Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2637

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
AMS 21/2270 en AMS 20/5378
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

dakopbouw in strijd met bestemmingsplan, belanghebbende, buitenplanse afwijking, niet in strijd met goede ruimtelijke ordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummers: AMS 20/5378 (beroep) en AMS 21/2270 (voorlopige voorziening)

uitspraak van de voorzieningenrechter op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] en [verzoekster], [adres 4] 84 te Amsterdam, verzoekers/eisers, hierna verzoekers,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Ugur).

Vergunninghouder [belanghebbende], verblijvende te Brazilië, is als derde-partij bij de zaak betrokken (gemachtigde: mr. R.M. Rensink).

Procesverloop

Met het besluit van 27 maart 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor het realiseren van een dakopbouw op het adres [adres 2] .

Met het besluit van 27 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Zowel verweerder als de vergunninghouder hebben verweerschriften ingediend.

De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 4 mei 2021. Verzoekers zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De vergunninghouder heeft via een telefonische verbinding aan de zitting deelgenomen.

Overwegingen

1. Verzoekers wonen aan het [adres 4] te Amsterdam. De achterzijde van

hun woning grenst aan een binnenhof waarin in 2005 twee blokken van acht en vijf eengezinswoningen van elke twee bouwlagen zijn gerealiseerd met een sedumdak. Woningstichting de Key was eigenaar van de woningen maar heeft deze verkocht aan – onder meer – vergunninghouder op het adres [adres 2] , hierna de woning. In het binnenhof bevinden zich andere gebouwen en uitbouwen waaronder een schoolgebouw van vijf verdiepingen hoog. Vergunninghouder is eigenaar van de woning. Zij woont nu nog in Brazilië maar wil in de zomer van 2021, na het realiseren van de dakopbouw, het huis betrekken.

2.1

Verweerder heeft met het primaire besluit aan vergunninghouder een buitenplanse vergunning verleend voor het realiseren van een dakopbouw.

2.2

Verzoekers hebben tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Naar aanleiding van de gemaakte bezwaren heeft de afdeling Ruimte en Duurzaamheid van verweerder een nadere motivering opgesteld. Conform het advies van de bezwaarcommissie van

17 augustus 2020 heeft verweerder met het bestreden besluit de bezwaren van verzoekers ongegrond verklaard. In het bestreden besluit zijn ook de bezwaren van andere omwonenden niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder hen niet als belanghebbenden heeft aangemerkt. Deze omwonenden hebben geen verzoek voorlopige voorziening ingediend en hun beroepschriften staan daarom bij de voorzieningenrechter niet ter discussie.

3. Verzoekers vrezen voor een onomkeerbare aantasting van de visuele en biodiverse kwaliteiten van het groen aangelegde natuurdak van de woning als de dakopbouw geplaatst wordt. Daarnaast stellen verzoekers in beroep dat sprake is van schending van hun privacy, dat de daglichttoetreding en schaduwwerking in hun woning significant wordt aangetast dan wel toeneemt en dat verweerder in strijd met zijn eigen beleidsregels heeft gehandeld. Tevens is volgens verzoekers sprake van een evident privaatrechtelijke belemmering omdat De Key bij de verkoop van de woningen met een kettingbeding heeft bedongen dat het sedumdak gehandhaafd moet blijven. Verweerder heeft daarom geen omgevingsvergunning mogen verlenen.

Is het beroep tijdig ontvangen bij de rechtbank?

4.1

De rechtbank heeft het beroep van 8 oktober 2020 van de voormalige gemachtigde van verzoekers ontvangen op 12 oktober 2020. Volgens de vergunninghouder is het beroep te laat ingediend omdat de beroepstermijn van zes weken op 8 oktober 2020 is verstreken.

4.2

Wanneer een beroepschrift (aangetekend of niet-aangetekend) met de gewone post (PostNL) wordt verstuurd, is het bij ontvangst na het einde van de termijn op grond van artikel 6:9, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) onder voorwaarden ook tijdig ingediend. Die voorwaarden zijn dat het beroepschrift voor het einde van de termijn op de post is gedaan én het niet later dan een week na afloop van de termijn bij de rechtbank is ontvangen.

