6. Op de zitting van 13 april 2021 hebben eisers de beroepsgronden die betrekking hebben op de hoogte en op de maximumduur van de compensatie laten vallen. Hun beroepen richten zich alleen nog tegen de korting die op de compensatie is toegepast.

7. Aan eisers is AOW-compensatie toegekend voor een kortere duur dan de maximale duur van 24 maanden. Dit besluit is gebaseerd op artikel 9b:80, tweede lid, van CAR/UWO2, dat luidt als volgt:

1. De ambtenaar heeft recht op compensatie AOW over de periode dat

a. hij op grond van door de werkgever vastgesteld beleid niet langer kon doorwerken bedoeld in artikel 9b:4 lid 5 juncto artikel 9b:26 lid 5, of

b. hij medisch niet geschikt was om langer door te werken bedoeld onder a, of

c. zijn verzoek om langer door te werken bedoeld onder a is afgewezen.

2. De periode bedoeld in lid 1 is niet langer dan zijn AOW-hiaat onder vermindering van het aantal maanden dat de ambtenaar langer heeft doorgewerkt vanaf een keuzemoment als bedoeld in artikel 9b:4 lid 5 of 9b:26 lid 5, vanaf 1 januari 2013 (cursivering rechtbank).

De gecursiveerde passage is toegevoegd bij wijziging van 22 november 2018; de bepaling werkt terug tot 1 januari 2018.

8. Eisers hebben gebruik gemaakt van de mogelijkheid om na het bereiken van de

55-jarige leeftijd nog enige tijd, tot in 2014, door te werken. De hiermee verworven inkomsten zijn op de AOW-compensatie in mindering gebracht.

Het beroep van eisers op het gelijkheidsbeginsel - leeftijdsdiscriminatie

9. Zoals ter zitting besproken zit het eisers dwars dat zij met de korting anders worden behandeld dan personen die vóór 1 januari 2013 met FLO zijn gegaan en bij wie niet een korting is toegepast over de periode waarin is doorgewerkt. Collega’s van wie het keuzemoment voor die datum lag, mochten soms tot twee jaar langer doorwerken en zijn niet gekort op de AOW-compensatie. Daarnaast, zo stellen eisers, worden zij ook anders behandeld dan collega’s die vanaf 1 januari 2015 voor hun FLO-keuzemoment stonden. Vanaf dat moment mocht weer langer worden doorgewerkt. De groep waar eisers toe behoren echter – de groep waarbij het keuzemoment in 2013/2014 lag – mocht slechts een jaar langer doorwerken. Volgens eisers is er sprake van leeftijdsdiscriminatie.

Ter zitting hebben eisers toegelicht dat de korting voor hen financiële gevolgen oplevert. In sommige gevallen bedraagt het verschil wel een paar honderd euro per maand.

10. De rechtbank begrijpt dat eisers het gevoel hebben in vergelijking met hun collega’s tussen wal en schip te vallen. Dat op zich is echter niet voldoende voor de conclusie dat de werkgever onrechtmatig heeft gehandeld. Het gaat om verschillen in behandeling over een langere periode, waarin bovendien sprake was van verschillende veranderingen in de juridische situatie. Daardoor kan van volledig gelijke gevallen geen sprake zijn.

11. Dat voor de groep die voor 1 januari 2013 gebruik kon maken van FLO andere regels van toepassing zijn, houdt verband met de gewijzigde wetgeving ten aanzien van de AOW-leeftijd. De datum van 1 januari 2013 geeft een bepalend verschil. De groep die vóór die datum moest beslissen over al dan niet langer doorwerken verkeerde in onzekerheid over een mogelijke verhoging van de AOW-leeftijd per 1 januari 2013. Voor personen van wie het keuzemoment na die datum lag bestond die onzekerheid niet meer; de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd is wettelijk geregeld met ingang van die datum. In die zin is geen sprake van gelijke gevallen en gaat de stelling van eisers dat zij ongelijk worden behandeld in vergelijking met de groep van voor 1 januari 2013 niet op. Dat betekent ook dat het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens (het College)3 waarnaar eisers hebben verwezen, niet tot een ander oordeel leidt. In die zaak ging het om een brandweerman die (anders dan eisers hier) al vóór 1 januari 2013 57 jaar oud was geworden en met FLO was gegaan; die vervolgens tot 1 december 2013 twee jaar lang had doorgewerkt, en daarmee wilde doorgaan, maar dat niet mocht van de werkgever. Het ging in dat oordeel dus niet om de vraag naar de hoogte van de AOW-compensatie.

