Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2498

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-05-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
13/207005-20 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

21-jarige man is door de rechtbank veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 jaar cel en tbs met dwangverpleging voor het doodschieten van een 24-jarige man uit Haarlem aan de Nieuwe Meer in Amsterdam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0428
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/207005-20 (Promis)

Datum uitspraak: 18 mei 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd in het [Justitieel Complex] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 19 en 22 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.E. Woudman en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. V.H. Hammerstein en mr. S. Plas, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft ook kennisgenomen van wat de benadeelde partijen en hun advocaten naar voren hebben gebracht.

De heer [benadeelde partij 1] , de heer [benadeelde partij 2] en mevrouw [benadeelde partij 3] en twee benadeelde partijen die anoniem wensen te blijven, te weten benadeelde partij [benadeelde partij 4] en benadeelde partij [benadeelde partij 5] , zijn bijgestaan door mr. R.A. Korver en mr. N.J. Hoogenboom.

Benadeelde partij [benadeelde partij 6] , die ook anoniem wenst te blijven, is bijgestaan door mr. D. Fontein.

2 Inleiding

Op 8 augustus 2020, een warme zomerse dag, bevindt [slachtoffer] zich met een groep vrienden in het die dag druk bezochte Park de Oeverlanden aan de Nieuwe Meer in Amsterdam. De groep waarvan verdachte deel uitmaakt is ook aanwezig en zit een aantal meter verderop. Eerder die dag, toen verdachte er nog niet was, heeft er een confrontatie tussen de groepen plaatsgevonden. Er zou over en weer naar elkaar zijn gekeken en volgens de groep van [slachtoffer] had de andere groep (bestaande uit de neef van verdachte en twee vrienden) zijn aandacht gericht op de horloges die enkele vrienden van [slachtoffer] droegen. Eén persoon uit de groep van [slachtoffer] vond de sfeer op dat moment onaangenaam, en besloot weg te gaan.

Een paar uur later, nadat verdachte ook bij de Oeverlanden is aangekomen, vindt er een tweede confrontatie plaats tussen de groepen, waarbij ook verdachte betrokken is. [slachtoffer] wordt tijdens die tweede confrontatie beschoten en zakt in elkaar. Een ter plaatse gekomen verbalisant ziet bij hem een gaatje in zijn linkerschouder en in zijn linker bovenbeen. Reanimatiepogingen en een operatie zijn tevergeefs. [slachtoffer] is diezelfde dag in het ziekenhuis aan zijn verwondingen overleden.

De vraag waar de rechtbank voor staat is of verdachte [slachtoffer] (al dan niet met een vooropgezet plan) heeft doodgeschoten op 8 augustus 2020, of verdachte daarmee een horloge in zijn bezit wilde krijgen en of verdachte andere aanwezigen heeft bedreigd met een vuurwapen.

3 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:

1 primair

gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer] ;

1 subsidiair

moord (impliciet subsidiair doodslag) op [slachtoffer] op 8 augustus 2020 in Amsterdam;

1 meer subsidiair

doodslag op [slachtoffer] ;

2.

afpersing van een horloge, toebehorende aan het slachtoffer met getuigennummer [benadeelde partij 4] op 8 augustus 2020 in Amsterdam;

3.

bedreiging van het slachtoffer met getuigennummer [benadeelde partij 6] op 8 augustus 2020 in Amsterdam;

4.

bedreiging van het slachtoffer met getuigennummer [benadeelde partij 5] op 8 augustus 2020 in Amsterdam;

5.

het in vereniging overdragen dan wel voorhanden hebben van meerdere wapens en munitie en van het verhandelen van wapens en/of munitie een beroep of een gewoonte maken, in de periode van 23 juli 2020 tot en met 12 augustus 2020 te Hoofddorp en/of Bergen op Zoom en/of Zandvoort en/of Amsterdam, dan wel in Nederland.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in de bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.1

4 Voorvragen

4.1.

Partiële nietigheid van de dagvaarding

De rechtbank constateert dat de gewijzigde dagvaarding voor wat betreft de feiten 1 primair en 1 meer subsidiair geen tijdstip (datum) en pleegplaats bevatten.

Artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) vereist echter dat de opgave van het feit waarvan iemand wordt verdacht wordt vergezeld van een tijdstip en een pleegplaats.

Nu de dagvaarding in zoverre niet aan de eisen van de wet voldoet, zal de dagvaarding nietig worden verklaard voor wat betreft feit 1 primair en feit 1 meer subsidiair.

4.2.

Overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag, gevolgd van het afpakken van een horloge en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken. De officier van justitie komt tot die conclusie op basis van de verklaring van verdachte zelf en verschillende getuigenverklaringen die direct na het incident zijn afgelegd. De later afgelegde getuigenverklaringen zijn minder betrouwbaar, aangezien niet kan worden uitgesloten dat herinneringen aan het incident zijn beïnvloed door wat op een later moment over het incident is gezegd en gehoord. Het motief om [slachtoffer] van het leven te beroven is uitsluitend gelegen in het verkrijgen en behouden van het horloge.

