Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2653

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
30-06-2021
Zaaknummer
AMS 20/720 en AMS 20/2402
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Toekenning kinderbijslag met maximaal een jaar terugwerkende kracht en de ontvangst van loonvervangende uitkering met terugwerkende kracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 20/720 en AMS 20/2402

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiseres] , te Maasmechelen, eiseres

en

de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. G.E. Eind).

Procesverloop

In de zaak geregistreerd onder nummer AMS 20/720

Met een besluit van 19 september 2019 (het primaire besluit I) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om kinderbijslag voor de maand maart 2018 op grond van de Algemene kinderbijslagwet (AKW) afgewezen.

Met een besluit van 18 december 2019 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

In de zaak geregistreerd onder nummer AMS 20/2402

Met een brief van 21 oktober 2019 heeft verweerder eiseres laten weten dat over de maand maart 2019 op grond van de AKW geen recht bestaat op kinderbijslag.

Met een besluit van 17 januari 2020 (het bestreden besluit II) heeft verweerder ook dit bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Met een besluit van 17 maart 2020 (het bestreden besluit III) heeft verweerder met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een gewijzigde beslissing op het bezwaar genomen en het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard.

In beide zaken

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten I en II beroep ingesteld. Eiseres heeft te kennen gegeven zich ook niet te kunnen vinden in het bestreden besluit III.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting heeft op 13 april 2021 via een videoverbinding plaatsgevonden. Eiseres was aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat er vooraf ging aan de procedure

1. Eiseres woont in België. De uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) die eiseres vanuit Nederland ontving is met ingang van 19 februari 2018 beëindigd, omdat zij per die datum in het buitenland verblijft.

2. Met een besluit van 6 juni 2018 heeft verweerder het recht op kinderbijslag van eiseres voor haar kind [naam] vanaf maart 2018 beëindigd, omdat eiseres in België woont en geen uitkering meer krijgt vanuit Nederland.

3. Met een uitspraak van 23 juli 2019 (AMS 18/5772) heeft deze rechtbank geoordeeld dat de WW-uitkering van eiseres niet eerder mocht worden beëindigd dan per 7 maart 2018, de datum van uitschrijving uit de Basisregistratie Personen in Nederland.

4. Op 26 juli 2019 heeft eiseres verweerder verzocht om kinderbijslag voor de maand maart 2018 voor [naam] toe te kennen vanwege de verlenging van haar WW-uitkering tot

7 maart 2018.

5. In het primaire besluit I heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat kinderbijslag met maximaal een jaar terugwerkende kracht kan worden toegekend. Omdat de aanvraag op 26 juli 2019 is ontvangen, kan verweerder het recht op kinderbijslag beoordelen vanaf juli 2018. Verweerder komt niet tot het beoordelen van de maand maart 2018. Vanaf juli 2018 heeft eiseres geen recht op kinderbijslag. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

6. Op 26 september 2019 heeft eiseres verweerder gemeld dat zij met terugwerkende kracht per 10 maart 2019 een uitkering op grond van de regeling inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA) zal ontvangen. Daarom heeft zij verzocht om kinderbijslag voor de maand maart 2019.

7. Met de brief van 21 oktober 2019 heeft verweerder eiseres laten weten dat over de maand maart 2019 geen recht bestaat op kinderbijslag, omdat de uitkering in Nederland ingaat op 10 maart 2019 hetgeen betekent dat op de eerste van de maand maart 2019 geen recht op uitkering bestond. Hiertegen heeft eiseres ook bezwaar gemaakt.

8. Aan eiseres is met terugwerkende kracht vanaf 17 februari 2018 tot en met 14 januari 2019 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

9. In het bestreden besluit I heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat zij geen mogelijkheden of bevoegdheden heeft om af te wijken van de wet dat kinderbijslag met maximaal een jaar terugwerkende kracht kan worden toegekend.

10. In het bestreden besluit II heeft verweerder eiseres medegedeeld dat zij nog steeds geen recht heeft op kinderbijslag over de maand maart 2019, omdat zij geen loonvervangende uitkering heeft ontvangen nu haar slechts (van 17 februari 2018) tot en met 14 januari 2019 een ZW-uitkering is toegekend.

11. In het bestreden besluit III heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen de brief van 21 oktober 2019 alsnog niet-ontvankelijk verklaard, omdat die brief geen besluit bevat in de zin van de Awb. Het bestreden besluit I heeft volgens verweerder als reikwijdte de periode van 1 juli 2018 tot in ieder geval de dag waarop dat besluit is genomen, te weten 19 september 2019. Dat betekent dan ook dat ten aanzien van de maand maart 2019 er al een beslissing is genomen. Nu in de brief van 21 oktober 2019 ook een standpunt omtrent het recht op kinderbijslag ten aanzien van de maand maart 2019 wordt ingenomen, kan de inhoud van die brief niet op rechtsgevolg zijn gericht. Het rechtsgevolg is immers al ingetreden met het bestreden besluit I.

12. Aan eiseres is vervolgens aansluitend aan de ZW-uitkering per 14 januari 2019 de IVA-uitkering toegekend.

13. Met een besluit van 17 juni 2020 heeft verweerder aan eiseres alsnog kinderbijslag toegekend over de maanden februari en maart 2019.

