Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2572

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
17-06-2021
Zaaknummer
C/13/701665 / KG ZA 21-367
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

KG Conservatoir beslag gelegd door Gazprombank ten laste van DTEK. Vordering tot opheffing beslag toegewezen. Gazprombank beschikt namelijk al over voldoende zekerheid, te weten een cash deposit gestort bij de rechtbank te Cyprus.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/701665 / KG ZA 21-367 MDvH/MV

Vonnis in kort geding van 12 mei 2021

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DTEK B.V.,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DTEK ENERGY B.V.,

beide gevestigd te Amsterdam,

eiseressen bij dagvaarding van 7 mei 2021,

advocaten mr. B.F.H. Rumora-Scheltema en mr. B.W. Wijnstekers te Amsterdam,

tegen

de vennootschap naar vreemd recht

GAZPROMBANK (SWITZERLAND) LTD,

gevestigd te Zürich (Zwitserland),

gedaagde,

advocaten mr. D. Knottenbelt en mr. J.L. Angelier te Rotterdam.

Eiseressen zullen hierna ook DBV en DEBV worden genoemd. Gedaagde zal hierna ook GPB worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 12 mei 2021 hebben DBV en DEBV de dagvaarding toegelicht. GPB heeft verweer gevoerd.
Beide partijen hebben producties en een pleitnota in het geding gebracht.

1.2.

Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig:

aan de zijde van DBV en DEBV: mr. Rumora-Scheltema, mr. B.W. Wijnstekers en mr. T. B. de Clerck;

aan de zijde van GPB: mr. Knottenbelt en mr. Angelier.
Een aantal personen heeft de mondelinge behandeling via een videoverbinding kunnen volgen. Voor zover deze personen de Nederlandse taal niet machtig zijn, zijn zij bijgestaan door twee tolken Nederlands-Engels.

1.3.

In verband met de spoedeisendheid van de zaak is op 12 mei 2021 een zogenoemd kopstaartvonnis gewezen. Het onderstaande vormt hiervan de uitwerking die op 21 mei 2021 aan partijen is afgegeven.

2 De feiten

2.1.

DBV en DEBV maken onderdeel uit van de DTEK-groep, die voornamelijk actief is in Oekraïne. De aandelen in DBV en DEBV worden (indirect) gehouden door System Capital Management (SCM), een vennootschap naar het recht van Cyprus. Uiteindelijk belanghebbende van de DTEK-groep is Rinat Akhmetov.

2.2.

GPB is de Zwitserse dochtervennootschap van de Russische Gazprombank.

2.3.

Op basis van een gewijzigde kredietovereenkomst van 18 november 2019 heeft GPB een krediet verstrekt van CHF 20.316.962,66 aan DTEK Holdings Ltd. (DTEK Holdings), waarbij andere vennootschappen van de DTEK-groep als borg en garantsteller optreden. DEBV (in de overeenkomst aangeduid als Parent Guarantor) is hoofdelijk aansprakelijk voor de schuld. DBV is geen schuldenaar/borg onder de kredietovereenkomst.

2.4.

Op de kredietovereenkomst is Engels recht van toepassing. Geschillen worden beslecht door middel van arbitrage voor een scheidsgerecht in Singapore, overeenkomstig de arbitrageregels van het Internationaal Arbitragecentrum in Singapore.

2.5.

Bij e-mail van 27 maart 2020 heeft de DTEK-groep aan GPB bericht dat zij in financiële problemen verkeerde en bezig was met het opstellen van een voorstel tot herstructurering van haar schulden. Op 29 juni 2020 voldeed DTEK Holdings niet aan haar renteverplichtingen, waardoor zich een event of default (opeisingsgrond) voordeed als bedoeld in artikel 17.1 van de kredietovereenkomst.

2.6.

