Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2597

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
01-06-2021
Zaaknummer
13/325828-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld tot een jeugddetentie van 150 dagen waarvan 91 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar voor afpersing, diefstal met geweld en voor het medeplegen van het voorhanden hebben van een gasdrukwapen. ASR toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13-325828-20

Datum uitspraak: 7 april 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 2001 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 24 maart 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. G.P. Sholeh en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. T. Mustafazade, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd, na wijziging op de zitting van 24 maart 2021 – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Feit 1: afpersing van [aangever 1] en [aangever 2] , in vereniging, waarbij zij gedwongen zijn tot afgifte van een Louis Vuitton tas en/of een riem en/of een jas en/of 20 euro, door de bedreiging en het gebruik van geweld en het tonen van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, gepleegd op 26 december 2020 in Amsterdam;

Feit 2: diefstal met (bedreiging van) geweld, in vereniging, waarbij een ketting en/of Iphone 11 Pro van [aangever 1] en/of [aangever 2] zijn weggenomen, gepleegd op 26 december 2020 in Amsterdam;

Feit 3: medeplegen van het voorhanden hebben van een gasdrukwapen, gepleegd op 26 december 2020 in Amsterdam.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden met uitzondering van de mishandeling van aangever [aangever 2] , nu dit onvoldoende volgt uit het procesdossier.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat, gelet op de bekennende verklaring van verdachte, de aangiften, het proces-verbaal van het aantreffen van het wapen en het proces-verbaal van technisch onderzoek naar het wapen, is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de eendaadse samenloop van afpersing, diefstal met geweld en het medeplegen van het voorhanden hebben van een gasdrukwapen.

Bewijsoverweging gebruik geweld

De rechtbank is van oordeel dat uit de verklaringen van aangevers [aangever 1] en [aangever 2] volgt dat er door verdachte en zijn medeverdachte geweld is gebruikt. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze verklaringen te twijfelen en acht de geweldshandelingen ook bewezen.

Bewijsoverweging voorhanden hebben wapen

Ter terechtzitting heeft verdachte bekend dat hij het gasdrukwapen in zijn handen heeft gehad. Uit de verklaringen van aangevers volgt dat de medeverdachte diegene is die het gasdrukwapen heeft vastgehad. Gelet op het procesdossier, is komen vast te staan dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte met zijn mededader ten tijde van de afpersing en de diefstal met geweld. Om die reden kan eveneens bewezen worden dat verdachte zich met anderen ook heeft schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van het wapen. Niet hoeft komen vast te staan wie het wapen ten tijde van het delict heeft vastgehad.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

Feit 1

op 26 december 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever 1] en/of [aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een Louis Vuitton tas en een riem en of een jas en een geldbedrag van ongeveer 20 euro, dat geheel aan voornoemde [aangever 1] en/of [aangever 2] toebehoorde, door

- voornoemde [aangever 1] en [aangever 2] naar een steeg te begeleiden en

- voornoemde [aangever 1] en/of [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Lever alles in", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of

- vervolgens voornoemde [aangever 2] meermalen tegen het hoofd, te slaan/stompen en

- nadat voornoemde [aangever 1] en [aangever 2] trachtten weg te rennen voornoemde [aangever 1] en [aangever 2] vast te pakken en

- voornoemde [aangever 2] in een nekklem te houden en voornoemde [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Je wilde toch die Airpods halen, dus wat doe je dan met 20 euro? ", en

- voornoemde [aangever 1] en [aangever 2] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en voor te houden en

- daarbij voornoemde [aangever 1] en [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Of moet ik deze soms gebruiken?”;

Feit 2

op 26 december 2020 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een ketting en een Iphone 11 Pro, die geheel toebehoorden aan [aangever 1] of [aangever 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen voornoemde [aangever 1] en/of [aangever 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, door

- voornoemde [aangever 1] en [aangever 2] naar een steeg te begeleiden en

- voornoemde [aangever 1] en [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Lever alles in", althans

woorden van gelijke dreigende aard of strekking en

- vervolgens voornoemde [aangever 2] meermalen tegen het hoofd, te slaan/stompen en

