Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2555

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
07-06-2021
Zaaknummer
13/751334-20
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Europees strafrecht
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Executie-EAB Polen. Art. 12 OLW. Beroep op gelijkstelling met een Nederlander (art. 6a OLW) afgewezen. Overlevering toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751334-20 (EAB II)

RK nummer: 20/3413

Datum uitspraak: 18 mei 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 juli 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 5 maart 2020 door the District Court of Legnica – III Criminal Department (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1991,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieplaats],

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

Zitting 22 september 2020

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 22 september 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek. De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort en door een tolk in de Poolse taal.

De behandeling van de vordering is voor onbepaalde tijd aangehouden in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen over – kort samengevat – de Poolse rechtsstaat-kwestie.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid (oud), OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

Zitting 21 oktober 2020

Op de openbare zitting van 21 oktober 2020 heeft de rechtbank de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon geschorst.

Zitting 29 april 2021

De behandeling van de vordering zou worden voortgezet op de openbare zitting van 29 april 2021. Vanwege problemen met de videoverbinding met de penitentiaire inrichting is de behandeling aangehouden tot de zitting van 4 mei 2021.

Zitting 4 mei 2021

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 4 mei 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Westerman. De opgeëiste persoon, aanwezig via een videoverbinding, is bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. E. Kolokatsi, advocaat te Amersfoort en door een tolk in de Poolse taal.

De Overleveringswet is gewijzigd bij wet van 3 maart 2021, Stb. 125 (hierna: de Herimplementatiewet), die op 1 april 2021 in werking is getreden. Daarin is een nieuwe regeling voor de beslistermijn opgenomen. Deze regeling houdt in dat wanneer de rechtbank binnen 90 dagen nog geen uitspraak heeft kunnen doen op het verzoek tot overlevering, zij de beslistermijn enkel nog (telkens) kan verlengen indien zij in afwachting is van een uitspraak van het Hof van Justitie over prejudiciële vragen (artikel 22, vierde lid, OLW) of indien er een onderzoek is ingesteld naar een (mogelijk) reëel gevaar van een schending van de grondrechten zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW (artikel 22, vijfde en zesde lid, OLW).

De rechtbank heeft op de zitting geconstateerd dat de beslistermijn vóór de inwerkingtreding van de Herimplementatiewet nog niet voor onbepaalde tijd is verlengd en dat er meer dan 90 dagen zijn verstreken sinds de in artikel 22, eerste lid, OLW bedoelde termijn een aanvang heeft genomen. Dit heeft in deze zaak tot gevolg dat de rechtbank de beslistermijn niet meer kan verlengen en dat de geschorste overleveringsdetentie is beëindigd.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een judgement of the Regional Court of Legnica van

5 augustus 2015 (referentie: II K 279/14).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren nog één jaar, vijf maanden en 28 dagen. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1.

Met de inwerkingtreding van de Herimplementatiewet is ook artikel 12 OLW gewijzigd, in die zin dat de in deze bepaling neergelegde weigeringsgrond nu een facultatief karakter heeft. Gelet op deze wijziging zal de rechtbank eerst het beoordelingskader onder het gewijzigde artikel 12 OLW bespreken.

4.2.

In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de rechtbank eerst vaststellen of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

Als dit niet het geval is, dan moet worden beoordeeld of zich één van de onder a tot en met d genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

4.3.

Doet zich één van die omstandigheden voor, dan mag de rechtbank de overlevering niet weigeren op grond van artikel 12 OLW.

4.4.

In het EAB staat vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op het proces dat tot het vonnis van 5 augustus 2015 heeft geleid.

4.5.

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd. De opgeëiste persoon heeft weliswaar verklaard dat hij aanwezig was op de zitting waarop de feiten zijn besproken, maar hij was niet aanwezig op de vervolgzitting(en) waarbij de aangever en de getuigen zijn gehoord en waarbij is geoordeeld over zijn schuld en/of straf. Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om de behandeling van de vordering aan te houden zodat nadere vragen kunnen worden gesteld aan de Poolse autoriteiten.

4.6.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW niet van toepassing is. In het EAB staat immers vermeld dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid. De rechtbank ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat er meerdere zittingsdagen hebben plaatsgevonden en dat de informatie in onderdeel d) van het EAB niet volledig is. De rechtbank ziet evenmin aanleiding om hierover nadere vragen te stellen aan de Poolse autoriteiten, zoals de raadsvrouw heeft verzocht.