Bij brief van 31 december 2020 heeft GPB (op grond van artikel 17.2 van de kredietovereenkomst) de gehele schuld (op dat moment inclusief rente en boeterente CHF 21.569.842,03) vervroegd opgeëist. Bij brief van 4 februari 2021 heeft GPB de verschillende garantstellers en borgen, waaronder DEBV, aangesproken tot betaling van de schuld. Bij brief van 17 maart 2021 heeft GPB DEBV gesommeerd de schuld te betalen, dan wel ervoor zorg tedragen dat andere garantstellers of borgen dit doen.

2.7.

Op 8 april 2021 heeft GPB bij de rechter te Cyprus een zogenoemde Freezing Order verkregen, die is gericht tegen enkele vennootschappen van de DTEK-groep, waaronder DEBV. De Freezing Order is verleend met betrekking tot de arbitrageprocedure die GPB diezelfde dag met een Notice of Arbitration aanhangig heeft gemaakt bij het Internationaal Arbitragecentrum in Singapore. De Freezing Order houdt – kort gezegd – een verbod in aan onder meer DEBV om bepaalde handelingen te verrichten die ertoe zouden kunnen leiden dat de waarde van de vermogensbestanddelen van de partijen waartegen de Freezing Order is gericht afneemt tot minder dan CHF 26.853.622. De Freezing Order vervalt indien dit bedrag in depot wordt gestort bij de rechtbank te Cyprus.

2.8.

Op 9 april 2021 heeft GPB bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek ingediend tot het leggen van conservatoir beslag ten laste van DBV en DEBV. Zij heeft haar vordering begroot op € 22.519.363,18 (inclusief rente en kosten). In het beslagrekest is opgenomen dat GPB op 8 april 2021 een Notice of Arbitration heeft ingediend bij het Internationaal Arbitragecentrum in Singapore. Die procedure heeft in het kader van het beslag te gelden als eis in de hoofdzaak, aldus het beslagrekest.

2.9.

In het beslagrekest is opgenomen dat GPB een vordering (hierna: de Vordering) heeft op verschillende vennootschappen van de DTEK-groep, te weten:
a. een vordering op DEBV uit hoofde van de garantstelling;
b. een vordering op DBV uit hoofde van een onrechtmatige daad naar Engels recht wegens het aanzetten tot wanpresteren van de kredietnemer, de garantstellers en de borgen;
c. een vordering op DBV uit hoofde van een onrechtmatige daad naar Engels recht wegens het aanzetten van DEBV tot wanprestatie.

2.10.

In het beslagrekest is verzocht beslag te leggen op alle aandelen die DBV houdt in DEBV en op alle aandelen die DEBV houdt in DTEK Power B.V. Ook is verzocht derdenbeslag te leggen onder DTEK Oil & Gas B.V. op alle bedragen die deze vennootschap aan DEBV verschuldigd is. Tot slot is verzocht derdenbeslag te leggen onder een vijftal banken.

2.11.

Onder 9.1 van het beslagrekest is het volgende opgenomen:
“GPB Switzerland heeft daarnaast een verzoek ingediend bij de rechter op Cyprus voor verlof tot het leggen van beslag op de aandelen van DTEK Holdings, DTEK Trading Limited (een garantsteller onder de Gewijzigde Kredietovereenkomst), en DTEK Energy.”

2.12.

Op 12 april 2021 heeft de voorzieningenrechter het gevraagde verlof verleend. De Vordering is hierbij begroot op € 22.519.000,- (inclusief rente en kosten). De beslagen zijn gelegd op 12 en 13 april 2021 en op 19 april 2021 aan DBV en DEBV overbetekend.

2.13.

