Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2581

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
C/13/670630 / HA ZA 19-871
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen zorgplichtschending. ABN AMRO hoeft geen schadevergoeding te betalen aan deze ondernemingen als gevolg van de met ABN AMRO of haar rechtsvoorganger afgesloten renteswapcontracten of in rekening gebrachte opslagverhogingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/670630 / HA ZA 19-871

Vonnis van 12 mei 2021

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SWAPSCHADE B.V.,

gevestigd te Utrecht,

in hoedanigheid van procesgevolmachtigde van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Exploitatie-Maatschappij Sint Joris B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres,

advocaat mr. A.J.R. Oude Middendorp te Enschede,

tegen

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. F.R.H. van der Leeuw te Amsterdam.

Partijen worden hierna Swapschade (voor zover wordt geduid op de formele procespartij) respectievelijk Sint Joris (voor zover wordt geduid op de materiële procespartij) en ABN AMRO genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 22 januari 2020 en de daarin vermelde processtukken,

  • -

    de akte houdende uitlating over individuele omstandigheden Sint Joris, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie,

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 januari 2021 en 4 februari 2021, en de daarin vermelde processtukken, waaronder de akte van ABN AMRO tot intrekking van de eis in reconventie,

  • -

    het faxbericht van mr. Oude Middendorp van 12 maart 2021 in reactie op het proces-verbaal.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Swapschade is een vennootschap die optreedt als procesgevolmachtigde van (onder meer) Sint Joris.

2.2.

Sint Joris, op 21 januari 1960 opgericht, hield zich tot eind 2020 bezig met het exploiteren van onroerend goed. Enig bestuurder van Sint Joris is de heer [bestuurder] (hierna: [bestuurder] ). Van 4 augustus 1981 tot en met 3 januari 2011 was [bestuurder] tevens enig bestuurder van Veka Best Verkeersleermiddelen B.V. (hierna: Veka Best). Veka Best, opgericht op 4 augustus 1981, drijft een groothandel in boeken en tijdschriften.

2.3.

Veka Best had een financieringsrelatie met ABN AMRO.

2.4.

In het dossier bevinden zich twee sets sheets van presentaties van een treasury adviseur van ABN AMRO. De eerste set is gedateerd februari 2006 en vermeldt op het voorblad de naam van [bestuurder] . In de presentatie wordt ingegaan op de financiering van Veka Best. De tweede set is gedateerd 12 december 2006 en niet gepersonaliseerd. De presentaties hebben betrekking op rentemanagement en rente-instrumenten. In deze presentaties is onder meer de werking van een renteswap schematisch uitgelegd en is informatie over de rentecap opgenomen.

2.5.

Op 12 december 2006 heeft Veka Best bij ABN AMRO een nieuwe kredietfaciliteit van in totaal € 1.542.133,57 afgesloten. De kredietovereenkomst luidt voor zover van belang als volgt:

(…)

Samenstelling

7-jarige lening op roll-over basis EUR 42.133,57 pro resto

(hoofdsom EUR 1.179.828,56)

10-jarige EURIBOR lening EUR 1.500.000,= (nieuw)

De 7-jarige lening

Deze lening blijft ongewijzigd en onder de reeds bestaande voorwaarden gehandhaafd.

De 10-jarige EURIBOR lening

Opname

In één bedrag, uiterlijk op 01.02.2007.

Aflossing

In één bedrag op 01.02.2017.

Tarieven

De 10-jarige EURIBOR lening

- Rente Eenmaands EURIBOR vermeerderd met een

individuele opslag van 0.95% per jaar. Op basis van

het voor de maand december 2006 geldende

Eenmaands EURIBOR bedraagt de rentevergoeding

(inclusief de hiervoor vermelde opslag) 4,498% per

jaar.

(…)

OTC-derivaten

 ABN AMRO is bereid om, tot wederopzegging, aan de Kredietnemer, hierna ook te noemen: “Cliënt”, de mogelijkheid te geven derivatentransacties aan te gaan. Dit betekent niet dat ABN AMRO verplicht is om een transactie met de Cliënt aan te gaan. ABN AMRO heeft het recht om elke transactie afzonderlijk te beoordelen.