- ( nadat voornoemde [aangever 1] en/of [aangever 2] trachtten weg te rennen) voornoemde [aangever 1] en [aangever 2] vast te pakken/grijpen en

- voornoemde [aangever 2] in een nekklem te houden en voornoemde [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Je wilde toch die Airpods halen, dus wat doe je dan met 20 euro? ", en

- de ketting van voornoemde [aangever 1] van zijn nek te trekken en

- de Iphone 11 Pro van voornoemde [aangever 2] uit zijn broekzak te halen/trekken en

- voornoemde [aangever 1] en [aangever 2] een vuurwapen, althans een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, te tonen en voor te houden en

- daarbij voornoemde [aangever 1] en/of [aangever 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Of moet ik deze soms gebruiken?";

Feit 3

op 26 december 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie 1, onder 7° van de Wet wapens en munitie, te weten een door de Minister van Justitie en Veiligheid aangewezen voorwerp dat een ernstige bedreiging van personen kon vormen en/of dat zodanig op een wapen geleek dat deze voor bedreiging of afdreiging geschikt was, namelijk een gasdrukwapen van het merk Combat Zone, model COP, kaliber 6 mm heeft voorhanden gehad;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie verzoekt om aan verdachte een straf volgens het jeugdstrafrecht (het zogenaamde adolescentenstrafrecht) op te leggen. De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 180 dagen, waarvan 91 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden: meewerken aan meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, meewerken aan dagbesteding en een contactverbod met de medeverdachte(n).

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het adolescentenstrafrecht van toepassing moet zijn. Verdachte is licht verstandelijk beperkt en is vatbaar voor beïnvloeding van verkeerde vrienden. De verdediging verzoekt een straf op te leggen die gelijk is aan het voorarrest van verdachte. Ten aanzien van het opleggen van een voorwaardelijke straf, met de bijzondere voorwaarden die worden geadviseerd door de reclassering, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Verdachte heeft behandeling nodig om ontwikkelingsschade te voorkomen.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de straf en maatregel heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals ter terechtzitting is gebleken.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan het plegen van afpersing en diefstal met geweld. Zij hebben een voor de slachtoffers bedreigende situatie doen ontstaan en ze zijn, nadat de aangevers probeerden weg te rennen, achter de aangevers aangegaan en hebben hen vastgepakt. Daarna is door verdachte en zijn mededader opnieuw geweld gebruikt en een op een vuurwapen gelijkend vuurwapen getoond waarbij zij hebben gedreigd het wapen te zullen gebruiken. De gevolgen van dergelijke feiten zijn over het algemeen zeer traumatiserend voor de slachtoffers. De impact op hun gewone leven en gevoel van veiligheid is groot. Dit blijkt ook uit de aangiftes, waarin de slachtoffers hebben verklaard dat zij erg geschrokken zijn en zich minder veilig voelen. Op geen enkele wijze heeft verdachte zich bekommerd om de gevolgen voor de slachtoffers. Dat deze gevolgen, ook op de langere termijn, ernstig kunnen zijn heeft verdachte ook op voorhand kunnen beseffen. Hij heeft, enkel om financieel gewin, de slachtoffers ernstige en aanzienlijke schade berokkend. Dit rekent de rechtbank verdachte ernstig aan.

Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een gasdrukwapen op de openbare weg. Door aldus te handelen is een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen ontstaan.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 5 maart 2021. Hieruit volgt dat verdachte op 3 juli 2018 is veroordeeld tot een leerstraf van 35 uren voor een diefstal in vereniging.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 8 maart 2021, opgesteld door L. Snijder, reclasseringswerker. Hieruit volgt dat de reclassering niet uitsluit dat het delictgedrag van verdachte ingegeven lijkt te zijn door negatieve beïnvloeding van verkeerde vrienden en de gevoeligheid van verdachte hiervoor. De reclassering stelt vast dat het ontbreken van een dagbesteding, impulsiviteit, beïnvloedbaarheid en een mogelijk negatief sociaal netwerk, risicofactoren zijn voor recidive. Daarnaast lijkt er sprake te zijn van een beperkte agressie- en emotieregulatie. Verdachte is vermoedelijk licht verstandelijk beperkt (hierna: LVB). De reclassering acht, gelet op bovenstaande risicofactoren en de gemiddelde kans op recidive, een behandeling gericht op delictpreventie, het adequaat omgaan met negatieve gevoelens en antisociale invloeden van de omgeving van verdachte, geïndiceerd. Een ambulante behandeling kan een beschermend effect hebben en zodoende het risico op delictgedrag in de toekomst verminderen. Omdat het risico op recidive aanwezig is, zolang de risicofactoren bestaan, adviseert de reclassering om een contactverbod met de medeverdachte op te leggen.

