Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2514

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
13/314555-20 (promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtmatigheidsverweer ten aanzien van de doorzoeking op grond van art. 23 WED en 96b Sv wordt verworpen. Het resultaat van de doorzoeking, namelijk het aantreffen van de pakketten met cocaïne kan voor het bewijs worden gebruikt. Ter terechtzitting heeft verdachte een verklaring afgelegd, maar deze is niet meer verifieerbaar. Verdachte heeft bovendien verklaard dat hij wist dat het niet pluis was. Ook is het DNA van verdachte op een hengsel van een bigshopper, waarin deze pakketten met cocaïne zaten, aangetroffen. Daarmee heeft verdachte tenminste voorwaardelijk opzet gehad op het vervoeren van de cocaïne en had hij ook de beschikkingsmacht hierover. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13.314555.20

[verdachte]

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/314555-20 (promis)

Datum uitspraak: 19 mei 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

wonende op het adres [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te: [naam] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 21 april 2021 en 19 mei 2021 (sluiting).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S.H.S. Kurniawan-Ayre, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. H.G. Koopman, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 11 december 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 62,04 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het feit op basis van de bewijsmiddelen in het dossier.

3.2

Standpunt van de verdediging


De raadsman heeft verwezen naar het rechtmatigheidsverweer ten aanzien van de doorzoeking van het voertuig van de raadsman van de medeverdachte en zijn eerdere opmerking hierover bij de rechter-commissaris. Daarbij heeft de raadsman benoemd dat het in dit geval niet om een vrachtwagen gaat.

De raadsman heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het aanwezig hebben van de ten laste gelegde 62,04 kilogram cocaïne, omdat de 52 blokken cocaïne tezamen met het verpakkingsmateriaal zijn gewogen. Uitgegaan zou moeten worden van 52 kilo. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte niet de wetenschap had dat hij cocaïne in zijn laadruimte vervoerde en dat er hooguit sprake is van een culpoze variant.

3.3

Oordeel van de rechtbank

Staandehouding en doorzoeking

De rechtbank leidt uit het dossier het volgende af. Een Citroën Berlingo met kenteken
[kenteken] was op 10 oktober 2020 opgenomen in een referentiebestand van de ANPR (Automatic Number Plate Recognition) in verband met een vermoeden van ondermijnende criminaliteit, met als doel om dit voertuig te controleren. Op 11 december 2020 kreeg verbalisant [naam verbalisant 1] , die een ANPR controle uitvoerde, een hit op dit kenteken ter hoogte van hectometerpaal 47 rijstrook 2. Toen de verbalisant het voertuig iets later zag rijden op de Rijksweg A2 links ter hoogte van Abcoude, constateerde hij dat er iets mis was met de linker koplamp en ging over tot controle. Verdachte was de bestuurder van het voertuig en medeverdachte [medeverdachte] was de bijrijder. De verbalisant heeft het rij- en kentekenbewijs van verdachte gevorderd en medegedeeld dat een reden van de staandehouding was dat de verlichting niet voldeed aan de daaraan gestelde eisen. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op voorgaande, sprake is van rechtmatig gebruik van de controlebevoegdheid van de WVW 1994. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat de door de verbalisant gehanteerde controlebevoegdheid uitsluitend is gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend.

Uit het dossier blijkt verder dat verdachte vervolgens op vragen van de verbalisant antwoordde dat zij zojuist uit Amsterdam kwamen, hetgeen niet strookte met de gegevens van de ANPR-hit. Verdachte verklaarde verder, toen hem werd gevraagd wat hij vervoerde, dat hij dit niet wist. De verbalisant deelt verdachte dan mee dat er in de laatste maanden van het jaar veel vuurwerk wordt vervoerd met gesloten busjes en dat hij daarom de laadruimte gaat bekijken op grond van artikel 23 Wet op de economische delicten (hierna: WED). Vanaf dat moment heeft verbalisant [naam verbalisant 2] zich aangesloten bij de controle. Gelet op de antwoorden van verdachte en de ambtshalve bekendheid van de verbalisanten dat er rond die tijd van het jaar vuurwerk wordt vervoerd in gesloten busjes, waren de verbalisanten naar het oordeel van de rechtbank bevoegd de controlebevoegdheid van artikel 23 WED in te zetten. Daarvoor is het niet relevant dat dit voertuig geen vrachtwagen, maar een bestelauto, betrof.