Op 20 april 2021 heeft GPB bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend tot het leggen van aanvullend conservatoir beslag ten laste van DBV en DEBV. In dit beslagrekest is – kort gezegd – opgenomen dat GPB op 13 april 2021 beslag heeft laten leggen op de aandelen die DBV houdt in DEBV, dat toen bleek dat één dag eerder de aandelen van DEBV zijn verhangen naar DTEK Energy Holdings B.V., een op diezelfde dag nieuw opgerichte vennootschap waarin DBV alle aandelen houdt. DTEK Energy Holdings B.V. houdt op haar beurt alle aandelen in DEBV. Verder wordt in het beslagrekest – kort gezegd – verlof gevraagd derdenbeslag te leggen onder een andere groepsvennootschap, te weten NGD Holdings B.V., op alle bedragen die deze vennootschap verschuldigd is aan DEBV. In het beslagrekest is verwezen naar de gronden zoals genoemd in het eerdere beslagrekest van 9 april 2021 (zie 2.8).
2.14. Op 21 april 2021 heeft de voorzieningenrechter het gevraagde (aanvullende) verlof verleend. Diezelfde dag zijn de beslagen gelegd.

2.15.

Op 5 mei 2021 is namens DBV en DEBV een bedrag van CHF 26.853.622,- in depot gestort bij de rechtbank te Cyprus (hierna: de cash deposit). Op 6 mei 2021 heeft de Cypriotische advocaat van de desbetreffende vennootschappen van de DTEK-groep aan de rechtbank te Cyprus en aan de Nederlandse advocaten van de DTEK-groep bevestigd dat de cash deposit zal blijven staan totdat in de arbitrageprocedure in Singapore is beslist.

2.16.

Op 10 mei 2021 heeft een overleg plaatsgevonden tussen de Cypriotische advocaten van partijen en de rechter te Cyprus. Hierin zijn afspraken gemaakt over de voorwaarden waaronder de cash deposit aan GPB kan worden uitbetaald. Deze afspraken zijn vastgelegd in minutes (een ‘proces-verbaal’).

3 Het geschil

3.1.

DBV en DEBV vorderen het volgende:
a. opheffing van de Nederlandse beslagen (als omschreven in paragraaf 2.5 van de dagvaarding);
b. GPB te gebieden bij enig toekomstig verzoek tot het doen leggen van conservatoire beslagen op de goederen van DBV en DEBV gelegen in Nederland of daarbuiten ter meerdere zekerheid voor de voldoening van de Vordering of voor andere vorderingen, dit vonnis als productie over te leggen en daarop nadrukkelijk te wijzen in het verzoekschrift, op straffe van een dwangsom van € 1.000.000,- voor iedere overtreding van dit gebod, te vermeerderen met een dwangsom van

€ 1.000.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat deze overtreding voortduurt;
c. GPB te gebieden medewerking te verlenen aan de administratieve opheffing van de Nederlandse beslagen door het onmiddellijk, doch uiterlijk twee dagen na het wijzen van dit vonnis, informeren van de derden waaronder conservatoir is gelegd en/of (het verrichten van) iedere handeling die dienstig of nodig is om de Nederlandse beslagen ook administratief op te heffen, op straffe van een dwangsom van € 1.000.000,- voor iedere niet-nakoming van dit gebod, te vermeerderen met een dwangsom van € 1.000.000,- voor iedere dag of gedeelte van een dag dat deze niet-nakoming voortduurt;
d. GPB te veroordelen in de werkelijke kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente;
e. GPB te veroordelen in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.2.