Van moord is volgens de officier van justitie geen sprake, nu het dossier en de verklaring van verdachte onvoldoende aanknopingspunten bevatten voor de vaststelling dat verdachte het feit na kalm beraad en rustig overleg heeft gepleegd. Het uitsluitend bij zich dragen van een vuurwapen is niet voldoende om vast te stellen dat verdachte [slachtoffer] met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.

De officier van justitie vindt dat in de bewijsmiddelen die hij ten grondslag heeft gelegd aan het onder 1 primair ten laste gelegde, besloten ligt dat ook de feiten 2, 3 en 4 kunnen worden bewezen.

Ten aanzien van het onder feit 5 ten laste gelegde acht de officier van justitie, mede gelet op de verklaring van verdachte, bewezen dat verdachte twee wapens heeft verkocht.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verweren gevoerd ten aanzien van de feiten 1, 4 en 5. Omdat de rechtbank de dagvaarding voor wat betreft de feiten 1 primair en 1 meer subsidiair nietig zal verklaren, zullen de verweren ten aanzien van die onderdelen hier verder niet worden besproken.

De verdediging heeft aangevoerd dat vrijspraak moet volgen van de onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde moord. Er kan volgens de verdediging niet worden vastgesteld dat bij verdachte sprake was van een moment van kalm beraad waarbij verdachte heeft kunnen nadenken over de betekenis en gevolgen van zijn handelen. Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat het feit dat verdachte al een wapen bij zich had op het moment dat hij op de groep afstapte, geen reden is om voorbedachten rade aan te nemen.

Met betrekking tot de ten laste gelegde doodslag heeft de verdediging de vraag opgeworpen of verdachte (al dan niet in voorwaardelijke zin) opzet had op de dood van [slachtoffer] , waarbij volgens de verdediging onderscheid moet worden gemaakt tussen de twee schoten die verdachte op [slachtoffer] heeft afgevuurd. Ten aanzien van het eerste schot blijkt uit het dossier dat verdachte laag heeft gericht en op het been van [slachtoffer] heeft geschoten. Daaruit kan niet worden afgeleid dat verdachte opzet had op de dood van [slachtoffer] , ook niet in voorwaardelijke zin. Niet kan immers gezegd worden dat verdachte met het eerste schot op de benen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij [slachtoffer] dodelijk zou verwonden. Uit het sectierapport blijkt bovendien dat het eerste schot niet heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] . Het eerste schot kan niet leiden tot een bewezenverklaring van doodslag, het heeft slechts kunnen bijdragen aan de dood en is daarmee geheel afhankelijk van de bewijswaarde van het tweede schot.

Het tweede schot kwam volgens verdachte onverwacht, waarschijnlijk vanwege een combinatie van terugslag van het wapen en adrenaline. Het wapen waarmee verdachte heeft geschoten, betreft een semiautomatisch vuurwapen, dat alleen bij het eerste schot doorgeladen moet worden en daarna automatisch doorlaadt. Om een volgend schot te kunnen afvuren moet de trekker eerst ‘ontspannen’ en vervolgens 15 millimeter naar achteren worden getrokken. Dit kan niet meer dan een paar seconden duren. Ook blijkt uit verschillende getuigenverklaringen dat [slachtoffer] tijdens het tweede schot iets voorovergebogen stond omdat hij naar zijn geraakte linkerbeen greep. Volgens de verdediging zat tussen het afvuren van de twee schoten zeer korte tijd, enkele seconden. Uit het forensisch onderzoek volgt dat de schietbaan van het tweede schot van linksboven (‘voetwaarts’ het lichaam in) naar rechts beneden loopt. Dat duidt erop dat [slachtoffer] gebogen stond tijdens het tweede schot. De wens van verdachte [slachtoffer] niet te willen doden, is in die korte tijd ongewijzigd gebleven. Ook bij het tweede schot had verdachte dus niet de volle opzet om [slachtoffer] om het leven te brengen, zo blijkt ook uit verschillende getuigenverklaringen. Alleen zijn de omstandigheden tijdens het tweede schot veranderd doordat [slachtoffer] precies op hetzelfde moment iets voorover is gebogen. Het voorgaande brengt de verdediging tot de conclusie dat bewezen kan worden dat verdachte, als ongeoefend schutter, slechts bij het lossen van het tweede schot voorwaardelijk opzet op de dood heeft gehad.

De verdediging heeft de rechtbank verzocht verdachte van het onder feit 4 ten laste gelegde vrij te spreken. Dat verdachte het pistool na het eerste schietincident op het been van aangever [benadeelde partij 5] zou hebben gericht, wordt door geen enkele getuige bevestigd. Bij de rechter-commissaris heeft aangever [benadeelde partij 5] verklaard dat verdachte in de beleving van aangever met het wapen langs iedereen ging en dat het wapen niet specifiek op hem werd gericht. De enkele omstandigheid dat iemand zich in een dreigende situatie heeft bevonden, maakt niet dat daarmee automatisch sprake is van een strafbare bedreiging zoals ten laste is gelegd. Onvoldoende is gebleken dat verdachte rakelings langs aangever heeft geschoten en dat verdachte het wapen op het been van aangever heeft gericht. Het naar aangever toelopen levert nog geen bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) op.