 De hiervoor genoemde zekerheden en/of verklaringen strekken tevens tot zekerheid voor de nakoming van de verplichtingen uit hoofde van derivatentransacties.

 De bijgesloten Algemene Bepalingen Derivatentransacties mei 2001 zijn van toepassing op alle derivatentransacties tussen de Cliënt en ABN AMRO. Door ondertekening van deze Kredietovereenkomst verklaart de Cliënt een exemplaar van deze Algemene Bepalingen te hebben ontvangen.

(…)

 Tevens zendt ABN AMRO de Cliënt ter informatie de brochure OTC-Derivatentransacties met de Bank. Door ondertekening van deze Kredietovereenkomst verklaart de Cliënt deze brochure te hebben ontvangen.

2.6.

De in de kredietovereenkomst vermelde brochure OTC-Derivatentransacties vermeldt onder meer het volgende:

(...)

Kosten van voortijdige beëindiging

Indien u – om welke reden dan ook – een derivatentransactie wilt of moet beëindigen, voordat de looptijd is verstreken, kan dit aanzienlijke kosten met zich meebrengen. Een derivatentransactie is altijd gerelateerd aan een onderliggende waarde. De waarde van een derivatentransactie is dan ook afhankelijk van de fluctuaties in de prijs c.q. koers van die onderliggende waarde.
Indien een transactie vervroegd moet worden beëindigd, wordt gekeken of die transactie op dat moment een positieve, dan wel een negatieve waarde heeft (waardering tegen marktwaarde). In geval van een positieve waarde zal ABN AMRO deze met u verrekenen. Bij beëindiging van een transactie met een negatieve waarde dient u een bedrag aan ABN AMRO te betalen.

(…)

2.7.

Op 12 december 2006 heeft ABN AMRO aan Veka Best ook een brief verstrekt met betrekking tot het gebruik van rentederivaten. De brief vermeldt – voor zover relevant – het volgende:

(…)

Vaststelling van het risico

U heeft een financiering waarbij de rentevergoeding is gebaseerd op een variabele rente. Deze variabele rente zal zich gedurende de looptijd van de beoogde financiering aanpassen aan de

marktomstandigheden. Dit betekent dat de rente ook kan stijgen. U wenst de onderneming te beschermen tegen dat risico.

(...)

Mogelijkheid 1: Rente Swap

Het huidige tarief voor een Rente Swap op basis van bovenstaande modaliteiten bedraagt 4.16% voor een periode van 10 jaar. Let op, dit is exclusief de individuele kredietopslag als vermeld in de kredietovereenkomst. (0.95%)

(…)

Werking van de Rente Swap

Zoals uit het schema blijkt, loopt het Euribor uit de Rente Swap weg tegen het Euribor van de lening. Wat

overblijft is de vaste rente, vermeerderd met een kredietopslag (afhankelijk van Total Debt/EBITDA in uw situatie).

(…)

Wij maken u er verder op attent dat:

  • -

    voor het afsluiten van een Rente Swap geen premies of kosten worden berekend.

  • -

    bij vervroegd aflossen of tussentijds wijzigen van de onderliggende financiering, de rechten en/of plichten voortvloeiende uit de Rente Swap onverminderd van kracht blijven. Zo’n situatie moet u aan de bank melden. De Rente Swap wordt niet automatisch aangepast of beëindigd.

  • -

    de Rente Swap op uw verzoek voortijdig kan worden beëindigd door deze aan de bank te verkopen. In dat geval berekent de bank de waarde van de Rente Swap afhankelijk van de marktomstandigheden op het moment van verkoop. Een positieve waarde wordt door ABN AMRO uitgekeerd, een negatieve waarde wordt u in rekening gebracht.

2.8.

Als bijlage bij de in 2.7 genoemde brief heeft ABN AMRO aan Veka Best het Productinformatieblad Rente Swap gestuurd, met onder meer de volgende inhoud:

Belangrijke kenmerken

(...)

De koper kan een Rente Swap tussentijds beëindigen. Een positieve waarde wordt door ABN AMRO uitgekeerd, een negatieve waarde wordt in rekening gebracht. De waarde is afhankelijk van de marktomstandigheden op het moment van verkoop.