DBV en DEBV stellen hiertoe – samengevat weergegeven – het volgende. Op 27 maart 2020 heeft de DTEK-groep haar schuldeisers, waaronder GPB, geïnformeerd over het plan haar schulden te herstructureren. De herstructurering wordt door meer dan 95% van de banken en voor meer dan 75% van de noteholders gesteund (berekend naar de omvang van hun vorderingen). De herstructurering, die niet alleen in het belang is van de DTEK-groep, maar ook in het belang van alle schuldeisers, wordt tot stand gebracht door middel van twee Schemes of Arrangement naar Engels recht. Op 13 mei 2021 vindt een zitting plaats bij de bevoegde Engelse rechter die de geldigheid van de herstructurering zal beoordelen. Indien goedkeuring wordt gegeven, dan vindt de herstructurering plaats op 17 mei 2021. Indien de herstructurering niet op die datum plaatsvindt, zal de DTEK-groep worden geconfronteerd met ten minste USD 12 miljoen aan extra rentelasten. Op 31 december 2020, toen de onderhandelingen over de op handen zijnde herstructurering in volle gang waren, eiste GPB plotseling haar schuld op (zie 2.6). DEBV gaf hieraan geen gehoor omdat GPB heel goed wist dat voldoening van de schuld zou plaatsvinden na afloop van de herstructurering. DBV bestrijdt daarnaast dat zij GPB op basis van een onrechtmatige daad naar Engels recht (het aanzetten van andere vennootschappen van de DTEK-groep tot wanprestatie) enig bedrag verschuldigd is. DBV en DEBV zullen voor het bevoegde forum verweer voeren. In dit kort geding gaan zij niet verder in op dit verweer omdat zij de summierlijke (on)deugdelijkheid van de vorderingen van GPB niet ten grondslag leggen aan hun vordering tot opheffing van de beslagen.

3.3.

DBV en DEBV voeren verder aan dat de conservatoire beslagen die in Nederland zijn gelegd, eraan in de weg staan dat de Engelse rechter op 13 mei 2021 zijn goedkeuring zal geven aan de herstructurering. GPB is de enige schuldeiser die haar vordering probeert veilig te stellen en daarmee een spaak in het wiel steekt van de herstructurering. DBV en DEBV hebben om die reden een groot belang bij onmiddellijke opheffing van die beslagen. Een grond hiervoor is dat GPB met de cash deposit voldoende zekerheid heeft voor haar vordering die zij heeft ingesteld in de arbitrageprocedure. Sterker nog, de cash deposit biedt meer dan voldoende verhaal indien die vordering wordt toegewezen, terwijl onzeker is of de in Nederland beslagen activa wel voldoende zullen opbrengen. Daar komt bij dat het uitwinnen van een beslag op aandelen een langdurig traject is. Een tweede grond voor opheffing van de beslagen is erin gelegen dat GPB in de twee beslagrekesten de waarheidsplicht van artikel 21 Rv heeft geschonden. GPB heeft ten onrechte geen volledige openheid van zaken gegeven over de door de rechter te Cyprus afgegeven Freezing Order. Indien zij dit wel had gedaan, dan was het verlof niet verleend omdat dan duidelijk was geweest dat GPB al beschikte over voldoende zekerheid.
3.4. Tot slot voeren DBV en DEBV aan dat GPB moet worden veroordeeld in de werkelijke proceskosten. GPB heeft de beslagen gelegd om haar bezwaren tegen de Schemes of Arrangement kracht bij te zetten. Toen eenmaal voldoende zekerheid was gesteld in de vorm van de cash deposit, had GPB de beslagen onmiddellijk moeten opheffen. Door dit na te laten heeft zij DBV en DEBV gedwongen tot nodeloze proceshandelingen in de vorm van dit kort geding. DBV en DEBV hebben een specificatie in het geding gebracht waarin is opgenomen dat ten behoeve van dit kort geding voor de Nederlandse en Cypriotische advocaten in totaal € 63.393,37 aan kosten is gemaakt en door de Engelse advocaten USD 45.000,-.

3.5.