Met betrekking tot het onder feit 5 ten laste gelegde heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank voor zover het betreft het overdragen dan wel voorhanden hebben van drie van de ten laste gelegde wapens. Het wapen waarmee op [slachtoffer] geschoten is, de Steel Eagle Germany kaliber 9 mm, heeft verdachte voorhanden gehad en geprobeerd te verkopen. Het pistool merk type Zoraki en het pistool merk CZ model P-10 heeft verdachte daadwerkelijk verkocht.

De overige ten laste gelegde wapens betreffen wapens die zijn aangetroffen op foto’s in de telefoon van verdachte. Verdachte heeft over die wapens verklaard dat hij deze niet voorhanden heeft gehad dan wel heeft verkocht. Dat betekent dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben dan wel verkopen van die wapens. Dat geldt ook voor het hagelgeweer, nu verdachte heeft verklaard dat dit wapen in het bezit was van [naam 1] die het wapen aan verdachte wilde laten zien. Verdachte heeft uitsluitend een foto van dit wapen gezien en dus niet van hem gekocht.

Daarnaast dient volgens de verdediging vrijspraak te volgen voor de strafverzwarende omstandigheid dat verdachte van het verhandelen van wapens een beroep of gewoonte heeft gemaakt. Gelet op het ontbreken van stelstelmatigheid en een oogmerk van winstbejag meent de verdediging dat van die laatste toevoeging geen sprake is en verdachte ook van dat deel van de tenlastelegging moet worden vrijgesproken.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.2

Op 8 augustus 2020 is [slachtoffer] met een groep vrienden in Park de Oeverlanden in Amsterdam.3 Nadat er eerder die dag al onenigheid was geweest met een andere groep jongens (op dat moment bestaande uit de neef van verdachte en twee vrienden), vindt er een paar uur later – nadat ook verdachte ter plaatse is gekomen – een tweede confrontatie plaats tussen de groepen. De neef van verdachte stapt op de groep van [slachtoffer] af, naar eigen zeggen omdat hij twee jongens uit die groep kent.4 Verdachte besluit achter zijn neef aan te gaan, maar voordat hij dit doet pakt verdachte een geladen wapen uit zijn tas. Hij stopt het wapen in de zak van zijn zwembroek en loopt dan richting de groep van [slachtoffer] .5

Op dat moment staan onder meer aangever [benadeelde partij 6] , aangever [benadeelde partij 5] en aangever [benadeelde partij 4] op een rijtje tegen een hek. [slachtoffer] staat meer aan de buitenkant van dit rijtje.6 Verdachte loopt op de groep af, trekt het wapen, zegt tegen [benadeelde partij 4] dat hij zijn klokkie (naar later bleek een nep-Rolex) af moet doen, dat [benadeelde partij 4] weigert, en vraagt wie hij door zijn been moet schieten.7 Verdachte stapt dan op [benadeelde partij 6] af, zet dan zijn hoofd tegen diens hoofd en zet zijn pistool tegen diens been. Verdachte zet zijn hoofd nogmaals tegen het hoofd van [benadeelde partij 6] en zegt dan tegen hem: “moet ik jou door je kankerknie schieten?”. Verdachte zegt verder dat hij geen grappen maakt en dat hij niet bluft. Aangever [benadeelde partij 6] geeft hem een klein zetje tegen zijn heupen, op datzelfde moment haalt verdachte de trekker over en schiet langs de knie van [benadeelde partij 6] door een ballon heen die [benadeelde partij 6] in zijn linkerhand heeft.8 Aangever [benadeelde partij 4] hoort verdachte tegen hem zeggen: “deze kwam in de grond en de volgende komt ergens anders dus doe maar niet zo bijdehand”, “geef mij je klok”, “waar is die gozer met dat horloge”9. Ook aangever [benadeelde partij 5] krijgt het pistool op zijn been gericht10 en getuige [getuige 1] hoort verdachte nog roepen: “Rolex, Rolex”11. Wanneer [slachtoffer] verdachte aanspreekt, schiet verdachte twee keer op hem, eerst in zijn bovenbeen en kort daarna ter hoogte van zijn borst.12 Daarna loopt verdachte weer richting aangever [benadeelde partij 4] , die dan zijn horloge aan verdachte afgeeft.13 Vervolgens rent verdachte weg.14