12. Omdat het hier gaat om een centraal punt in de argumentatie van eisers, zal de rechtbank het hierbij echter niet laten. Naar het oordeel van het College werden met name brandweerlieden met de geboortejaren 1956 en 1957 (dus geboren vóór eisers) benadeeld op grond van hun leeftijd. Uit een leeftijdsdiscriminatie voor die groep kan niet worden afgeleid dat een andere leeftijdsgroep, die van eisers, op haar beurt is gediscrimineerd, laat staan dat daarbij dan sprake zou zijn van een discriminatie ten opzichte van die oudere collega’s waarbij juist leeftijdsdiscriminatie ten opzichte van andere collega’s werd vastgesteld.

13. En ook als de rechtbank het beroep van eisers op de uitspraak van het College (nog) breder trekt, mag niet worden vergeten dat het College er in de individuele zaak van de brandweerman niet van was overtuigd dat er geen andere minder ingrijpende oplossingen voor de werkgever voorhanden waren, met name omdat de werkgever onvoldoende had gemotiveerd dat andere oplossingen niet mogelijk waren. Dat ligt hier anders. Hier gaat het om (niet slechts één, maar) meerdere brandweerlieden, waardoor het vinden van een alternatief voor de werkgever moeilijker is, en er bovendien een groter financieel belang voor de werkgever in geding is. Daar komt nog bij dat de werkgever zich niet geheel doof heeft gehouden voor de klachten van de groep 2013-2014, waarvoor na overleg met de bonden hangende de beroepen is gekomen tot een verbetering van de aanspraken op

AOW-compensatie, en het is juist die compensatie (en niet het doorwerken zelf) die hier in beroep voorligt.

Discriminatie en pensioenleeftijd

14. De voorliggende zaken houden verband met de verhoging van de AOW-leeftijd per 1 januari 2013. Dat is een ingrijpende wetswijziging die velen raakt, ook buiten de Brandweer. Over de houdbaarheid en de gevolgen van die wijziging zijn destijds verschillende rechtszaken gevoerd, bij deze rechtbank, en ook in hoger beroep bij de hoogste feitenrechter in socialezekerheidszaken, de Centrale Raad van Beroep (de Raad, tevens de hoogste ambtenarenrechter). Die rechters hebben steeds geoordeeld dat de verhoging van de AOW-leeftijd in zijn algemeenheid niet onrechtmatig is en geen (leeftijds)discriminatie oplevert4.

15. Eisers hebben erop gewezen dat bij andere overheidsorganen, zoals het Ministerie van Defensie, een regeling tot stand is gekomen die voorziet in een verdergaande compensatie van het AOW-hiaat dan in het geval van eisers is geboden. Zij zijn van mening dat verweerder als hun werkgever zich ook meer had moeten inspannen om tot een betere regeling te komen, zonder dat de doorgewerkte periode in mindering wordt gebracht op de compensatie.

16. De rechtbank stelt voorop dat op een ambtelijke werkgever geen wettelijke plicht rust ervoor te zorgen dat de rechtspositionele aanspraken van zijn personeel niet slechter zijn dan bij andere overheidswerkgevers. Vaststelling van arbeidsvoorwaarden in het ambtenarenrecht is steeds meer een kwestie geworden van onderhandelingen tussen de sociale partners. Als gevolg van de onderhandelingsvrijheid en als gevolg van onderscheid in de betreffende werkzaamheden kunnen daarbij verschillen in arbeidsvoorwaarden optreden tussen de ene overheidsdienst en de andere. Dat is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

17. De arbeidsvoorwaarden in de Defensiezaken zijn inhoudelijk (dan ook) anders dan die in de zaken van eisers. Hoewel er parallellen zijn aan te wijzen tussen de Defensiezaken en de zaken van eisers – in beide gaat het om inkomensderving als gevolg van verhoging van de AOW-leeftijd en in beide is een compensatievoorziening tot stand gekomen – vertonen de zaken op relevante onderdelen verschillen. Zo is de regeling bij Defensie tot stand gekomen tegen de achtergrond van overtolligheidsontslag. Dat is duidelijk anders dan een regeling als het Principeakkoord over de reparatie van het FLO-overgangsrecht. Een ander verschil is dat het wachtgeld op grond van het Wachtgeldbesluit burgerlijke ambtenaren defensie (Wabd) voor een bepaalde duur werd toegekend. Personen die jonger waren konden de gehele looptijd van het wachtgeld makkelijker volmaken dan personen die gedurende de looptijd 65 jaar werden. Ook die situatie ligt bij de Brandweer anders.

18. Het beroep van eisers op de uitspraak van de Raad van 18 juli 20165 baat hen ook verder niet. Weliswaar heeft de Raad in die uitspraak geoordeeld dat de beëindiging van het wachtgeld bij 65 jaar met de gelijktijdige toekenning van een maandelijkse tegemoetkoming een verboden onderscheid naar leeftijd oplevert, maar de regeling is daarna op dat punt gerepareerd. De Raad heeft daarna bij uitspraak van 26 april 20176 geoordeeld dat geen sprake (meer) was van ongerechtvaardigd onderscheid naar leeftijd.

