Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2608

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
13/286577-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge (oogletsel) tot een gevangenisstraf van 4 maanden waarvan 1 maand vw met een proeftijd van 2 jaar. Geen vol opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. BP deels toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/286577-20

Datum uitspraak: 29 april 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[naam verdachte]

geboren op [geboortedatum 2] 1969 te [geboorteplaats] ( [Geboorteland] ),

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[BRP-adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 28 januari 2021 en 29 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.N. Refos, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.J.E. Berfelo, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – samengevat weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Primair

zware mishandeling van [aangever] op [datum] te [plaats 1] ;

Subsidiair

mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde feit bewezen kan worden. Het handelen van verdachte is gericht geweest op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte heeft aangever meerdere gerichte vuistslagen gegeven. Aangever droeg een bril en het risico dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen door vuistslagen in zijn gezicht is groot. Verdachte heeft dit risico geaccepteerd. De officier van justitie verzoekt om verdachte, vanwege gebrek aan bewijs, partieel vrij te spreken van het schoppen van aangever.

3.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van de zware mishandeling nu verdachte geen opzet heeft gehad op het zwaar lichamelijk letsel bij aangever.

3.3

Oordeel van de rechtbank

Gelet op de bewijsmiddelen in het dossier en wat ter zitting besproken is, vindt de rechtbank bewezen dat verdachte aangever [aangever] meermalen op zijn gezicht heeft geslagen waardoor aangever zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte het volle opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij aangever. De volgende vraag is of er sprake is van voorwaardelijk opzet.

Voor een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is allereerst vereist dat door het handelen van verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel is ontstaan. Als daarvan sprake is, is de volgende vraag of verdachte die aanmerkelijke kans ook bewust aanvaard heeft. Verdachte heeft aangever buiten opgewacht en wilde hem mishandelen om te laten weten dat hij het niet eens was met het gedrag van aangever. Verdachte heeft aangever vervolgens tegen het hoofd gestompt met als gevolg dat het glas van de bril van aangever in zijn oog is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat door het stompen op iemands oog er een aanmerkelijke kans ontstaat op pijn of letsel, maar dat niet kan worden gesproken van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel. Dat aangever wel zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen is uiteindelijk het gevolg van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. De rechtbank vindt dus niet bewezen dat verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft willen toebrengen en zal verdachte vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft het handelen van verdachte wel zwaar lichamelijk letsel bij aangever tot gevolg gehad. Uit de medische informatie blijkt dat het hoornvlies van aangever is geperforeerd, de kunstlens niet meer aanwezig is en de iris defect is. Aangever heeft twee operaties aan zijn oog moeten ondergaan en zijn zicht is slechts tien procent. Het vooruitzicht op herstel is onduidelijk. De rechtbank is tevens van oordeel dat uit de verklaring van aangever en de verklaring van getuige [naam getuige] blijkt dat aangever door verdachte is geschopt. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de verklaring van aangever en de getuige. Dat verdachte opzet had op de mishandeling blijkt uit zowel de aangifte, maar ook uit de verklaring van verdachte zelf. Verdachte had het volle opzet op het toebrengen van letsel.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het subsidiair ten laste gelegde bewezen is.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Subsidiair
op 10 november 2020 te Amsterdam, [aangever] heeft mishandeld door meermalen

- te stompen op/tegen het gezicht/hoofd van voornoemde [aangever]
- te trappen tegen de rug van voornoemde [aangever] , terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken hoornvlies en lens van het linkeroog ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door hem bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 75 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De officier van justitie heeft gevorderd om hieraan de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden te verbinden, te weten: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met de aangever, een locatieverbod bij het adres van aangever en de moskee, meewerken aan middelencontrole en het houden aan de aanwijzingen van de reclassering. De officier van justitie verzoekt om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de oplegging van de straf rekening moet worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft een huurwoning en bij een nieuwe detentie zal hij zijn woning kwijtraken. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar en de psychiater acht een ambulante behandeling gewenst. Verdachte kan zich vinden in de voorwaarden van de reclassering en wil hieraan meewerken. De raadsman verzoekt om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van maximaal het voorarrest op te leggen en daarbij een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden voor de bijzondere voorwaarden en als stok achter de deur.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van het feit