[slachtoffer] is, ondanks reanimatiepogingen en een ter plekke uitgevoerde operatie, aan zijn verwondingen overleden. Door twee ter plaatse gekomen verbalisanten en de forensisch arts werd zowel in het linker bovenbeen als in de linkerschouder een ronde perforatie waargenomen. Deze perforaties herkenden zij als verwondingen die veroorzaakt worden door projectielen.15 Tijdens de sectie op het lichaam van [slachtoffer] zijn twee projectielen aangetroffen en overgedragen aan de politie.16 Door de radioloog is geconstateerd dat [slachtoffer] met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid is overleden aan de verwikkelingen van de letsels in de borstkas, veroorzaakt door het inschot door de borstkas. Het letsel in het linker bovenbeen, veroorzaakt door het eerste inschot, kan mogelijk ook hebben geleid tot significant bloedverlies en een bijdrage hebben geleverd aan het intreden van de dood.17 Arts en patholoog dr. J. Fronczek constateert tijdens de sectie dat het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door de gevolgen van één inschot aan de romp. Het inschot aan het linker bovenbeen kan een substantiële bijdrage aan het overlijden hebben geleverd.18

Op basis van het door getuigen opgegeven signalement van de schutter, onderzoek naar de door een getuige genoemde naam van de persoon die naast de schutter stond en een ‘foslo’19 is verdachte in beeld gekomen.20 Verdachte is op 12 augustus 2020 als bijrijder in een Opel Astra in Zandvoort aangehouden.21 In eerste instantie heeft verdachte zich op zijn zwijgrecht beroepen, maar twee dagen later heeft hij bekend dat hij de schutter was op 8 augustus 2020.22

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij in totaal drie keer heeft geschoten, twee keer op [slachtoffer] en kort daarvoor één keer in het water, mogelijk door een ballon heen. Ook heeft verdachte bekend dat hij om een horloge heeft gevraagd, dat er een woordenwisseling heeft plaatsgevonden en dat hij heeft gescholden.23 Tijdens zijn politieverhoor op 19 augustus 2020 heeft verdachte verteld dat hij het wapen waarmee hij op [slachtoffer] heeft geschoten, achter het dashboardkastje in de auto van zijn moeder verstopt had, evenals kogels en het horloge.24

Het betreffende wapen, een Steel Eagle Germany (9mm kort), met 6 kogelpatronen in het patroonmagazijn, werd na de door verdachte afgelegde verklaring achter het dashboardkastje aangetroffen. Ook werd in de auto het (nep)Rolex horloge gevonden,25dat door aangever [benadeelde partij 4] werd herkend als zijn op 8 augustus 2020 weggenomen horloge.26

Daarnaast is er tijdens een doorzoeking in een woning in [plaats] in een sporttas en in een paar sportschoenen van verdachte verschillende soorten, strafbaar gestelde, munitie aangetroffen.27

Zoals gezegd bevond verdachte zich vlak voor zijn aanhouding als bijrijder in een Opel Astra. In deze auto is een telefoon aangetroffen en in beslag genomen28 die bij verdachte in gebruik bleek te zijn.29 Op deze telefoon hebben in de periode van 23 juli 2020 tot en met 12 augustus 2020 gesprekken plaatsgevonden via Whatsapp tussen verdachte (onder de naam ‘ [bijnaam verdachte] ’) en ene ‘ [naam 1] ’, waarin foto’s van wapens naar elkaar werden verstuurd.30 Op één van de foto’s stond het wapen waarmee verdachte op [slachtoffer] heeft geschoten, afgebeeld. Het gaat om een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1e van de WWM, strafbaar gesteld in artikel 26 lid 1 van de WWM, in verband met artikel 55 lid 3 onder a van de WWM.31 De andere wapens die de op de foto’s afgebeeld stonden betroffen onder meer een pistool, merk/type Zoraki model 906, kaliber 9mm Kort en een pistool, merk/type CZ model P-10, kaliber 9mm x 19. Beide zijn vuurwapens in de zin van artikel 1 onder 3e, gelet op artikel 2 lid 1, categorie III onder 1e van de WWM.32 Verdachte heeft op de terechtzitting van 19 april 2021 bekend dat hij de twee laatstgenoemde wapens heeft verhandeld.33

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

Dat verdachte op [slachtoffer] heeft geschoten en dat [slachtoffer] als gevolg daarvan om het leven is gekomen, staat met verwijzing naar de genoemde bewijsmiddelen vast. Op basis van de oorspronkelijke tenlastelegging zou de rechtbank zich hebben moeten buigen over de vraag of het handelen van verdachte gekwalificeerde doodslag, moord of doodslag oplevert. Die vraag is tijdens de feitenbehandeling ook uitdrukkelijk aan de orde gekomen.

Aangezien dit deel van de dagvaarding echter nietig is, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het onder feit 1 primair en (daarop vooruitlopend) meer subsidiair ten laste gelegde. De rechtbank zal voor wat betreft feit 1 dan ook slechts het subsidiair ten laste gelegde bespreken.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan moord dan wel doodslag op [slachtoffer] .