De marktwaarde van de met u overeengekomen Rente Swap kan zich gedurende de looptijd zowel positief als negatief ontwikkelen. Als gevolg hiervan kan door ABN AMRO een zekerheidsstelling worden verlangd.

Risico

Een Rente Swap is een OTC (over the counter) derivatentransactie. (...) Hoewel OTC derivatentransacties veelal worden afgesloten in combinatie met een financiering, valutapositie of andere transactie, is er geen direct verband. Bij voortijdige beëindiging of tussentijdse wijziging van de onderliggende transactie, blijven de rechten en/of plichten uit de Rente Swap onverminderd van kracht.

Indien de daadwerkelijke koersontwikkeling afwijkt van uw verwachting, bestaat – achteraf gezien – het risico dat de keuze voor een andere strategie een betere oplossing zou zijn geweest.

2.9.

Op 14 december 2006 is Veka Best telefonisch met ABN AMRO een renteswap aangegaan. In de transactiebevestiging van diezelfde datum is onder meer vermeld dat de ingangsdatum 1 februari 2007 is, de einddatum 1 februari 2017, de hoofdsom

€ 1.500.000,00 en de door Veka Best te betalen vaste rente 4,16%. De referentierente is de eenmaands Euribor.

2.10.

Op 29 september 2008 heeft Veka Best opnieuw een kredietovereenkomst met ABN AMRO gesloten. De kredietfaciliteit bedraagt in totaal € 3.750.000,00 bestaande uit een rekening-courantkrediet van € 2.250.000,00 en een 10-jarige Euribor-lening van

€ 1.500.000,00. De 10-jarige Euribor-lening bleef ongewijzigd en onder de reeds bestaande voorwaarden gehandhaafd.

2.11.

Op 12 mei 2010 hebben ABN AMRO, Veka Best en Sint Joris de ‘Treasury akte van contractsoverneming ex art. 6:159 BW’ ondertekend. Op grond hiervan heeft Veka Best haar hele rechtsverhouding onder de renteswap, waarvan de hoofdsom € 1.500.000,00 bedroeg, overgedragen aan Sint Joris, inclusief al haar rechten en verplichtingen uit hoofde van de renteswap.

2.12.

Op 1 februari 2017, na het verstrijken van de looptijd, is de renteswap beëindigd zonder dat Veka Best of Sint Joris een bedrag aan negatieve marktwaarde aan ABN AMRO heeft betaald.

3 Het geschil

3.1.

Swapschade vordert namens Sint Joris (nagenoeg letterlijk, inclusief nummering) dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad

a. verklaart voor recht dat ABN AMRO in strijd met de bepalingen van de Europese richtlijn 93/22/EEG en in strijd met de Europese richtlijn Mifid (I) en de Wft en/of in strijd met het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (Bgfo) en/of in strijd met de bepalingen uit het BW Boek 7, artikel 401 en/of in strijd met de Algemene Bank Voorwaarden artikel 2 en/of in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid heeft gehandeld en zodoende de op haar rustende algemene en/of bijzondere zorgplicht jegens Sint Joris heeft geschonden en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld dan wel zodanig heeft gehandeld dat zij toerekenbaar tekort is geschoten jegens Sint Joris;

primair:

a. door met Sint Joris geen capcontracten maar swapcontracten af te sluiten;

subsidiair:

b. door met Sint Joris swapcontracten af te sluiten;

meer subsidiair:

c. door Sint Joris niet te adviseren capcontracten te kopen;

nog meer subsidiair:

d. door Sint Joris onjuist en/of onvolledig te informeren over de eigenschappen van renteswaps en/of niet en/of niet voldoende te wijzen op de financiële risico’s en gevaren van een renteswap en/of het feit dat de swapcontracten een negatieve startwaarde hadden en/of Sint Joris niet te informeren over het bedrag waarmee het eigen vermogen en de liquiditeit van de onderneming van Sint Joris door het aangaan van de swapovereenkomst direct daalden en/of door Sint Joris niet te informeren over de eigenschappen en afwezigheid van risico van een rentecap en/of door Sint Joris renteopslagen in rekening te brengen;

zowel primair, subsidiair, meer subsidiair als nog meer subsidiair:

e. ABN AMRO te gelasten de door Sint Joris geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen en/of de toerekenbare tekortkoming te vergoeden, die inclusief wettelijke rente tot eind 2016, is bepaald op € 450.470,00;

dan wel bedragen als door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

f. ABN AMRO te gelasten aan Sint Joris te vergoeden de wettelijke rente over de door de rechtbank toe te wijzen schade vanaf 31 december 2016 dan wel vanaf een datum als door de rechtbank in goede justitie te bepalen;

g. ABN AMRO te gelasten tot vergoeding van de bij Sint Joris gevallen kosten van deze procedure, aan haar te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf meer bedoelde termijn voor voldoening, alsmede wegens nakosten tot een bedrag van € 131,00 dan wel, indien betekening plaatsvindt, van € 199,00.

3.2.

De rechtbank begrijpt het petitum van de dagvaarding aldus dat daar waar wordt gesproken over Sint Joris in voorkomend geval tevens haar rechtsvoorganger Veka Best wordt bedoeld.

3.3.

ABN AMRO voert verweer. ABN AMRO concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van Sint Joris althans afwijzing althans beperking of matiging van de vorderingen, onder veroordeling van Swapschade althans Sint Joris in de proceskosten inclusief nakosten, vermeerderd met wettelijke rente, uitvoerbaar bij voorraad.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan. Swapschade heeft namens Sint Joris stellingen ingenomen ter onderbouwing van de vorderingen. Kortheidshalve zal de rechtbank hierna bij de weergave van de stellingen Sint Joris gebruiken.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

ABN AMRO voert aan dat Sint Joris niet heeft voldaan aan de stelplicht omdat, kort samengevat, sprake is van slechts generieke, van de individuele omstandigheden geabstraheerde stellingen, die ook na daartoe door de rechtbank geboden gelegenheid niet zijn geconcretiseerd. Anders dan ABN AMRO stelt, leidt dit niet reeds tot afwijzing van de vorderingen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de dagvaarding op zich de eis en de gronden van de eis bevat, en dat hierop vervolgens een nadere toelichting is gekomen bij de akte houdende uitlating over individuele omstandigheden en tijdens de mondelinge behandeling. Hoewel inderdaad in deze zaak veel algemene stellingen zijn ingenomen, betekent dat nog niet dat reeds daarom de vorderingen dienen te worden afgewezen. Wel speelt de mate van substantiëring van ingenomen stellingen (vanzelfsprekend) een rol bij de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vorderingen.

Schending zorgplicht

4.2.

Hierna wordt onderzocht of ABN AMRO jegens Veka Best een zorgplicht heeft geschonden.

4.3.

De stellingen van Sint Joris komen er in de kern op neer dat de renteswap een “negatieve startwaarde” heeft, dat die negatieve waarde groter kan worden en ongewenste gevolgen heeft of kan hebben (waaronder de mogelijkheid van margin calls of het opeisen van zekerheden) en dat de renteswap daarom een ongeschikt product is, in tegenstelling tot de rentecap. Volgens Sint Joris heeft ABN AMRO in strijd met de op haar rustende zorgplicht gehandeld door:

 Veka Best geen rentecap te adviseren althans Veka Best hierover niet (voldoende) te informeren,

 renteswaps af te sluiten zonder Veka Best deugdelijk te informeren over en te waarschuwen voor de eigenschappen en de risico’s verbonden aan de renteswaps in samenhang met de toepasselijke voorwaarden, en

 Veka Best ondeugdelijk te adviseren door onvoldoende informatie over haar in te winnen, die informatie niet (voldoende) te beoordelen en geen beleggingsadvies te geven afgestemd op haar situatie.

Tevens voert Sint Joris aan dat ABN AMRO in strijd met de publiekrechtelijke zorgplicht uit hoofde van onder meer de Wft, MiFID en het Bgfo heeft gehandeld door – samengevat – geen gegevens te verstrekken en geen onderzoek naar Veka Best te verrichten. Sint Joris stelt – onder verwijzing naar een rapport van Hermes Advisory – dat zij hierdoor renteschade heeft geleden, waarbij zij een vergelijking maakt met de situatie dat zij een rentecap zou hebben afgesloten. De schade bedraagt € 450.470,00 (exclusief wettelijke rente), aldus Sint Joris.