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een mishandeling met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge. Benadeelde [aangever] heeft hierbij ernstig letsel opgelopen aan zijn linkeroog, waarbij onduidelijk is of dit letsel blijvend zal zijn. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt dat benadeelde nog dagelijks geconfronteerd wordt met de gevolgen van het misdrijf. Voor benadeelde voelt het alsof hij een oog mist. Dit maakt hem angstig en verdrietig. Doordat hij, ruim vijf maanden na de mishandeling, slechts voor tien procent ziet met zijn linkeroog, wordt zijn dagelijks functioneren sterk beïnvloed. De spanning en stress van de operaties die benadeelde heeft moeten ondergaan hebben een impact op hem. Zijn oog traant continue en hij heeft veel verzorging nodig met betrekking tot zijn oog. Verdachte heeft verklaard dat hij op benadeelde stond te wachten en hem wilde slaan. De gevolgen van het handelen van verdachte zijn groot en de rechtbank rekent dit hem ernstig aan.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 15 april 2021 waaruit blijkt dat verdachte de afgelopen vijf jaren niet is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia-onderzoek van 8 april 2021, opgesteld door drs. J.E. Julsing, psychiater. Hieruit volgt dat er bij verdachte sprake is van een psychotische stoornis in de vorm van een geïsoleerde waan. Ten tijde van het delict verkeerde verdachte in een waan. Het advies van de psychiater is om het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen. Verdachte heeft bewust de afweging gemaakt om geweld te gebruiken en hoewel hij door zijn psychose tot woede komt is hij niet geheel onvrij geweest in het maken van een keuze ten aanzien van het plegen van het geweld.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op het advies van Reclassering Nederland van 25 april 2021, opgesteld door N. Swartjes, reclasseringswerker. De reclassering schat het recidiverisico in als laag-gemiddeld. Indien verdachte wordt veroordeeld adviseren zij hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden.

De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over. Dit leidt ertoe dat het feit in verminderde mate aan verdachte wordt toegerekend.

Strafoplegging

Om te bevorderen dat landelijk door rechtbanken voor dezelfde feiten ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor de bewezen verklaarde feiten gekeken naar deze oriëntatiepunten.

Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf van vier maanden (met aftrek van het voorarrest), waarvan één maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, passend. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De rechtbank acht het opleggen van bijzondere voorwaarden – bestaande uit: een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, een contactverbod met de aangever, een locatieverbod op het adres van aangever en in de nabije omgeving van de moskee, meewerken aan middelencontrole en het houden aan de aanwijzingen van de reclassering– geïndiceerd om de maatschappij te beschermen en verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank komt tot een lagere straf dan de officier van justitie nu verdachte van het primair ten laste gelegde is vrijgesproken. De rechtbank ziet, nu er volgens de reclassering sprake is van een laag-gemiddeld recidiverisico, geen aanleiding om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij

[aangever] heeft zich als benadeelde partij in het geding gevoegd en vordert een bedrag van € 12.269,10. Dit bedrag bestaat uit € 269,10 aan materiële schade en € 12.000,00 aan immateriële schade ten gevolge van het ten laste gelegde feit.

9.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente. De materiële schade is een rechtstreeks gevolg van het ten laste gelegde en de immateriële schade is, gelet op de ernst van het letsel, niet onbegrijpelijk.

9.2

Het standpunt van de verdediging

Materiële schade

De raadsman heeft geen opmerkingen ten aanzien van de gevorderde kosten van de gaasjes en de taxikosten. Ten aanzien van de gevorderde kosten voor een nieuwe bril stelt de raadsman zich op het standpunt dat niet blijkt dat de bril van aangever geheel kapot is gegaan. Daarnaast had de schade aan de oude bril als schadepost moeten worden ingediend, in plaats van de kosten van de aankoop van een nieuwe bril. De verdediging verzoekt de kosten van de bril naar beneden bij te stellen naar € 100,00.

Immateriële schade

Ten aanzien van de immateriële schade verzoekt de raadsman primair om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering. Uit de processtukken volgt niet in welke mate het zicht van aangever is verminderd. Het vaststellen van het percentage waarmee het zicht van aangever is verminderd zal een onevenredige belasting van het strafproces opleveren.