Vrijspraak van de ten laste gelegde moord

De rechtbank vindt – met de officier van justitie en de verdediging – niet bewezen dat verdachte heeft gehandeld volgens een vooropgezet plan, dus met voorbedachten rade, met de bedoeling om [slachtoffer] te doden. Het dossier bevat hiervoor onvoldoende aanknopingspunten. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de ten laste gelegde moord.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van de (impliciet subsidiair) ten laste gelegde doodslag

De rechtbank vindt wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan doodslag. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Verdachte heeft twee keer vanaf korte afstand met een vuurwapen op [slachtoffer] geschoten, eerst hoog in zijn bovenbeen en kort daarna ter hoogte van zijn schouder. Verdachte heeft verklaard dat hij bij het eerste schot gericht heeft geschoten op het bovenbeen van [slachtoffer] . Het tweede schot zou volgens verdachte per ongeluk zijn afgegaan. Dat schot zou volgens hem slechts zijn afgevuurd door adrenaline of terugslag van het wapen en het zou terecht zijn gekomen ter hoogte van de schouder van [slachtoffer] vanwege het feit dat [slachtoffer] na het eerste schot naar voren boog en richting zijn been greep. Verdachte heeft verklaard dat het niet zijn bedoeling was om [slachtoffer] daadwerkelijk van het leven te beroven.

Het wapen waarmee verdachte heeft geschoten, betreft een semiautomatisch wapen, dat na het lossen van een eerste schot niet weer doorgeladen hoeft te worden, maar waarbij wel telkens de trekker moet worden overgehaald voor het lossen van een volgend schot. De trekker van het wapen werkt volgens een ‘double action only’ principe, wat inhoudt dat de hamer door het overhalen van de trekker wordt gespannen. Het door het NFI verrichte onderzoek naar het wapen heeft uitgewezen dat de kracht om de trekker over te halen, vergeleken met andere wapens, een gemiddelde krachtuitoefening vergt. Als de trekker, gemeten vanuit het midden van de trekker, circa 15 millimeter naar achteren is bewogen, wordt de verbinding tussen trekker en hamer verbroken, waarna een schot wordt gelost en de hamer weer ontspant. Na het lossen van een schot is de hamer dus ontspannen en moet de trekker eerst weer naar voren bewegen over een afstand van ongeveer 13 millimeter. Als de trekker bijna in de voorste stand staat, maakt deze weer verbinding met de hamer. Het pistool is in deze toestand klaar voor een tweede schot door met het overhalen van de trekker de hamer weer te spannen en te ontspannen.34

Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat het tweede schot niet direct na het eerste schot kan zijn afgegaan, maar dat hier enige tijd tussen heeft gezeten. Het wapen hoefde weliswaar niet nog een keer doorgeladen te worden, maar de trekker moest wel naar voren bewegen en vervolgens opnieuw worden overgehaald om een volgend schot te kunnen lossen.

Dat het tweede schot door terugslag, adrenaline of ‘per ongeluk’ is afgegaan, vindt de rechtbank dan ook niet aannemelijk. Ook speelt daarbij mee dat verdachte vlak daarvoor al (eenmaal) door een ballon had geschoten. Hij moet toen al gevoeld hebben wat er na het afvuren van een schot met het wapen gebeurt. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat verdachte de trekker bij het lossen van beide schoten bewust heeft overgehaald.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat verdachte ‘vol opzet’ had om [slachtoffer] om het leven te brengen. Wel kan worden bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] .

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood van [slachtoffer] – is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan een dergelijke kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard.

De rechtbank overweegt, anders dan door de verdediging is aangevoerd, dat verdachte ten aanzien van het lossen van beide schoten voorwaardelijk opzet had op de dood van [slachtoffer] . Hoewel tijdens de sectie is geconstateerd dat het tweede schot tot de dood heeft geleid, heeft het eerste schot mogelijk wel een substantiële bijdrage geleverd aan het intreden van de dood. De rechtbank overweegt dat het bovenbeen een kwetsbare plek in het lichaam is waar een slagader doorheen loopt. Door in dit geval te schieten op deze plek in het bovenbeen van [slachtoffer] is er een aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat de dood intreedt. Verdachte heeft die kans ook aanvaard door, op zeer korte afstand en als onervaren schutter, op [slachtoffer] te schieten.

Kort daarna heeft verdachte nog een keer op [slachtoffer] geschoten. Dit schot is terechtgekomen in de schouder van [slachtoffer] . Ook bij dit schot heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] gehad.

De schuine schietbaan in het lichaam van [slachtoffer]35 duidt erop dat [slachtoffer] voorovergebogen stond toen verdachte het tweede schot op hem afvuurde. De kans dat iemand als gevolg van een schot in zijn romp ter hoogte van de schouder, onder deze hoek, zou komen te overlijden is aanmerkelijk, gelet op de kwetsbare en vitale organen die zich in dat deel van het menselijk lichaam bevinden.

De vraag is of verdachte deze kans op het intreden van de dood ook aanvaard heeft. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend.

Hiervoor is al overwogen dat het tweede schot bewust is afgevuurd en niet het gevolg was van een terugslag of ‘per ongeluk’ ging. Uit getuigenverklaringen volgt dat de twee schoten op [slachtoffer] kort na elkaar plaatsvonden. Na het eerste schot in het been van [slachtoffer] was het te verwachten dat het slachtoffer ineen zou duiken. Door vervolgens kort daarna opnieuw op een in elkaar gedoken slachtoffer te schieten in diens bovenlichaam heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zou komen te overlijden.