Verbalisant [naam verbalisant 2] is vervolgens naar de achterkant van het voertuig gelopen en heeft in de laadruimte gekeken die inmiddels open was, terwijl verbalisant [naam verbalisant 1] nog bij verdachte en medeverdachte [medeverdachte] stond, zo blijkt uit het dossier. Hierbij zag verbalisant [naam verbalisant 2] op het voertuig “ [naam bedrijf] ” staan. Het was verbalisant [naam verbalisant 2] ambtshalve bekend dat het voertuig van dit bedrijf een mogelijke link zou hebben met een witwas- of opiumonderzoek in Hilversum. Op dat moment ziet verbalisant [naam verbalisant 2] een drietal Lidl bigshoppers in de laadruimte staan en is hij overgestapt op de controlebevoegdheid van artikel 96b van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), zo verbaliseert hij. Verbalisant [naam verbalisant 2] betrad de laadruimte en zag dat de bigshoppers met folie-omwikkelde blokken waren gevuld. Hierop zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aangehouden.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verbalisanten de doorzoeking van het voertuig op grond van artikel 96b Sv rechtmatig hebben verricht. De rechtbank stelt hierbij voorop dat een dergelijke doorzoeking gerechtvaardigd is indien sprake is van een ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit dan wel in geval van een verdenking van een misdrijf waarvoor een bevel tot voorlopige hechtenis kan worden gegeven als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv.

De rechtbank vindt de doorzoeking van het voertuig rechtmatig, gelet op de bevindingen die de verbalisanten al hadden gedaan (te weten: het zien van de bigshoppers in de laadruimte, de aantoonbaar onjuiste verklaring over de route die verdachte zei te hebben afgelegd en het feit dat verdachte verklaarde niet te weten wat hij vervoerde) tezamen met de informatie van verbalisant [naam verbalisant 2] dat dit voertuig een mogelijke link zou hebben met een witwas- of opiumonderzoek. Deze omstandigheden leveren tezamen en in onderlinge samenhang bezien een verdenking op van een misdrijf als bedoeld in artikel 67, eerste lid, Sv. Van een onrechtmatige doorzoeking is dus geen sprake.

Het resultaat van de doorzoeking, namelijk het aantreffen van de pakketten met cocaïne in de bigshoppers in de laadruimte, kan gelet op het voorgaande voor het bewijs worden gebruikt. Het verweer van de raadsman dat sprake zou zijn van een vormverzuim wordt verworpen en behoeft voor het overige derhalve geen bespreking.

Beoordeling

Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit is vereist dat bij de verdachte sprake was van wetenschap van de aanwezigheid van de cocaïne in de Citroën Berlingo en dat hij hierover de beschikkingsmacht had.

Verdachte heeft zich tot de terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen. Op de terechtzitting heeft hij verklaard dat hij voor iemand een rit zou maken, waarvoor hij € 1.500,- zou ontvangen. Hij zou iets moeten ophalen in Breda en naar Amsterdam brengen. Verdachte wist – naar eigen zeggen – dat het niet pluis was en dacht dat het om wiet of hasj ging. Hij heeft niet gevraagd wat hij zou moeten vervoeren. ‘Teveel vragen stellen wordt niet gewaardeerd,’ zo verklaarde verdachte ter zitting. Verdachte heeft van deze persoon € 100,- ontvangen om te tanken en is een dag later met medeverdachte [medeverdachte] naar Breda gereden. Daar heeft verdachte een bigshopper aangenomen en in de laadruimte van het voertuig gezet. De overige twee bigshoppers zijn door een ander in de laadruimte gezet. De persoon aan wie verdachte de bigshoppers vervolgens af zou moeten geven, zou hij herkennen aan een leunende houding op de motorkap bij de parkeerplaats van de Lidl in Watergraafsmeer.

Nu verdachte pas op de zitting met deze verklaring is gekomen en hij niet de namen van de eerdergenoemde personen heeft gegeven of kan geven kan deze verklaring niet worden geverifieerd. Gelet echter op bovengenoemde omstandigheden heeft verdachte in ieder geval bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat de bigshoppers waren gevuld met cocaïne. De rechtbank stelt voorop dat de bestuurder van een voertuig, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, geacht wordt bekend te zijn met de aanwezigheid van voorwerpen in dat voertuig. Daar komt bij dat de rechtbank het in zijn algemeenheid buitengewoon onaannemelijk acht dat een organisatie of een persoon een niet ingewijde 52 blokken cocaïne, hetgeen een aanzienlijke straatwaarde van miljoenen euro’s vertegenwoordigt, laat vervoeren. Het inschakelen van een onwetende derde brengt immers onnodige risico’s voor de eigenaren van de verdovende middelen mee. Op het hengsel van één van de bigshoppers is het DNA van verdachte aangetroffen. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en acht bewezen dat verdachte tenminste voorwaardelijk opzet heeft gehad op het vervoeren van de cocaïne. Het voertuig werd door verdachte bestuurd, terwijl de cocaïne in de laadruimte lag, zodat verdachte ook de beschikkingsmacht had over de cocaïne.

