Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2513

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 4481
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning dakopbouw door college ten onrechte verleend. Het enkel voorkómen van rommeligheid (wat een logisch gevolg is van het nieuwe beleid en wat op andere plekken in de wijk reeds voorkomt) vindt de rechtbank niet toereikend genoeg om op drie punten af te wijken van het beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/4481

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1]

[eiser 2]

[eiser 3]

[eiser 4]

[eiser 5]

te Amsterdam, eisers

(gemachtigde: mr. G.L.M. Teeuwen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Duits).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [vergunninghouder] , te Amsterdam, vergunninghouder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 september 2019 (het primaire besluit) heeft het college aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op de woning [adres 1] in Amsterdam.

Bij besluit van 8 juli 2020 (het bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2021 via een skype-verbinding.

[eiser 1] , [eiser 3] , [eiser 4] en [eiser 5] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Vergunninghouder is verschenen.

Overwegingen

1. Vergunninghouder is eigenaar van het pand aan de [adres 1] in Amsterdam en heeft een aanvraag voor een dakopbouw op het pand ingediend.

2. Met het primaire besluit, gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft het college een omgevingsvergunning aan vergunninghouder verleend voor het plaatsen van een dakopbouw. Eisers hebben bezwaar tegen de dakopbouw, ze wonen allemaal in de buurt van het pand.

Standpunten partijen

3. Het college heeft in het bestreden besluit het volgende overwogen. Vast staat dat het bouwplan in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'IJburg 1e fase', omdat de maximale bouwhoogte en maximale goothoogte uit het bestemmingsplan wordt overschreden. Het college heeft voor deze afwijking toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en artikel 4, aanhef en vierde lid, van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. De gevraagde omgevingsvergunning is in afwijking van het bestemmingsplan verleend, omdat naar het oordeel van het college geen evidente privaatrechtelijke of ruimtelijke bezwaren tegen medewerking bestaan.

Het bouwplan voldoet niet aan de zichtbaarheidseis, de 45º-regel en de dakoppervlakteregel uit de ‘Beleidsregels afwijkingen omgevingsvergunning vastgesteld op 18 april 2017’ (hierna: de beleidsregels). Daarom is beoordeeld of door middel van maatwerk een afwijking van het bestemmingsplan alsnog mogelijk was.

Volgens het college zijn er ruimtelijke argumenten op basis waarvan medewerking toch wenselijk en verantwoord is namelijk het voorkomen van een rommelig beeld van verspringende dakopbouwen ten opzichte van de bestaande dakopbouw op [adres 2] . Met de verleende vergunning ontstaat volgens het college vanuit de openbare ruimte een rustig stedenbouwkundig beeld van dakopbouwen.

Het college heeft in het onderhavige geval het toepassen van maatwerk laten prevaleren boven de regel dat aan eerdere bouwplannen geen rechten kunnen worden ontleend.

4. Eisers voeren aan dat er sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening.

De situatie van vergunninghouder is niet zodanig specifiek dat de algemene beleidsregels niet toereikend zijn voor een zorgvuldige afweging ten aanzien van de wenselijkheid van het bouwplan. In tegendeel: het betreft een standaardwoning in een rijtje. Door de aanvrager kan zonder meer binnen de beleidsregels een dakopbouw worden gerealiseerd. De beleidsregels, met daarin verdisconteerd de regels ter bescherming van de belangen van eisers (waaronder behoud van zon- en daglicht en privacy) dienen te worden gevolgd.