4.3

Als op de enveloppe een leesbaar poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift op die dag op de post is gedaan. De rechtbank wijkt alleen van dit uitgangspunt af als de indiener van het beroepschrift aannemelijk maakt dat het op een eerdere datum op de post is gedaan. Als, zoals in het geval van verzoekers, op de enveloppe geen (leesbaar) poststempel is geplaatst, neemt de rechtbank in beginsel aan dat het beroepschrift tijdig op de post is gedaan als het de eerste of tweede werkdag na de beroepstermijn is ontvangen. Omdat de laatste dag van de beroepstermijn donderdag

8 oktober 2020 was en de rechtbank het beroep op maandag 12 oktober 2020 heeft ontvangen, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het beroep tijdig is ingediend.

Zijn verzoekers belanghebbenden?

5.1

Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, moet een natuurlijk persoon een voldoende objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang hebben. Dit belang moet hem in voldoende mate onderscheiden van anderen en het moet rechtstreeks worden geraakt door het bestreden besluit.

5.2

Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)1 blijkt dat het uitgangspunt is dat degene die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van de verleende vergunning, in beginsel belanghebbende is bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ is een correctie op dat uitgangspunt. Gevolgen van enige betekenis ontbreken als de gevolgen wel zijn vast te stellen, maar de gevolgen voor de woon,- leef- of bedrijfssituatie van de betrokkene dermate gering zijn dat een persoonlijk belang bij het besluit ontbreekt. Daarbij wordt – onder meer – gekeken naar de factoren afstand tot, zicht op en planologische uitstraling van de activiteit die het besluit toestaat.

5.3

Verzoekers wonen aan het [adres 4]2 tegenover de woning van vergunninghouder en hebben direct zicht op de vergunde opbouw. Verzoekers voldoen aan het zicht- en afstandscriterium en hebben een voldoende objectief, actueel, eigen en persoonlijk belang. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat verzoekers belanghebbende zijn bij het bestreden besluit. Het is niet zo dat, zoals vergunninghouder heeft betoogd, verzoekers geen belanghebbenden zijn omdat er geen gevolgen van enige betekenis zijn vanwege het geringe effect van de opbouw qua privacy-schending en schaduwwerking. Dat in de procedure gebleken geringe effect wordt betrokken bij de beoordeling of verweerder in redelijkheid heeft kunnen beslissen de vergunning voor de dakopbouw te verlenen.

Regelgeving

6. Voor de relevante wet- en regelgeving verwijst de voorzieningenrechter naar

bijlage II bij deze uitspraak.

Beslissen op het beroep

7. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Awb niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekers maar ook op het beroep.

Oordeel voorzieningenrechter

8.1

Bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de bevoegdheid van verweerder om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, komt verweerder beleidsruimte toe. De voorzieningenrechter toetst of verweerder in redelijkheid tot het bestreden besluit heeft kunnen komen.

8.2

Ter plaatse geldt het bestemmingsplan Weesperzijdestrook. Niet in geschil is dat de dakopbouw hiermee in strijd is omdat de maximale bouwhoogte met 1.55 meter wordt overschreden en in het bestemmingsplan alleen bestaande en geen nieuwe dakopbouwen zijn toegestaan. Verweerder heeft aanleiding gezien om van het bestemmingsplan af te wijken op grond van artikel 4, vierde lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor), de zogenaamde buitenplanse afwijking, omdat de dakopbouw niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast wordt volgens het beleid3 van verweerder in stadsdeel Oost meervoudig en intensief ruimtegebruik binnen bestaande bebouwing voor woonfuncties gestimuleerd. Het maken van een dakopbouw past binnen dit beleid. Hoewel het dak van de woning waarop de dakopbouw wordt gerealiseerd niet helemaal plat is, maar een hellingshoek heeft van 7 graden, wordt deze geringe hellingshoek volgens het beleid4 van verweerder gelijk gesteld aan een plat dak. Verweerder handelt daarmee niet in strijd met zijn eigen beleid, zoals verzoeker betoogt.

8.3

Verzoekers stellen zich op het standpunt dat verweerder de vergunning heeft verleend in strijd met een goede ruimtelijke en stedenbouwkundige onderbouwing. Uit de onderbouwing ruimtelijke ordening van 19 augustus 2019, het aangepaste preadvies Ruimtelijke Ordening van 28 oktober 20195, de schaduw- en bezonningsrapportage van

29 mei 2020, de stedenbouwkundige beoordeling en de reactie van de afdeling ruimtelijke ordening6 in bezwaar, blijkt dat verweerder de ruimtelijke relevante belangen voldoende heeft afgewogen tegen de aantrekkelijkheid van de woonomgeving en de rechtszekerheid van de omwonenden.