Subsidiair verzoekt de raadsman om aansluiting te zoeken bij een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland (ECLI:NL:RBNNE:2019:4092) waarbij € 2.000,- werd toegewezen in een soortgelijke casus. Het overige deel dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot het na te melden bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Materiële schade

De rechtbank is van oordeel dat de materiële kosten een rechtstreeks gevolg zijn van het ten laste gelegde. De verdediging heeft verzocht om het gevorderde schadebedrag ten aanzien van de bril te verlagen nu benadeelde een nieuwe bril heeft aangeschaft en niet de schade aan de oude bril heeft gevorderd. De rechtbank is van oordeel dat uit het procesdossier voldoende blijkt dat de bril van aangever kapot is gegaan. Daarnaast blijkt uit de medische stukken van aangever dat zijn zicht, na het misdrijf, slechts tien procent is. Het komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor dat aangever, naar aanleiding van de gevolgen van zijn letsel, een nieuwe bril heeft moeten aanschaffen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de gevorderde schadevergoeding ten aanzien van de materiële schade geheel moet worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 november 2020.

Immateriële schade

Artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek brengt, voor zover voor de beoordeling van belang, mee dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen immateriële schadevergoeding indien deze ten gevolge van het strafbare feit schade heeft opgelopen. Bij de begroting van de vergoeding van deze schade dient de rechtbank rekening te houden met alle omstandigheden, waaronder de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen hebben toegekend.

Blijkens de door de benadeelde partij ingebrachte (medische) stukken heeft benadeelde ernstig letsel opgelopen naar aanleiding van de mishandeling. Het hoornvlies is geperforeerd, de kunstlens is niet meer aanwezig en de iris is defect. Benadeelde is tweemaal geopereerd en ziet nog slechts 10% met zijn linkeroog. Het oog traant continue en is nog steeds pijnlijk. Het vooruitzicht is onduidelijk. Benadeelde wordt dagelijks herinnerd aan het bewezenverklaarde.

Gelet op voornoemde omstandigheden en de bedragen die in soortgelijke gevallen zijn toegekend, zal de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid begroten op een bedrag van € 6.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 november 2020.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De schadevergoedingsmaatregel

Als extra waarborg voor betaling zal de rechtbank, gelet op artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht, ten behoeve van de benadeelde partij aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het bedrag van € 6.269,10, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 10 november 2020 tot de dag van volledige betaling. Als door verdachte niet wordt betaald, zal deze verplichting worden aangevuld met 30 dagen gijzeling, waarbij toepassing van de gijzeling de betalingsverplichting niet opheft.

De betaling die is gedaan aan de Staat wordt op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in mindering gebracht. Dit geldt andersom ook indien betaling is gedaan aan de benadeelde partij.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [naam verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot één (1) maand van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

  • -

    zich meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

  • -

    zich laat behandelen door Forensische Ambulante Zorg van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;

  • -

    meewerkt aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd;

  • -

    zich houdt aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;

  • -

    op geen enkele wijze contact heeft of zoekt - direct of indirect - met aangever [aangever] , geboren op [geboortedatum 1] te [plaats 2] ( [land] ), zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

  • -

    zich niet zal bevinden binnen een straal van 200 meter van het adres van aangever [aangever] , te weten te [adres] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit locatieverbod;

  • -

    zich niet zal bevinden in de nabije omgeving van de [naam moskee] moskee op het adres [adres 3] , zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op de handhaving van dit locatieverbod.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

  • -

    ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

  • -

    medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij, [aangever] , toe tot een bedrag van € 269,10 (tweehonderdnegenenzestig euro en tien cent) aan vergoeding van materiële schade en

€ 6.000,00 (zesduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2020 van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] aan de Staat € 6.269,10 (zesduizend tweehonderdnegenenzestig euro en tien cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 10 november 2020 van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 30 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Vaandrager, voorzitter,

mrs. P.P.C.M. Waarts en A.F. Bazdidi Tehrani, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 april 2021.

[...]

[...]

;