Het voorgaande brengt de rechtbank tot de conclusie dat de onder feit 1 subsidiair (impliciet subsidiair) ten laste gelegde doodslag wettig en overtuigend is bewezen.

Ten aanzien van het onder 2 en 3 ten laste gelegde

De rechtbank vindt op grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder de feiten 2 en 3 ten laste gelegde. Gezien het standpunt van de officier van justitie en de verdediging behoeft dit oordeel geen verdere motivering.

Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

Anders dan de verdediging en met de officier van justitie vindt de rechtbank de ten laste gelegde bedreiging van het slachtoffer met getuigennummer [benadeelde partij 5] wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank overweegt dat sprake is geweest van een zeer chaotische en beangstigende situatie waarin meerdere personen dicht bij elkaar stonden. Verdachte zwaaide met zijn wapen en liep daarmee langs een rij met personen. Ook aangever [benadeelde partij 5] stond in die rij. De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat verdachte het niet per se op specifieke personen had gemunt, maar dat zijn agressie zich richtte tot de gehele groep. Door onder deze omstandigheden met een vuurwapen langs aangever [benadeelde partij 6] te schieten, vlakbij waar ook aangever [benadeelde partij 5] zich bevond, en vervolgens een vuurwapen op het been van deze aangever te richten,36 kon bij aangever de redelijke vrees ontstaan dat hij zijn leven zou kunnen verliezen.

Ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

De rechtbank acht op grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen bewezen dat verdachte zich in de periode van 23 juli 2020 tot en met 12 augustus 2020 schuldig heeft gemaakt aan het voorhanden hebben van één vuurwapen en het overdragen van twee vuurwapens. Ook heeft verdachte verschillende soorten munitie voorhanden gehad. Verdachte heeft het ten laste gelegde feit in zoverre ook bekend.

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte de overige ten laste gelegde wapens en munitie voorhanden heeft gehad dan wel dat hij die wapens heeft verhandeld. Dat er foto’s van die wapens op de telefoon van verdachte zijn aangetroffen, is onvoldoende voor een bewezenverklaring.

De rechtbank acht evenmin bewezen dat verdachte het feit tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd. Het dossier bevat ook hiervoor onvoldoende aanknopingspunten.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het ten laste gelegde onderdeel ‘terwijl hij, verdachte van het verhandelen van wapens en/of munitie een beroep of een gewoonte heeft gemaakt’ dat verdachte zich gedurende ongeveer drie weken heeft beziggehouden met de handel in wapens. Zoals gezegd heeft verdachte in die periode twee wapens verhandeld en één wapen voorhanden gehad. Gelet op deze relatief korte periode en de geringe hoeveelheid vuurwapens die verdachte heeft verkocht, acht de rechtbank niet bewezen dat verdachte een beroep of gewoonte heeft gemaakt van de handel in deze vuurwapens. Verdachte wordt daarom van dit onderdeel van de tenlastelegging vrijgesproken.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen waarnaar in rubriek 5.3 is verwezen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

op 8 augustus 2020 te Amsterdam [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door meermalen met een vuurwapen kogels af te vuren in de richting van en in het lichaam van die [slachtoffer] (terwijl hij, verdachte, zich in de directe omgeving en op korte afstand van die [slachtoffer] bevond);

ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

op 8 augustus 2020 te Amsterdam op de openbare weg Anton Schleperspad met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld het slachtoffer met getuigennummer [benadeelde partij 4] heeft gedwongen tot de afgifte van een horloge, dat aan dat slachtoffer toebehoorde, door

- met een vuurwapen een kogel af te vuren in het water en door een ballon (terwijl hij, verdachte, zich in de directe omgeving van dat slachtoffer bevond) en

- ‘ Deze kwam in de grond en de volgende komt ergens anders dus doe maar niet zo bijdehand’, tegen dat slachtoffer te zeggen en

- ‘ Geef mij je klok’ en ‘Waar is die gozer met dat horloge’ en ‘Rolex, Rolex’ tegen dat slachtoffer te zeggen en/of te schreeuwen;

ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

op 8 augustus 2020 te Amsterdam het slachtoffer met getuigennummer [benadeelde partij 6] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- naar dat slachtoffer toe te lopen en

- zijn, verdachtes, hoofd tegen het hoofd van dat slachtoffer te duwen en

- met zijn hand een vuurwapen tegen het been van dat slachtoffer te duwen en

- ( vervolgens) (opnieuw) zijn, verdachtes, hoofd tegen het hoofd van dat slachtoffer te duwen en

- tegen dat slachtoffer te zeggen ‘Moet ik jou door je kankerknie schieten?’ en ‘Ik maak geen grappen. Ik bluf niet, ik doe het gewoon’, en

- ( vervolgens) met een vuurwapen een kogel af te vuren in de richting van en in een ballon (die dat slachtoffer in zijn (linker)hand hield) naast dat slachtoffer;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde

op 8 augustus 2020 te Amsterdam het slachtoffer met getuigennummer [benadeelde partij 5] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door

- met een vuurwapen een kogel af te vuren (rakelings) langs dat slachtoffer in de richting van en in het water en

- naar dat slachtoffer toe te lopen en

- een vuurwapen op het been van dat slachtoffer te richten;

ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde

in de periode van 23 juli 2020 t/m 12 augustus 2020 in Nederland wapens van categorie III en munitie van categorie II en categorie III heeft overgedragen en/of voorhanden heeft gehad, te weten

- een pistool, merk/type Zoraki model 906, kaliber 9mm Kort en

- een pistool, merk/type Steel Eagle Germany, kaliber 9mm Kort en

- een pistool, merk/type CZ model P-10, kaliber 9mm x 19 en

scherpe patronen/kogels (van categorie II en/of categorie III).