GPB heeft – samengevat weergegeven – het verweer gevoerd dat haar vordering uit hoofde van de gewijzigde kredietovereenkomst onbetwist is. Omdat simpelweg niet wordt betaald, heeft GPB in Nederland beslagen gelegd en in Cyprus een Freezing Order verkregen. De cash deposit, die op de Freezing Order is gevolgd, kwalificeert niet als vervangende zekerheid in de zin van artikel 705 lid 2 Rv. Vervangende zekerheid moet zodanig zijn, dat de schuldeiser daarop zonder moeite verhaal zal kunnen nemen. Dit is hier niet het geval. Onduidelijk is immers of de rechtbank te Cyprus op eerste verzoek van GPB zal uitbetalen. Verhaal zal verder niet zonder moeite zijn omdat de door de Engelse rechter te verlenen goedkeuring van de herstructurering met zich meebrengt dat de verplichtingen onder de kredietovereenkomst zullen worden aangepast, waarbij ook de arbitragebepaling in de kredietovereenkomst teniet zal gaan. De vraag is of de door de Engelse rechter te verlenen goedkeuring ook buiten het Verenigd Koninkrijk wordt erkend. Volgens DEBV (die over dit onderwerp in de Engelse procedure een opinie in het geding heeft gebracht) zal die goedkeuring worden erkend in de EU-lidstaten. Erkenning in Cyprus zal ingrijpende gevolgen hebben voor de mogelijkheid van GPB om zich te verhalen op de cash deposit. DEBV stelt zich immers in de arbitrageprocedure op het standpunt dat de vordering van GPB als gevolg van de herstructurering is komen te vervallen. Mocht desalniettemin de vordering van GPB in een arbitraal vonnis worden toegewezen, dan zal DBEV zich bij de tenuitvoerlegging van dit vonnis in Cyprus op het standpunt stellen dat de vordering van GPB toch is vervallen als gevolg van de erkenning in Cyprus van de Engelse goedkeuring van de herstructurering. Het verhaal door GPB wordt dan niet alleen ernstig vertraagd, maar zal ook veel moeilijker zijn.

3.6.

Verder voert GPB aan dat de vordering tegen DBV uit hoofde van een onrechtmatige daad niet is gedekt door de Freezing Order en de cash deposit. DBV is geen partij in de procedure in Cyprus. De cash deposit kwalificeert dus ten aanzien van DBV hoe dan ook niet als vervangende zekerheid.

3.7.

GPB is van mening dat een afweging van belangen in haar voordeel dient uit te vallen. Het beslag is niet enkel gelegd om de herstructurering te frustreren. GPB heeft goede redenen om niet met die herstructurering akkoord te gaan. Zo moet zij drie jaar langer wachten op terugbetaling van het krediet en genoegen nemen met een lagere rente. Andere banken, die veel meer te vorderen hebben dan GPB, zijn wel buiten de herstructurering gebleven. Ook omdat de bankbeslagen geen doel hebben getroffen heeft GPB een groot belang bij handhaving van de overige in Nederland gelegde beslagen.

3.8.

Tot slot bestrijdt GPB aan dat sprake is van schending van artikel 21 Rv en dat aanleiding bestaat tot een veroordeling in de volledige proceskosten.

4 De beoordeling

4.1.

DBV en DEBV hebben aan hun vordering tot opheffing van de beslagen niet ten grondslag gelegd dat de Vordering van GPB summierlijk (on)deugdelijk is als bedoeld in artikel 705 lid 2 Rv. Zij hebben zich het recht voorbehouden tegen die vordering verweer te voeren bij het bevoegde forum. Uitgangspunt in dit kort geding is dan ook dat de Vordering summierlijk deugdelijk is.

4.2.

Artikel 705 lid 2 Rv bepaalt verder dat de opheffing van een beslag dat is gelegd voor een geldvordering wordt uitgesproken indien voor die vordering voldoende zekerheid wordt gesteld. Volgens DBV en DEBV dient de cash deposit (zie 2.15) als voldoende zekerheid te worden aangemerkt. Van ‘voldoende zekerheid’ is sprake indien de vordering met rente en kosten behoorlijk is gedekt èn indien de schuldeiser zich daarop zonder moeite zal kunnen verhalen. Aan de eerste voorwaarde is voldaan. De voorzieningenrechter heeft de vordering waarvoor het beslagverlof is verleend (inclusief rente en kosten) begroot op € 22.519.000,-. De cash deposit behelst een bedrag van CHF 26.853.622,-. DBV en DEBV hebben onweersproken gesteld dat dit laatste bedrag omgerekend in euro’s
€ 24.497.427,25 bedraagt, dus bijna twee miljoen euro meer dan het bedrag waarvoor het beslagverlof is verleend.