Zorgplicht

19. Eisers hebben ook gewezen op de zorgplicht van verweerder. Volgens hen had verweerder voor hen een betere regeling moeten maken. Zij hebben daarbij geschetst hoe hard zij in het verleden hun werkgever nodig hadden in hun dagelijkse werk en hoe zwaar dat werk was, en dat ook sprake was en is van een grote wederzijdse afhankelijkheid.

20. De rechtbank begrijpt dat de verwachtingen die eisers hebben van hun werkgever mede worden ingegeven door de wijze waarop het brandweerwerk is georganiseerd en door hen ook is ervaren. Dat daarbij sprake is van een grote wederzijdse afhankelijkheid neemt de rechtbank aan. Ook is duidelijk dat het gaat om werk dat een grote persoonlijke impact kan hebben. Toch maken al die punten niet dat op verweerder een grotere verplichting rust om te komen tot compensatie van het financiële nadeel dat de verhoging van de

AOW-leeftijd met zich brengt.

21. De werkgever is niet passief gebleven, maar heeft in het kader van de FLO in overleg met de vakbonden getracht te komen tot reparaties, zoals geregeld in het Principeakkoord. Op beide zittingen is nadrukkelijk aandacht besteed aan de vraag in hoeverre de compensatieregeling dan wel de korting op de compensatie tot financieel schrijnende situaties bij eisers heeft geleid. Eisers hebben laten weten dat van dergelijke situaties geen sprake is geweest. Dat alles tezamen genomen biedt grond voor de conclusie dat verweerder als goed werkgever in sociaal overleg is gekomen tot een voldoende compensatie, ook al hadden eisers graag meer gezien.

Rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel

22. Het gevoel van tussen wal en schip vallen hebben eisers ook tot uitdrukking gebracht door hun beroep op het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel.

23. De rechtbank stelt voorop dat destijds voor alle partijen de nodige onzekerheid bestond rond de verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd. Dat maakt echter niet dat sprake is van een handelen van de werkgever in strijd met de rechtszekerheid. Ook de werkgever heeft zich geconfronteerd gezien met een wijziging van de wet.

24. Ook al verkeerden (ook) eisers in onzekerheid, staan blijft dat eisers destijds het besluit hebben kunnen aanvechten tot beperking van duur van het doorwerken tot één jaar. Dat hebben zij echter niet gedaan. De besluiten hierover staan daardoor nu in rechte vast.

Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.7 Er is in de gevallen van eisers niet gebleken van ondubbelzinnige toezeggingen die niet zijn nagekomen. Het beroep op het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel slaagt daarom niet.

Het bevelvoerdersakkoord

25. Op de zitting van 13 april 2021 is gesproken over het zogenoemde Bevelvoerdersakkoord. Volgens eisers was de hardheidsclausule in dit akkoord bedoeld om een fatsoenlijk aantal jaren in een bepaalde schaal te functioneren; dat salaris telde mee voor de pensioengrondslag. Doorwerken op deze grond kan volgens eisers niet gelijk gesteld worden met langer doorwerken in verband met AOW-compensatie.

26. Uit de toelichting die eisers, met name eisers [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 9] , ter zitting hebben gegeven is de rechtbank gebleken dat de gronden ten aanzien van het Bevelvoerdersakkoord verband houden met hun ABP-pensioen (de zogenoemde tweede pijler). Voor zover hierdoor schade is opgetreden, valt beoordeling hiervan naar het oordeel van de rechtbank echter buiten de omvang van het nu voorliggende geschil over de korting op de AOW-compensatie (compensatie van een gemis van de eerste pijler).

II. De zaken van eisers 13 en verder: weigering compensatie – medische aspecten

27. De eisers in deze zaken hebben in het geheel geen AOW-compensatie gekregen. Volgens verweerder voldeden zij niet aan de hiertoe gestelde voorwaarden. Dat sprake was van medische ongeschiktheid om langer door te werken was en is volgens verweerder niet onderbouwd.