4.4.

ABN AMRO betwist dat zij haar zorgplicht heeft geschonden. Zij voert onder meer aan dat voldoende informatie over Veka Best is ingewonnen en voldoende informatie aan haar is verstrekt en dat rekening is gehouden met de belangen van Veka Best, waarbij is gewaarschuwd voor de relevante risico’s. Op basis van de verstrekte informatie kon Veka Best een voldoende geïnformeerde beslissing nemen over het al dan niet aangaan van de renteswap. ABN AMRO betwist daarnaast onder meer de geleden schade.

Zorgplicht uitgangspunten

4.5.

Met betrekking tot de aan de vorderingen ten grondslag gelegde schending van de zorgplicht gelden de volgende uitgangspunten. De maatschappelijke functie van een bank brengt een (bijzondere) zorgplicht met zich. Die zorgplicht geldt zowel jegens cliënten van een bank uit hoofde van de met hen bestaande contractuele verhouding, als jegens derden met de belangen van wie de bank rekening behoort te houden op grond van hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. De zorgplicht kan onder omstandigheden mede strekken ter bescherming van de cliënt tegen het gevaar van een gebrek aan kunde en inzicht of van eigen lichtvaardigheid. De reikwijdte van de zorgplicht hangt af van de omstandigheden van het geval, waaronder bijvoorbeeld de aard van de relatie tussen partijen, de achtergrond van partijen en de aard van het product.

4.6.

Deze zorgplicht moet worden gekwalificeerd als een op de bank rustende, uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid voortvloeiende verplichting. Een tekortschieten in deze privaatrechtelijke zorgplicht in de precontractuele fase leidt tot aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad voor de schade die de cliënt lijdt indien aan de vereisten van toerekenbaarheid en causaal verband is voldaan. Indien sprake is van een zorgplichtschending in de contractuele fase, kan sprake zijn van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Partijen verschillen van mening of sprake is van een uit de precontractuele of contractuele relatie voortvloeiende zorgplicht. Dit maakt voor de beoordeling in deze zaak geen verschil. Het standpunt van ABN AMRO dat Swapschade geen vorderingsrecht heeft omdat een buitencontractuele vordering niet onder de akte van contractsoverneming van Veka Best op Sint Joris is overgegaan, hoeft geen bespreking. Veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de vordering wel is overgegaan, is de vordering om andere redenen namelijk niet toewijsbaar. Dit zal hierna worden toegelicht.

Renteswap ongeschikt product?

4.7.

Veka Best heeft in 2006 een financiering afgesloten ten behoeve van de aankoop van onroerend goed in het buitenland. De (indirect) bestuurder van Veka Best (tevens van Sint Joris) heeft ter zitting toegelicht dat de lening weliswaar op naam van Veka Best was afgesloten, maar dat de aankoop van het onroerend goed voor privédoeleinden plaatsvond. Sint Joris heeft over het afsluiten van de renteswap gesteld dat Veka Best afdekking van het opwaartse renterisico beoogde. Een renteswap kan op zichzelf een geschikt instrument zijn om renterisico’s af te dekken, waaronder het risico van een opwaartse renteontwikkeling. Met een renteswap wordt immers het risico op stijgingen van de variabele Euribor afgedekt door deze rente te ruilen met een vaste rente. Dat er ook andere producten bestaan waarmee dit doel kan worden bereikt, doet daaraan niet af. Anders dan Sint Joris bepleit, brengt de zorgplicht niet mee dat de bank een product moet adviseren dat risicoloos is. Evenmin is een product met risico’s zonder meer een ongeschikt product.

4.8.