4.3.

Ten aanzien van de tweede voorwaarde, dat de schuldeiser zich zonder moeite op de vervangende zekerheid moet kunnen verhalen, wordt het volgende overwogen. DBV en DEBV hebben gewezen op twee e-mails van de Cypriotische advocaat van de desbetreffende vennootschappen van de DTEK-groep van 6 mei 2021 aan de rechtbank te Cyprus en aan de Nederlandse advocaten van de DTEK-groep waarin is bevestigd dat de cash deposit zal blijven staan totdat in de arbitrageprocedure is beslist (zie 2.15). Ook hebben DBV en DEBV gewezen op de minutes (‘proces-verbaal’) van een overleg van 10 mei 2021 tussen de Cypriotische advocaten van partijen en de rechter te Cyprus waarin afspraken ten aanzien van de cash deposit zijn neergelegd (zie 2.16). Hieruit volgt voldoende duidelijk welk traject zal moeten worden doorlopen om tot uitkering van de cash deposit aan GPB te komen: de cash deposit blijft staan totdat in de arbitrageprocedure een vonnis is gewezen, dit vonnis is erkend in Cyprus en voor dit vonnis verlof voor tenuitvoerlegging in Cyprus is verkregen. GPB heeft zich verbonden binnen drie maanden in Cyprus de exequaturprocedure te starten. Tegen deze achtergrond heeft GPB haar stelling dat de voorwaarden waaronder de rechtbank te Cyprus de cash deposit aan haar uitbetaalt niet duidelijk zijn en/of dat de rechtbank te Cyprus niet ‘op eerste verzoek’ zal uitbetalen, onvoldoende onderbouwd.

4.4.

GPB heeft vervolgens het verweer gevoerd dat erkenning van de beslissing van de Engelse rechter in Cyprus ertoe kan leiden dat haar verhaal op de cash deposit ernstig zal worden vertraagd en bemoeilijkt (zie onder 3.5). Het bezwaar van GPB dat een arbitraal vonnis waarin zij haar vordering mogelijk krijgt toegekend in Cyprus niet wordt erkend als gevolg van de erkenning in Cyprus van de Engelse goedkeuring van de herstructurering, ziet niet op de kwaliteit van de zekerheid die de cash deposit biedt, maar op het traject dat moet worden gevolgd alvorens GPB zich daadwerkelijk kan verhalen op de cash deposit. Voorshands kan niet worden ingezien dat dit bij een erkenning in Nederland van het arbitrale vonnis anders zou zijn. Ter toelichting dient het volgende. Zowel Cyprus als Nederland zijn partij bij het Verdrag van New York, zodat in de exequaturprocedure in beide landen hetzelfde toetsingskader van toepassing is. GPB stelt dat zij het risico loopt dat een toewijzend arbitraal vonnis mogelijk in Cyprus niet wordt erkend. GPB kan in Singapore (alleen) een toewijzend arbitraal vonnis krijgen als – kort gezegd – de arbiters de Engelse Schemes of Arrangement niet erkennen. De rechter in Cyprus zou kunnen oordelen dat die beslissing in strijd is met de openbare orde, omdat hij van oordeel is dat de Schemes of Arrangement wel behoren te worden erkend. In Nederland loopt GPB echter ditzelfde risico, indien zij zich wenst te verhalen op de in Nederland beslagen activa. Of dit risico in Cyprus mogelijk groter is dan in Nederland, heeft GPB ter zitting niet duidelijk kunnen maken, ook niet nadat de voorzieningenrechter hiernaar expliciet heeft gevraagd. Hieraan kan dan ook geen argument worden ontleend om de Nederlandse beslagen dan maar niet op te heffen.

4.5.