Het standpunt van eiseres in beroep

14. Eiseres heeft de rechtbank verzocht de bestreden besluiten te vernietigen en te bepalen dat de kinderbijslag alsnog vanaf maart 2018 tot en met maart 2019 zal worden toegekend. Met het terugwerkende kracht verlenen van de loonvervangende uitkeringen, heeft zij recht op kinderbijslag en het daaraan gekoppelde kindgebonden budget.

De beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de zaak geregistreerd onder nummer AMS 20/2402

De maanden februari en maart 2019

15. Verweerder heeft in beroep een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen. Nu het bestreden besluit II door verweerder is vervangen door het bestreden besluit III en niet is gebleken dat eiseres nog procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de bestreden besluiten II én III, zal de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit II en III niet-ontvankelijk verklaren.

Ten aanzien van de zaak geregistreerd onder nummer AMS 20/720

De maanden januari 2019 en december 2018

16. Op de zitting heeft verweerder te kennen gegeven dat met een besluit van

10 november 2020 voor de maanden januari 2019 en december 2018 aan eiseres alsnog kinderbijslag is verleend.

De maanden juli, augustus, september, oktober en november 2018

17. Het beroep van eiseres voor zover gericht tegen de afwijzing van de kinderbijslag vanaf het derde kwartaal van 2018 tot december 2018 (de maanden juli, augustus, september oktober en november 2018) behoeft voorts geen bespreking meer, omdat de gemachtigde van verweerder op de zitting heeft toegezegd dat over die periode tot toekenning van de kinderbijslag zal worden overgegaan, gelet op hetgeen is besproken tijdens de hoorzitting van 12 december 2019.

De maanden maart, april, mei en juni 2018

18. Gelet op het voorgaande is het procesbelang van eiseres beperkt tot de maanden maart, april, mei en juni 2018. Daarover overweegt de rechtbank dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat niet met verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar - tot juli 2018 - de kinderbijslag kan worden beoordeeld. In artikel 14, eerste lid, van de AKW is bepaald dat verweerder op aanvraag vaststelt of een recht op kinderbijslag bestaat. Op grond van artikel 14, derde lid, van de AKW kan het recht op kinderbijslag niet vroeger ingaan dan één jaar voorafgaand aan de eerste dag van het kwartaal waarin de aanvraag werd ingediend. Het dwingend geformuleerde artikel 14, derde lid, van de AKW biedt in het onderhavige geval van eiseres niet de mogelijkheid om het recht op kinderbijslag met ingang van een eerdere datum dan het derde kwartaal van 2018 toe te kennen.1 Dat in het geval van eiseres sprake is van een hoogst ongebruikelijke situatie nu met terugwerkende kracht van bijna twee jaar een ZW- en IVA-uitkering zijn toegekend, maakt dat niet anders. Artikel 14, derde lid, van de AKW, biedt verweerder geen bevoegdheid, ook niet in bijzondere gevallen, om hiervan af te wijken. Hetgeen overigens is aangevoerd kan niet leiden tot een ander oordeel.

19. Het betoog van eiseres dat zij als grensarbeider nog steeds als verzekerd in Nederland kan worden aangemerkt en zij als grensarbeider wordt benadeeld, en dat dat voor verweerder een grond zou moeten vormen om een verdergaande terugwerkende kracht te verlenen aan de toekenning van kinderbijslag, volgt de rechtbank niet. Verweerder heeft niet betwist dat eiseres als ingezetene en dus verzekerd voor de AKW kan worden aangemerkt. De toepassing van artikel 14 van de AKW geldt voor alle ingezetenen in het kader van de AKW. Eiseres wordt dan ook in dit opzicht niet anders behandeld omdat zij grensarbeider is.

20. De beroepsgrond dat het kindgebonden budget, dat gekoppeld is aan de kinderbijslag, wel met 5 jaar terugwerkende kracht kan worden toegekend, kan evenmin leiden tot vernietiging van het bestreden besluit, omdat het kindgebonden budget niet in het kader van de AKW wordt toegekend en een beslissing over het kindgebonden budget in deze procedure niet aan de orde is.

De conclusie

21. Bovenstaande brengt mee dat verweerder met het bestreden besluit I op goede gronden vanaf maart 2018 tot juli 2018 de kinderbijslag heeft geweigerd. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Het beroep zal ongegrond worden verklaard.

Het griffierecht


22. Omdat vanaf het derde kwartaal van 2018 verweerder alsnog tot toekenning van de kinderbijslag overgaat na het instellen van beroep en de behandeling van het beroep op zitting, zal de rechtbank bepalen dat verweerder het door eiseres (eenmaal in de zaak geregistreerd onder nummer AMS 20/720) betaalde griffierecht aan haar vergoedt. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

Ten aanzien van de zaak geregistreerd onder nummer AMS 20/2402

De rechtbank verklaart het beroep gericht tegen de bestreden besluiten II en III niet-ontvankelijk.

Ten aanzien van de zaak geregistreerd onder nummer AMS 20/720

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit I ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 48,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. Soylu, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

is buiten staat de uitspraak te tekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1020.