Adolescentenstrafrecht

Ten tijde van het plegen van het feit was verdachte achttien jaar en dus meerderjarig. Uitgangspunt is dat een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, volgens het volwassenenstrafrecht wordt berecht. De rechtbank kan echter besluiten voor jongvolwassenen, met toepassing van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, jeugdsancties toe te passen indien daartoe grond wordt gevonden in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan.

In deze zaak zijn er voldoende indicaties voor het toepassen van het jeugdstrafrecht. Zo lijkt verdachte jonger te functioneren dan zijn kalenderleeftijd, ontbreekt het aan een fors justitieel verleden en verdachte lijkt LVB te zijn. Verder lijkt verdachte ook ondersteuning nodig te hebben bij het structureren van zijn leven en het regelen van praktische zaken. Hij lijkt ook ontvankelijk voor pedagogische beïnvloeding. Hij maakt actief deel uit van een gezin en het is van belang dat zijn scholing wordt voortgezet. Het valt de rechtbank verder op dat de bevriende medeverdachte ook jonger is dan hijzelf. In het reclasseringsadvies van 8 maart 2021 wordt door de reclassering ook geadviseerd om het adolescentenstrafrecht toe te passen.

Gelet op de voorgaande ziet de rechtbank dan ook reden om het jeugdstrafecht (het zogenaamde adolescentenstrafrecht) toe te passen.

Strafoplegging

Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straffen worden opgelegd, zijn door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) oriëntatiepunten opgesteld. De rechtbank heeft bij de oplegging van de straf voor de bewezen verklaarde feiten gekeken naar deze oriëntatiepunten.

Voor een diefstal met geweld in de meest lichte vorm is een taakstraf van 60 uur, dan wel 1 maand jeugddetentie, het uitgangspunt. In deze zaak is echter ook sprake van strafverzwarende omstandigheden, zijnde de aard en ernst van het gebruikte fysieke geweld, de bedreiging met een wapen en de omstandigheid dat verdachte het feit samen met een ander heeft gepleegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafmaat rekening met de eendaadse samenloop van de feit 1 en feit 2 zoals bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht.

Tevens heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een nepvuurwapen. Het uitgangspunt hierbij is een taakstraf van 30 uren, dan wel jeugddetentie.

Alles afwegende acht de rechtbank een jeugddetentie van 150 dagen (met aftrek van het voorarrest), waarvan 91 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, passend en geboden. De rechtbank acht tevens het opleggen van bijzondere voorwaarden – bestaande uit een meldplicht bij de reclassering, een ambulante behandelverplichting, een contactverbod met de medeverdachte en het meewerken aan dagbesteding – geïndiceerd om de maatschappij te beschermen en verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 47, 55, 77c, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 en feit 2:

eendaadse samenloop van

afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

én

diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Feit 3:

medeplegen van handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie van 150 (honderdvijftig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 91 (eenennegentig) dagen, van deze jeugddetentie niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat veroordeelde:

- zich meldt na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Nederland op het adres

[adres 2] . De verdachte blijft zich melden op afspraken zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- een behandeling volgt bij de Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start wanneer de reclassering dat noodzakelijk acht. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

- op geen enkele wijze - direct of indirect - contact heeft of zoekt met de medeverdachte [naam] , geboren op [geboortedag medevd] 2002;

- zich begeleidbaar en meewerkend opstelt voor het verkrijgen en behouden van een passende dagbesteding.

Geeft aan Reclassering Nederland de opdracht als bedoeld in artikel 77aa, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Djebali, voorzitter,

mrs. A.C.J. Klaver en M. Snijders Blok-Nijensteen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.M. van der Beek, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 april 2021.

mr. Snijders Blok-Nijensteen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

[...]