5 Strafbaarheid; feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

Het feit levert naar Nederlands recht op:

overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

6 Artikel 6a OLW; beroep op gelijkstelling met een Nederlander

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon sinds 2009 in Nederland woont en werkt, dat hij een aantal jaren een inschrijfadres in Nederland heeft gehad, dat hij de Nederlandse taal goed verstaat en dat hij – blijkens zijn strafblad – sinds 2009 in aanraking komt met de Nederlandse politie en justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verzoek moet worden afgewezen omdat de opgeëiste persoon niet voldoet aan de vereisten voor gelijkstelling met een Nederlander.

De rechtbank overweegt als volgt.

Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet ingevolge artikel 6a, negende lid, van de OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:

  1. ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland als bedoeld in als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;

  2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.

De opgeëiste persoon voldoet niet aan het eerste vereiste, aangezien hij niet heeft aangetoond dat hij gedurende een periode van ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven. De rechtbank verwerpt het beroep op gelijkstelling met een Nederlander.

7. Hoedanigheid van ‘rechterlijke autoriteit’ en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

7.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd omdat, gelet op de tuchtprocedures die in Polen tegen rechters worden aangespannen, niet kan worden vastgesteld dat het EAB is uitgevaardigd door een ‘rechterlijke autoriteit’. Subsidiair heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat nadere vragen moeten worden gesteld over de rechters in the District Court in Legnica en de eventuele tuchtprocedures waaraan zij zijn onderworpen.

Verder heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de algemene staat van de rechtsstaat in Polen kwestieus is.

7.2.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen sprake is van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat het grondrecht van de opgeëiste persoon op een onafhankelijk gerecht is geschonden, nu het vonnis dateert van vóór het najaar van 2017.

7.3.

Oordeel van de rechtbank met betrekking tot de hoedanigheid van ‘rechterlijke autoriteit’

In haar uitspraak van 27 januari 20211 heeft de rechtbank in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 17 december 2020 (Openbaar Ministerie (Onafhankelijkheid van de uitvaardigende rechterlijke autoriteit))2 geoordeeld dat het bestaan van structurele en/of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van Polen betreft die in alle gevallen negatieve gevolgen voor de rechterlijke instanties in Polen kunnen hebben, op zichzelf niet volstaat om de hoedanigheid van “uitvaardigende rechterlijke autoriteit” in de zin van artikel 6 lid 1, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ aan elke Poolse rechter en rechterlijke instantie te ontzeggen.

Tevens heeft de rechtbank geoordeeld dat voormeld arrest niet afdoet aan haar oordeel dat zulke structurele en/of fundamentele gebreken bestaan en dat, gelet op de aard en de omvang van die structurele en/of fundamentele gebreken, er sprake is van systemische gebreken, die negatieve gevolgen kunnen hebben op het niveau van alle gerechten.

Naast deze gebreken zijn er geen gegevens voorhanden die er toe zouden kunnen leiden dat de uitvaardigende autoriteit niet als uitvaardigende rechterlijke autoriteit kan worden beschouwd.

7.4.

Oordeel van de rechtbank met betrekking tot artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een zorgelijke ontwikkeling in Polen. De ernst hiervan wordt onder andere geïllustreerd door de zogeheten artikel 7 VEU-procedure die door de Europese Commissie is gestart. Naar aanleiding van deze zorgelijke ontwikkeling heeft de rechtbank in het kader van een overlevering ter fine van strafvervolging vastgesteld dat er sprake is van structurele of fundamentele gebreken wat betreft de rechterlijke macht van Polen die de onafhankelijkheid van de rechterlijke instanties van Polen in gevaar brengen en dat er daardoor een reëel gevaar dreigt dat het grondrecht op een eerlijk proces in de kern wordt aangetast (ECLI:NL:RBAMS:2018:7032). Anders dan het geval is in het arrest van het Hof van Justitie van 25 juli 2018 (ECLI:EU:C:2018:586) en in de genoemde uitspraak van de rechtbank, strekt het EAB in dit geval tot tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf, die is opgelegd bij een vonnis van 5 augustus 2015. Niet is gebleken van een verband tussen dit vonnis en de vastgestelde structurele of fundamentele gebreken.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 5 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 2, 5, 7 en 12 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court of Legnica – III Criminal Department (Polen).


Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en D.P. Hein, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. N.M. van Trijp, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 18 mei 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 ECLI:NL:RBAMS:2021:179

2 Zaken C‑354/20 PPU en C‑412/20 PPU (gevoegd), ECLI:EU:C:2020:1033