Niet gesteld of gebleken is dat het doel van de onderhavige financiering bij het afsluiten van de renteswap reeds een aanwijzing vormde dat de renteswap in de gegeven omstandigheden een ongeschikt product zou kunnen zijn. De omstandigheid dat door het afsluiten van de renteswap een contractuele verhouding zowel uit hoofde van de renteswap als uit hoofde van de kredietovereenkomst bestaat met daaraan verschillende verbonden voorwaarden betekent als zodanig evenmin dat sprake is van een ongeschikt product. Ook de omstandigheid dat een renteswap volgens Sint Joris al bij de start een negatieve waarde heeft, leidt (voor zover juist) niet tot de conclusie dat de renteswap een ongeschikt product is. Sint Joris stelt weliswaar in algemene zin dat deze negatieve waarde bij aanvang allerlei gevolgen zou hebben, maar zowel het bestaan als de realisatie van de in dit verband door Sint Joris gestelde risico’s zijn door ABN AMRO betwist en door Sint Joris niet onderbouwd.

Voldoende informatie verstrekt?

4.9.

Bij de invulling van de zorgplicht is van belang dat Veka Best een onderneming is zonder eerdere ervaring met of specifieke kennis over rentederivaten. Zij is evenmin bijgestaan door een externe adviseur. Dienaangaande kan bij Veka Best dus geen grote deskundigheid worden aangenomen. Uit hoofde van de zorgplicht mag in deze zaak daarom worden verwacht dat ABN AMRO Veka Best bij het doen van een voorstel tot het afsluiten van een renteswap informeert over de kenmerken van dit product. In het kader van de te verstrekken voorlichting mag van ABN AMRO worden gevergd dat zij Veka Best informeert over de mogelijkheid van een negatieve waarde bij tussentijdse beëindiging, hetgeen immers een relevant risico van het product betreft.

4.10.

De rechtbank stelt voorop dat zij ervan uitgaat dat een treasury adviseur van ABN AMRO op 2 februari 2006 en op 12 december 2006, beide keren in aanwezigheid van de relatiemanager de heer H. Jansen (hierna: Jansen), een presentatie heeft gehouden voor Veka Best over rentemanagement en rente-instrumenten en dat de daarbij behorende sheets ook aan Veka Best zijn overhandigd. De rechtbank komt tot deze vaststelling op grond van de concrete verklaring van Jansen ter zitting en de presentaties die zich bij de stukken bevinden (zie 2.4). Weliswaar heeft de (indirect) bestuurder van Veka Best ter zitting verklaard dat ABN AMRO geen presentatie heeft gegeven en dat hij zich niet kan herinneren dat hij de (hem ter zitting door zijn advocaat pas voor het eerst getoonde) sheets eerder had gezien, maar deze blote betwisting volstaat in dit geval niet.

4.11.

In de door ABN AMRO aan Veka Best voorafgaand aan het afsluiten van de renteswap verstrekte documentatie, waaronder begrepen de (sheets van de) presentatie, is de werking van een renteswap voldoende duidelijk – zowel schematisch als in tekst – toegelicht. Verder is concreet toegelicht dat een renteswap een negatieve waarde kan ontwikkelen die aan de bank moet worden betaald als de renteswap tussentijds wordt beëindigd, bijvoorbeeld vanwege het aflossen van de onderliggende lening (zie 2.4 - 2.8).

4.12.

De stelling dat Veka Best – in weerwil van deze documentatie – niet heeft begrepen dat zij de renteswap niet kosteloos tussentijds zou kunnen beëindigen, is niet onderbouwd en ook niet in lijn met het handelen van Veka Best. Mocht zij daadwerkelijk die veronderstelling hebben gehad, had het, zoals ABN AMRO betoogt, voor de hand gelegen dat zij direct na daling van de Euribor tot beëindiging zou zijn overgegaan. Dat is echter niet gebeurd.

4.13.

Voor zover met de stelling van Sint Joris dat Veka Best niet is geïnformeerd over een negatieve startwaarde mede is bedoeld dat ABN AMRO haar had moeten meedelen dat zij een bepaalde marge op het swaptarief hanteerde, wordt overwogen dat het een feit van algemene bekendheid is dat banken beogen inkomsten te behalen uit financiële transacties en daartoe een zekere marge zullen hanteren. Omstandigheden waaruit blijkt dat ABN AMRO in dit geval een ander beeld zou hebben gewekt, zijn onvoldoende gesteld of gebleken.

4.14.