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf en maatregel

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 jaren, met aftrek van voorarrest, en dat aan verdachte tevens de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS-maatregel), met bevel tot dwangverpleging (verpleging van overheidswege) zal worden opgelegd.

9.2.

Het standpunt van de verdediging


De verdediging heeft de rechtbank primair verzocht om toepassing te geven aan het jeugdstrafrecht en verdachte te veroordelen tot de maximale jeugddetentie en de maatregel van Plaatsing in een Inrichting voor Jeugdigen (PIJ-maatregel) op te leggen. Verdachte was pas twintig jaar oud toen hij de feiten pleegde, is op meerdere vlakken kwetsbaar en beperkt en wordt door beide deskundigen als verminderd toerekeningsvatbaar beoordeeld. Uit het persoonlijkheidsonderzoekkomt, tegenover de adviezen van de deskundigen, ook een heel kinderlijk beeld van verdachte naar voren. Verdachte is niet eerder behandeld en uit het verslag van de observatiedocent blijkt dat sturing dan wel pedagogische beïnvloeding bij verdachte wel degelijk mogelijk is.

Indien de rechtbank van oordeel is dat het volwassenenstrafrecht dient te worden toegepast en behandeling van verdachte niet in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegepast, maar slechts in het kader van TBS met dwangverpleging, ligt een gevangenisstraf van acht jaren in combinatie met de TBS-maatregel volgens de verdediging in de rede. De duur van de gevangenisstraf is conform het indicatiepunt voor doodslag zoals dat door het Gerechtshof Den Haag is geformuleerd. Ook als de rechtbank uitgaat van gekwalificeerde doodslag is de eis van de officier van justitie op geen enkele wijze gerechtvaardigd. De verdediging heeft verwezen naar verschillende uitspraken waarin sprake was van (gekwalificeerde) doodslag en een verminderd toerekeningsvatbare verdachte en de straffen die daarbij zijn opgelegd.

De verdediging heeft gewezen op de mogelijkheid om op grond van artikel 37b, tweede lid, Sr de Minister van Rechtsbescherming een advies te geven over wanneer de TBS-behandeling moet worden gestart, zodat de TBS-maatregel vanaf dat moment gelijktijdig kan verlopen met de executie van de gevangenisstraf. Teneinde de TBS-behandeling in ieder geval binnen enigszins afzienbare termijn te laten starten, verzoekt de verdediging een gevangenisstraf op te leggen die de duur van acht jaren niet overschrijdt. Indien de rechtbank toch een hogere gevangenisstraf oplegt, verzoekt de verdediging de rechtbank expliciet in het vonnis op te nemen wanneer volgens de rechtbank de TBS-behandeling dient aan te vangen.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft [slachtoffer] , op klaarlichte dag in het bijzijn van vele omstanders, waaronder kinderen, met meerdere pistoolschoten om het leven gebracht. Deze afschuwelijke daad heeft plaatsgevonden nadat verdachte al meermalen om een horloge had gevraagd, verschillende personen had bedreigd en daadwerkelijk al een schot had afgevuurd in het water, door een ballon heen die één van de aangevers vast had. [slachtoffer] probeerde de ontstane situatie slechts te sussen en wilde het opnemen voor zijn vrienden. Het is zeer kwalijk dat dit hem fataal is geworden. [slachtoffer] was een jonge man die in de bloei van zijn leven was. Dat hij zeer geliefd was, wordt bevestigd door zijn vrienden en familie.

Vaststaat dat het leven [slachtoffer] die dag, door zinloos geweld, tot een abrupt einde is gekomen, en dat verdachte daar verantwoordelijk voor is. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan een van de zwaarste misdrijven die het Wetboek van Strafrecht kent: doodslag.

In plaats dat verdachte [slachtoffer] , die op dat moment zwaargewond op de grond lag, te hulp schoot, vroeg hij nogmaals om horloges en heeft hij het horloge van aangever [benadeelde partij 4] weggenomen. Met dat horloge is verdachte vervolgens weggerend.

Verdachte heeft op zeer lichtvaardige wijze een wapen gebruikt, heeft enkel aan zijn eigen belang gedacht en heeft zich overduidelijk niets aangetrokken van het leven van [slachtoffer] , de grote impact van zijn handelen op de aangevers en de risico’s voor de andere omstanders. Dat is uitermate zorgelijk. Ook ter terechtzitting heeft verdachte weinig empathie getoond of er anderszins blijk van gegeven dat hij zich bewust is van wat hij met zijn handelen teweeg heeft gebracht.