8.4

Volgens verzoekers heeft verweerder miskend dat het realiseren van de dakopbouw leidt tot een onevenredige aantasting van hun woon- en leefklimaat door het verlies van privacy en zon- en lichtinval. Zoals blijkt uit het bestreden besluit ligt aan het buitenplans verlenen van de omgevingsvergunning een belangenafweging ten grondslag, waarbij de belangen van omwonenden zijn betrokken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de woonsituatie van verzoekers niet onevenredig zal worden aangetast door realisering van de dakopbouw. Hierbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat de dakopbouw niet de gehele verdieping in beslag neemt, de dakopbouw losstaand is, een geringe omvang heeft en voldoet aan de zichtbaarheidsregel7en de 45 gradenregel8zoals omschreven in de beleidsregels. Hoewel verzoeker vanuit zijn woning op de begane grond de dakopbouw kan zien, blijkt uit de schaduw- en bezonningsrapportage dat de schaduw van de dakopbouw voornamelijk op het eigen dak en de eigen tuin van de vergunninghouder en die van hun naaste buren valt en niet in de tuin van verzoeker. Alleen in de lente en in de herfst valt er in de namiddag (16.00 uur) over een strook van 0,8 meter meer schaduw dan in de huidige situatie. Verweerder heeft dat kunnen aanmerken als een toelaatbare aantasting van het leef- comfort van verzoeker. Hetzelfde geldt voor het betoog van verzoekers dat hun privacy wordt aangetast door de inkijk vanuit de dakopbouw in zijn woning. De ligging van de woning van verzoekers in stedelijk gebied, brengt nu eenmaal met zich dat zij een zekere beperking van privacy en schaduwwerking moeten aanvaarden. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het verlenen van de vergunning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat van verzoekers wordt gewaarborgd. Verzoekers hebben verder geen omstandigheden aangevoerd op grond waarvan verweerder niet had mogen afwijken van het bestemmingsplan. De vrees van verzoekers dat de verleende vergunning in de toekomst zal leiden tot meer dakopbouwen in de omgeving is dat in ieder geval niet.

Privaatrechtelijke belemmering

9. Voor het oordeel door de bestuursrechter dat een privaatrechtelijke belemmering aan de verlening van vergunning in de weg staat, is slechts aanleiding wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. Los van de omstandigheid dat verzoekers eerst in beroep hebben aangevoerd dat het handhaven van het sedumdak op de woning een privaatrechtelijke belemmering is voor het verlenen van de vergunning, is uit de toelichting van de vergunninghouder op de zitting gebleken dat zij met De Key in overleg is over hoe de aanpassing van het sedumdak moet worden vormgegeven in combinatie met de dakopbouw. Hieruit blijkt vooralsnog niet van een evident privaatrechtelijke belemmering voor het verlenen van de vergunning.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling ten behoeve van de voormalige gemachtigde van verzoeker, is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Niekel, griffier. De beslissing is uitgesproken en bekend gemaakt op 18 mei 2021.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover daarbij is beslist op het beroep, binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage I

Bijlage II

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet.

Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder 2, van de Wabo

Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.

Bijlage II, bij hoofdstuk IV van het Besluit omgevingsrecht (Bor), categorieën gevallen waarin voor planologische gebruiksactiviteiten een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet kan worden verleend.

Artikel 4, aanhef, vierde lid, van bijlage II van het Bor

Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:64).

2 Zie tekening bij deze uitspraak in Bijlage I.

3 Beleidsregels afwijkingen omgevingsvergunning.

4 Beleidsregels afwijkingen omgevingsvergunning, bladzijde 18.

5 Hierin is het geplande dakterras komen te vervallen en is de 45 graden-regeling en de zichtlijn toegevoegd.

6 Ruimte en Duurzaamheid.

7 De zichtbaarheidsregel is bedoeld om dakopbouwen, dakuitbouwen, daktoegangen en dakterrassen zo min mogelijk zichtbaar te laten zijn vanuit de openbare ruimte.

8 Deze regel is van toepassing om de daglichttoetreding en privacy in de omliggende gebouwen te waarborgen. De 45 gradenregel verplicht een bepaalde afstand tussen de (achtergevel)rooilijn en de te bouwen voorzieningen aan te houden.