Bij de verstrekte documentatie is, anders dan Sint Joris stelt, wel degelijk ook informatie over een rentecap verstrekt. Dat blijkt uit de presentaties, waarin onder meer ook de rentecap is toegelicht. Anders dan Sint Joris bepleit, betekent de omstandigheid dat hier niets is vermeld over de veiligheid van een rentecap niet dat ABN AMRO niet aan haar zorgplicht heeft voldaan.

4.15.

Sint Joris voert ook aan dat Veka Best niet is geïnformeerd over de mogelijkheid van marginverplichtingen en het stellen van aanvullende zekerheid. ABN AMRO brengt hiertegen in dat er geen aanvullende zekerheid is verlangd en voorts dat een renteswap met als doel afdekking van het renterisico niet valt onder het bepaalde in artikel 86 Bgfo. Wat hiervan ook zij, in deze zaak is niet gesteld of gebleken dat aanvullende zekerheid is geëist. Dat betekent dat voor zover op dit punt een informatieverplichting is geschonden, dit niet tot schade heeft geleid.

4.16.

Sint Joris stelt verder nog dat ABN AMRO ten onrechte geen onderzoek naar Veka Best heeft verricht en bijvoorbeeld geen cliëntenclassificatie of -profiel van haar heeft opgesteld. De enkele omstandigheid dat eventueel in strijd met bepaalde toezichtrechtelijke bepalingen is gehandeld, brengt niet automatisch een schending van de zorgplicht mee, hetgeen immers een weging van alle omstandigheden vergt. Sint Joris wijst in algemene zin op allerlei toezichtrechtelijke verplichtingen, maar stelt niet dat ABN AMRO daarmee meer of andere relevante gegevens over Veka Best zou hebben verkregen.

Opslag

4.17.

In het petitum van de dagvaarding staat dat ABN AMRO nog meer subsidiair in strijd met de zorgplicht en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld dan wel is tekortgeschoten door Veka Best renteopslagen in rekening te brengen (zie hiervoor onder 3.1 onder d). Hierover is in de dagvaarding, in de aanvullende akte noch tijdens de mondelinge behandeling enige op deze zaak toegespitste stelling ingenomen. Dat en op welke wijze opslagen in rekening zijn gebracht, en wat zou maken dat dit in deze zaak ontoelaatbaar is, is dus niet toegelicht. Ook in de toelichting van het schadebedrag in de dagvaarding en de akte komt dit niet terug. Daarmee heeft Sint Joris niet aan haar stelplicht voldaan. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft Swapschade verzocht om op het onderwerp van de (verhoging van de) renteopslag een akte te mogen nemen. De rechtbank wijst het verzoek af, omdat Sint Joris volop gelegenheid heeft gehad om in de stukken en ter zitting haar standpunt naar voren te brengen, maar zij die gelegenheid onbenut heeft gelaten.

4.18.

Bij deze stand van zaken heeft Sint Joris onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan kan worden geconcludeerd dat ABN AMRO op dit punt haar zorgplicht heeft veronachtzaamd.

Conclusie zorgplicht

4.19.

De conclusie van het voorgaande is dat in de gegeven omstandigheden een schending van de zorgplicht niet kan worden vastgesteld. Hetgeen op dit punt overigens nog is aangevoerd, kan daaraan niet afdoen.

Slotsom en proceskosten

4.20.

Het voorgaande betekent dat de vorderingen van Sint Joris niet toewijsbaar zijn. Hetgeen overigens nog is aangevoerd, hoeft daarom niet meer te worden besproken.

4.21.

Sint Joris zal als de in het ongelijk gestelde (materiële proces)partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van ABN AMRO worden begroot op

salaris advocaat € 8.035,00 (2,5 punten × tarief € 3.214,00)

griffierecht € 4.030,00

Totaal € 12.065,00

4.22.

Daarnaast zal Sint Joris worden veroordeeld in de nakosten voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De door ABN AMRO over de proces- en nakosten gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar op de wijze zoals in de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt Sint Joris in de proceskosten, aan de zijde van ABN AMRO tot op heden begroot op € 12.065,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertien dagen na de datum van dit vonnis,

5.3.

veroordeelt Sint Joris in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Sint Joris niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

5.4.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. Bongers-Scheijde, mr. J.W. Bockwinkel en mr. C. Bakker en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2021.