De bestaande dakopbouw op de [adres 2] is geen precedent. In de beleidsregels is nadrukkelijk bepaald dat vergunde bouwwerken geen precedent scheppen en dat hieraan geen rechten kunnen worden ontleend. Uit de door eisers overgelegde foto’s blijkt dat er in de wijk inmiddels al meerdere dakopbouwen zijn gebouwd die wel voldoen aan de nieuwe beleidsregels. Deze opbouwen zijn gebouwd naast of in de directe omgeving van grotere dakopbouwen die nog waren toegestaan onder het oude (ruimere) bestemmingsplanregime. Hierdoor kan het college het argument verrommeling niet gebruiken ter motivering van de vergunning voor deze dakopbouw. Met de nu verleende vergunning wordt nadrukkelijk in strijd met de beleidsregels juist een precedent geschapen. Ten onrechte en zonder deugdelijke motivering wordt afgeweken van de zichtbaarheidsregel aan de voorzijde, de 45º regel en de oppervlakteregel.

Oordeel rechtbank

5. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) berust het besluit om toestemming te verlenen om te bouwen in strijd met het bestemmingsplan op een discretionaire bevoegdheid van het college. Dat betekent dat de rechtbank bij de toetsing van dat besluit de vraag dient te beantwoorden of het college in redelijkheid tot dat besluit heeft kunnen komen.1

Toepasselijk beleid

6. In paragraaf 1.2 van de beleidsregels staat:

“(…) De bestuurscommissie Oost ondersteunt deze mogelijkheid om op eenvoudige

wijze bouwplannen met een beperkte, ruimtelijke impact toe te staan, zodat burgers op een prettige wijze in stadsdeel Oost kunnen blijven wonen en werken. Dergelijke bouwplannen kunnen ondanks hun beperkte, ruimtelijke impact wel effecten hebben op de bezonning, de licht- en luchttoetreding of de privacy van omwonenden, de kwaliteit van het straatbeeld of de architectonische kwaliteit van het betreffende gebouw. De beleidsregels in deze nota geven de voorwaarden waar bouwplannen voor woon- en niet-woonfuncties aan moeten voldoen om deze effecten aanvaardbaar te laten zijn.”

7. In paragraaf 1.3 van de beleidsregels staat:

“Het doel van deze beleidsregels is om een helder kader te scheppen waaraan aanvragen omgevingsvergunning met een beperkte, ruimtelijke impact worden getoetst. Door middel van kleine aanpassingen aan hun woning kunnen mensen op eenvoudige wijze hun woongenot vergroten. Ook kunnen dergelijke aanpassingen er voor zorgen dat mensen langer in hun wijk kunnen blijven wonen, ook als hun woonbehoefte verandert. De bestuurscommissie Oost wil hier graag aan bijdragen.

Bij de claims die de verschillende gebruikers op de schaarse ruimte leggen, is het aan de bestuurscommissie Oost om een goede balans te vinden tussen het algemene belang en het belang van de aanvrager. In dichtbebouwde gebieden staat de ruimtelijke kwaliteit onder druk, maar kleine aanpassingen aan bestaande bebouwing zijn vaak wel mogelijk. Met deze beleidsregels schept het stadsdeel een kader waarmee de afweging om al dan niet mee te werken aan een bouwplan inzichtelijk wordt.

Dit beleidskader heeft een tweeledige werking. Enerzijds geeft het burgers

voorafgaand aan het indienen van een bouwplan meer duidelijkheid over de mogelijkheden voor bouwplannen met een beperkte ruimtelijke impact in Oost. Anderzijds ontstaat een efficiëntere manier van werken en daarmee een snellere afhandeling van aanvragen omgevingsvergunning in Oost.

8. In paragraaf 3.1 van de beleidsregels staat:

“ Met de inwerkingtreding van de voormalige "beleidsregels buitenplanse afwijkingen omgevingsvergunning (2013)" is destijds een nieuw ijkpunt in werking getreden. Er is toen een nulsituatie gecreëerd. Dit betekent dat aan reeds in het verleden gerealiseerde bouwplannen en/of vergunde aanvragen, voor nieuwe aanvragen geen rechten kunnen worden ontleend. Vanaf de datum van inwerkingtreding vormen de "beleidsregels afwijkingen omgevingsvergunning (2017)" het enige toetsingskader voor aanvragen die op categorieën betrekking hebben die in de beleidsregels zijn benoemd. Het is mogelijk dat in het verleden verleende vergunningen voor gelijksoortige bouwplannen binnen de beleidsregels niet meer mogelijk zjjn. De in het verleden reeds vergunde aanvragen blijven hun rechtskracht behouden. Aan reeds in het verleden gerealiseerde bouwplannen en/of vergunde aanvragen van voor juni 2013, kunnen voor nieuwe aanvragen geen rechten worden ontleend.”