Daar komt bij dat ook een afweging van belangen in het nadeel van GPB uitvalt. GPB heeft op twee paarden gewed door twee keer zekerheid te verlangen voor één en dezelfde vordering. Van DEBV kan niet worden verlangd dat zij na het stellen van de cash deposit in Cyprus ook nog in Nederland voor dezelfde vordering een verglijkbare zekerheid stelt (bijvoorbeeld in de vorm van een bankgarantie). Het Nederlandse beslag mag GPB niet als een spaak in het wiel van de herstructurering steken; daarvoor is een beslag niet bedoeld. GPB dient haar bezwaren tegen de herstructurering naar voren te brengen in de procedure in Engeland en in de arbitrageprocedure in Singapore. Hier staat tegenover dat DBV en DEBV een groot belang hebben bij opheffing van de beslagen omdat anders de herstructurering in gevaar kan komen.

4.6.

Tot slot stelt GPB dat de vordering uit onrechtmatige daad op DBV niet is gedekt door de Freezing Order en cash deposit. Ook hierin is echter geen grond gelegen de Nederlandse beslagen niet op te heffen. De raadsvrouw van DBV en DEBV heeft op de mondelinge behandeling van dit kort geding verklaard en toegezegd dat ook wanneer de vordering jegens DBV in de arbitrageprocedure wordt toegewezen, GPB die vordering mag verhalen op de cash deposit indien voor het arbitrale vonnis in Cyprus een exequatur wordt verkregen. Nu deze toezegging in dit vonnis is opgenomen, is DBV hieraan gebonden.

4.7.

De slotsom is dat de vorderingen worden toegewezen. De opheffingsgrond dat in de beslagrekesten in strijd is gehandeld met de waarheidsplicht van artikel 21 Rv behoeft bij deze stand van zaken geen verdere bespreking. Overigens is de voorzieningenrechter van oordeel dat GPB de beslagrechter niet onjuist of onvolledig heeft voorgelicht. De dwangsommen bij vordering b zullen worden gematigd en toegewezen op de na te melden wijze. Aan vordering c. zal geen dwangsom worden verbonden.

4.8.

GPB zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proces- en nakosten worden veroordeeld. De proceskostenveroordeling zal niet zien op de werkelijk gemaakte advocaatkosten, zoals gevorderd. Het door GPB in dit kort geding gevoerde verweer kan niet als misbruik van procesrecht of als onrechtmatig handelen worden aangemerkt. Het gebruikelijke tarief voor een ingewikkeld kort geding zal worden toegewezen. De kosten aan de zijde van GPB worden dan begroot op € 85,81 aan dagvaardingskosten, € 667,- aan griffierecht en
€ 1.524,- aan salaris advocaat.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

heft op de Nederlandse beslagen (als omschreven in paragraaf 2.5 van de dagvaarding),

5.2.

gebiedt GPB bij enig toekomstig verzoek tot het doen leggen van conservatoire beslagen op de goederen van DBV en DEBV gelegen in Nederland of daarbuiten ter meerdere zekerheid voor de voldoening van de Vordering of voor andere vorderingen, dit vonnis als productie over te leggen en daarop nadrukkelijk te wijzen in het verzoekschrift, op straffe van een dwangsom van € 200.000,- voor iedere overtreding van dit gebod, met een maximum van € 1.000.000,-,

5.3.

gebiedt GPB medewerking te verlenen aan de administratieve opheffing van de Nederlandse beslagen door het onmiddellijk, doch uiterlijk twee dagen na het wijzen van dit vonnis, informeren van de derden waaronder conservatoir is gelegd en/of het verrichten van iedere handeling die dienstig of nodig is om de Nederlandse beslagen ook administratief op te heffen,

5.4.

veroordeelt GPB in de proceskosten, aan de zijde van DBV en DEBV tot op heden begroot op € 85,81 aan dagvaardingskosten, € 667,- aan griffierecht en
€ 1.524,- aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis,

5.5.

veroordeelt GPB in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,- aan salaris advocaat, te vermeerderen indien betekening van dit vonnis plaatsvindt met
€ 85,- en de kosten van het betekeningsexploot, en te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. M. Veraart, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2021.1

1 type: MV coll: LO