28. Eisers hebben naar voren gebracht dat zij wel hadden wíllen doorwerken, maar dat dat om medische redenen voor hen niet mogelijk was. Op de zitting van 25 november 2020 hebben eisers diverse voorbeelden genoemd van situaties waarin zij moesten optreden en die een grote impact hadden. Het werk dat zij jarenlang hebben verricht was fysiek zwaar en door de ingrijpende gebeurtenissen die een brandweerman meemaakt voor een aantal van hen ook psychisch belastend. Om die reden was FLO voor eisers dan ook geen luxe maar noodzaak. Zij hebben geen aanvraag ingediend om langer door te werken en hoopten de eindstreep te halen zonder arbeidsongeschikt te raken. Op beide zittingen hebben eisers ook nog toegelicht dat cultuuraspecten binnen de organisatie eraan hebben bijgedragen dat zij moeite hadden de psychisch belastende kant van hun werk te bespreken. Volgens eisers heeft verweerder onvoldoende aandacht gehad voor de belasting die eisers ervoeren en is verweerder zijn zorgplicht niet nagekomen. Verweerder had meer onderzoek moeten doen naar de medische geschiktheid van eisers. Daaruit had kunnen blijken dat eisers medisch ongeschikt waren om langer door te werken. Er is volgens eisers sprake van een bewijsrisico voor verweerder. Eisers hebben er daarbij op gewezen dat de bewaking van de gezondheid van de brandweerlieden thans beter is geregeld.

29. De rechtbank constateert allereerst dat partijen niet van mening verschillen over de soms moeilijke omstandigheden waaronder eisers hebben moeten werken. Waar partijen wel verschillend over denken is de vraag naar de onderbouwing van de gestelde medische ongeschiktheid en vooral over de vraag op wiens weg het ligt bewijs van (on)geschiktheid te leveren.

30. De rechtbank stelt vervolgens vast dat eisers in een eerder stadium de gelegenheid hebben gehad om de weigering van de compensatie voor te leggen aan een speciaal hiervoor ingerichte landelijke commissie die ook de medische kant van de zaak kon beoordelen. Ter zitting hebben eisers uitgelegd waarom zij hier geen gebruik van hebben gemaakt. Dat is een welbewuste keuze geweest.

31. De rechtbank volgt niet het standpunt van eisers dat verweerder op grond van goed werkgeverschap gehouden zou zijn geweest uit zichzelf meer onderzoek te doen naar de medische situatie van eisers, en dat sprake is van een bewijsrisico voor verweerder. De rechtspraak waar eisers in dat kader naar hebben verwezen heeft betrekking op werkgeversaansprakelijkheid bij ziekte in of door de dienst. Die situatie ligt hier niet voor. Verweerder heeft verder onbetwist gesteld dat als een werknemer aangeeft door te willen werken er een medisch onderzoek plaatsvindt om te bezien of hij daarvoor geschikt is. Zoals hiervoor is vastgesteld heeft geen van de eisers, om hun moverende redenen, verzocht om langer door te werken, zodat er voor nader onderzoek geen aanleiding bestond. Staan blijft dan wel dat er voor hen een mogelijkheid was om medische duidelijkheid te verkrijgen.

Van een op verweerder af te wentelen bewijsrisico bij onduidelijkheid kan dan geen sprake zijn.

32. Voor het werken met een op verweerder af te wentelen bewijsrisico is ook inhoudelijk geen reden. Niet alleen heeft verweerder op meerdere manieren aan de brandweerlieden aangeboden om voor zijn rekening een medische beoordeling te ondergaan, verweerder is ook bereid geweest om na de bestreden besluiten ingebrachte medische gegevens alsnog in de beoordeling te betrekken. Zoals ter zitting van 13 april 2021 is gebleken, heeft verweerder zich in een van de zaken zelfs ook bereid getoond alsnog medische informatie in behandeling te nemen als die nog wordt verstrekt.

33. Concrete informatie over de medische situatie van eisers is niet verschaft. Eisers hebben volstaan met algemene informatie, onder andere het Handboek Bedrijfsopvang en informatie over het Periodiek Preventief Medisch Onderzoek bij repressief brandweerpersoneel. Daarmee is niets gezegd over de individuele medische situatie van eisers.

34. Met verweerder stelt de rechtbank dan ook vast dat eisers niet hebben onderbouwd dat zij medisch niet in staat waren om langer door te werken. Verweerder mocht de gevraagde compensatie weigeren wegens gebrek aan onderbouwing van de zijde van eisers.

Conclusie

35. Alle aangevochten door de rechtbank beoordeelde besluiten blijven in stand. De beroepen zijn ongegrond.

36. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank

verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Tijselink, voorzitter, en mr. M. Greebe en

mr. F.P Lauwaars, leden, in aanwezigheid van mr. J.A. Lammertink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op **

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan gedurende zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

1 Algemene Ouderdomswet

2 In identieke bewoordingen opgenomen in de Aanvullende rechtspositieregeling Brandweer Amsterdam-Amstelland, artikel 27b.80, tweede lid.

3 Oordeel van 6 juni 2016, oordeelnummer 2016-48

4 Zie bijv. de uitspraak van deze rechtbank van 9 april 2014, ECLI:NL:RBAMS:2014:1782 en de uitspraak van de Raad van 18 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2609

5 ECLI:NL:CRVB:2016:2614

6 ECLI:NL:CRVB:2017:1473

7 Dit volgt onder meer uit een uitspraak van de Raad van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:559.