De betrokkenheid aan een strafbaar feit kan als medeplegen worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewust samenwerking. Verdachte heeft verklaard dat hij van een persoon opdracht heeft gekregen om iets op te halen en te vervoeren. Hij zou hetgeen hij vervoerde weer bij een ander afleveren. Bovendien waren er volgens de verklaring van verdachte op de ophaallocatie twee personen aanwezig die hebben geholpen met het inladen van de bigshoppers. Het DNA van een andere persoon is op het hengsel van een andere bigshopper aangetroffen. Uit deze omstandigheden blijkt een nauwe en bewuste samenwerking, waardoor de rechtbank bewezen acht dat verdachte tezamen en in vereniging met anderen de cocaïne heeft vervoerd.

Niet kan worden uitgesloten dat de cocaïne samen met het verpakkingsmateriaal is gewogen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen kan worden dat sprake is geweest van exact 62,04 kilogram cocaïne. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte samen met anderen een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne heeft vervoerd.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

op 11 december 2020 in Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk heeft vervoerd, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne.

4 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen in de bijlage zijn vervat.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een gevangenisstraf van 4 jaren wordt opgelegd.

7.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte slechts de koerier was. Hij heeft deze klus alleen aanvaard omdat hij vanwege COVID-19 geen inkomsten heeft. De raadsman heeft – onder verwijzing naar jurisprudentie – verzocht een gevangenisstraf van 18 maanden, met een groot voorwaardelijk strafdeel, aan verdachte op te leggen.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk vervoeren van ten minste 52 kilogram cocaïne, afgaande op het feit dat 52 blokken zijn vervoerd en de omstandigheid, zoals uit andere zaken ook wel blijkt, dat dergelijke blokken vaak ten minste 1 kilo wegen. De verspreiding van en handel in cocaïne gaat gepaard met vele andere vormen van criminaliteit en is een gevaar voor de volksgezondheid. Daarnaast gaat de drugshandel niet zelden gepaard met geweld, waardoor die handel ook een gevaar is voor de veiligheid. Verdachte heeft zich niets aangetrokken van deze negatieve effecten en heeft zich enkel laten leiden door zijn eigen financiële gewin.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die zien op het vervoeren van harddrugs vanaf 20 kilogram. Deze gaan uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vanaf 50 maanden. De rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die zijn opgelegd in soortgelijke zaken en het gegeven dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. De rechtbank sluit niet uit dat verdachte zijn eigen rol bewust kleiner heeft gemaakt dan die in werkelijkheid is. Het dossier biedt daarentegen ook geen aanknopingspunten dat verdachte iets anders is dan een ondergeschikte die cocaïne vervoert. De rechtbank ziet, mede gelet op het expliciet gevoerde strafmaatverweer van de raadsman en de daarbij aangehaalde jurisprudentie, aanleiding om in dit geval naar beneden van de oriëntatiepunten af te wijken.

Alles afwegend vindt de rechtbank een gevangenisstraf van 42 maanden passend en geboden.

De raadsman heeft voorwaardelijk verzocht, voor het geval dat de rechtbank een gevangenisstraf van 4 jaren zou opleggen, een reclasseringsrapportage op te laten maken. De rechtbank constateert dat niet aan de voorwaarde voor het voorwaardelijke verzoek is voldaan. Bovendien acht de rechtbank zich ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van verdachte voldoende voorgelicht. Het voorwaardelijke verzoek behoeft derhalve geen verdere bespreking.

8 Beslag

8.1

Standpunt van het openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd de bigshoppers verbeurd te verklaren en de cocaïne te onttrekken aan het verkeer.

8.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het beslag.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: Lidl tassen (goednummers: G6006051, G6006053, G6006055, G6006056, G6006057 en G6006058) die aan verdachte toebehoren, dienen te worden verbeurd verklaard en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van die voorwerpen het bewezen geachte is begaan.

De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: verdovende middelen (goednummers: G6006060, G6006229, G6006049, G6006050 en G6006052) dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36c en 63 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 (tweeënveertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart verbeurd:

  • -

    1 STK Lidl tas (G6006051);

  • -

    1 STK Lidl tas (G6006053);

  • -

    1 STK Lidl tas (G6006055);

  • -

    1 STK Lidl tas (G6006056);

  • -

    1 STK Lidl tas (G6006057);

  • -

    1 STK Lidl tas (G6006058).

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

  • -

    52 STK verdovende middelen (G6006060);

  • -

    1 STK verdovende middelen (G6006229);

  • -

    14 STK verdovende middelen (G6006049);

  • -

    20 STK verdovende middelen (G6006050);

  • -

    18 STK verdovende middelen (G6006052).

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,

mrs. E. Akkermans en R. Gaarthuis, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Kanters, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 mei 2021.