9. In paragraaf 3.2 van de beleidsregels staat:

“ (…) Ondanks dat een initiatief in strijd is met de hier opgenomen beleidsregels, kunnen

er ruimtelijke argumenten zijn op basis waarvan medewerking toch wenselijk/

verantwoord is. In dit geval wordt maatwerk geleverd.

De algemene beleidsregels zien toe op algemene situaties. Maatwerk is van toepassing op situaties die zodanig specifiek zijn dat algemene beleidsregels niet toereikend zijn voor een zorgvuldige afweging ten aanzien van de wenselijkheid van bouwplannen. In zo’n geval wordt locatiespecifiek beoordeeld of het bouwplan wenselijk en verantwoord is. Bij ieder bouwplan dat niet past in de beleidsregels wordt overwogen of maatwerk aan de orde is.”

10. Niet in geschil is dat het bouwplan op drie punten van de beleidsregels afwijkt (de 45º regel, zichtbaarheidsregel en oppervlakteregel). De reden om in afwijking van de beleidsregels een vergunning te verlenen is volgens het college het voorkomen van een rommelig beeld van verspringende dakopbouwen ten opzichte van de bestaande dakopbouw op het pand [adres 2] te Amsterdam.

In de beleidsregels is nadrukkelijk overwogen dat er vanwege de uitvoering van het ‘nieuwe’ beleid met betrekking tot dakopbouwen verschil gaat ontstaan met de onder het ‘oude’ beleid toegestane dakopbouwen. Dit blijkt uit de hierboven geciteerde paragraaf 3.1. van de beleidsregels. Hiermee is ook de eventuele rommeligheid die zal ontstaan geaccepteerd. Het argument van de ‘rommeligheid’ kan volgens de rechtbank daarom vervolgens niet dát specifieke geval zijn dat maatwerk vereist, als bedoeld in paragraaf 3.2 van de beleidsregels. De ‘rommeligheid' is intrinsiek aan het nieuwe beleid en een logisch gevolg van de beleidswijziging waarin nu juist nadrukkelijk is bepaald dat gelijksoortige bouwwerken binnen de nu geldende beleidsregels niet meer mogelijk zijn.

11. Eisers hebben in beroep foto’s overgelegd van dakopbouwen in de directe omgeving van het bouwplan. Uit deze foto’s blijkt dat er in de wijk inmiddels al meerdere dakopbouwen zijn gebouwd die wel voldoen aan de nieuwe beleidsregels. Deze opbouwen zijn gebouwd naast of in de directe omgeving van grotere dakopbouwen die nog waren toegestaan onder het oude (ruimere) bestemmingsplanregime, zodat ook op deze plekken een rommelig straatbeeld is ontstaan.

12. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het enkel voorkómen van rommeligheid (wat dus een logisch gevolg is van het nieuwe beleid en wat op andere plekken in de wijk reeds voorkomt) niet toereikend genoeg om op drie punten af te wijken van het beleid.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid niet kunnen besluiten met de gegeven motivering de omgevingsvergunning voor de dakopbouw te verlenen. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Het college zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van twaalf weken na de verzending van deze uitspraak.

14. De rechtbank zal het college opdragen het door eisers betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank veroordeelt het college in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1068,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt het college op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt het college op het betaalde griffierecht van € 178 aan eisers te vergoeden;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. de Savornin Lohman, griffier.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:172.