Verdachte heeft de nabestaanden van [slachtoffer] onbeschrijflijk leed toegebracht, zo blijkt ook uit hun slachtofferverklaringen. Zij zijn hun geliefde, vol in het leven staande [slachtoffer] kwijt en moeten de rest van hun leven verder met dit gemis. Zij kunnen het maar niet begrijpen en vragen zich nog altijd af hoe dit zo ver heeft kunnen komen.

Ook op de aangevers heeft deze daad een grote impact gehad. Naast het feit dat zij zich in een beangstigende situatie hebben bevonden, hebben zij gezien hoe hun vriend [slachtoffer] werd neergeschoten. Zoals de aangevers zelf ook hebben verklaard, zullen zij dit nooit vergeten en zullen zij dit beeld de rest van hun leven met zich mee dragen.

Verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een wapen en munitie en het overdragen van twee wapens. Dit vormt een bedreiging voor de veiligheid van personen in de samenleving en maakt een ernstige inbreuk op de rechtsorde.

Persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 18 maart 2021. Hieruit blijkt dat verdachte zich al eerder schuldig heeft gemaakt aan gewelds- en vermogensdelicten en wapenbezit. Daarvoor zijn verschillende straffen aan hem opgelegd. Dit heeft verdachte er kennelijk niet van weerhouden onderhavige feiten te plegen. Verdachte was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten nog maar twintig jaar oud. De rechtbank weegt dit mee in de strafmaat.

Door de GZ-psycholoog drs. M.D. Beijer-Holtman en kinder- en jeugdpsychiater dr. R.F. Ferdinand is in het kader van een observatie in Forensisch Centrum Teylingereind een Pro Justitia rapportage opgemaakt op 16 maart 2021. De deskundigen komen tot de conclusie dat bij verdachte sprake is van een langer bestaand patroon van forse gedragsproblemen, zich uitend in egocentrische, antisociale gedachten en gedragingen en autoriteitsproblemen. Bij verdachte worden een antisociale persoonlijkheidsstoornis, met een relatief hoge mate van psychopathische trekken, een andere gespecificeerde aandachtsdeficiëntie/ hyperactiviteitsstoornis en een stoornis in cannabisgebruik geconstateerd. Deze stoornissen waren volgens de deskundigen, gezien al langer bestaande gedragspatroon hiervan, aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De deskundigen achten het aannemelijk dat deze pathologie een rol heeft gespeeld bij de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte voorafgaand aan en tijdens de ten laste gelegde feiten. Ook zijn er aanwijzingen naar voren gekomen voor een beperking van de keuzevrijheid van verdachte ten gevolge van de bij hem vastgestelde stoornissen. Om die reden adviseren de deskundigen de ten laste gelegde feiten 1 tot en met 4 in verminderde mate toe te rekenen. Het onder feit 5 ten laste gelegde kan volgens de deskundigen volledig aan verdachte worden toegerekend. De kans op toekomstig gewelddadig gedrag wordt door de deskundigen als hoog ingeschat.

Wat betreft de straftoemeting adviseren de deskundigen het volwassenenstrafrecht toe te passen. De beschreven pathologie is inmiddels bestendigd in de persoonlijkheid van verdachte. Zowel in zijn voorgeschiedenis als in het onderhavige onderzoek komen de beschreven persoonlijkheidsaspecten naar voren die het gedrag van verdachte kenmerken. De deskundigen menen dat er weinig beperkingen op het gebied van verdachtes handelingsvaardigheden en weinig mogelijkheden voor pedagogische beïnvloeding worden gezien. De problemen die verdachte heeft met het organiseren van zijn gedrag of met het overzien van de gevolgen van zijn gedrag, komen naar het inzicht van de deskundigen niet voort uit een achterlopende sociaal-emotionele ontwikkeling, maar uit de combinatie van de vastgestelde aandachtstekortstoornis (ADHD) en de antisociale persoonlijkheidsstoornis, die juist vastgesteld is omdat de deskundigen van oordeel zijn dat zijn persoonlijkheid al behoorlijk uitgerijpt is en dat verdachte al relatief verhard in het leven staat. Scholing wordt weliswaar van belang geacht, maar hoeft niet binnen een gestructureerde groepskliniek voor jeugdigen te worden aangeboden. Als contra-indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht noemen de deskundigen dat verdachte al een langere tijd een criminele levensstijl heeft en dat hij wisselend heeft gereageerd op justitiële sancties. Ook is er sprake van antisociale persoonlijkheidsproblematiek en in een relatief hoge mate van psychopathische trekken. Daarnaast gaat verdachte vooral zijn eigen gang, luistert hij niet altijd naar instructies en stelt hij zich niet behulpzaam op.

De deskundigen adviseren de rechtbank de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging aan verdachte op te leggen.

GZ-psycholoog drs. M.D. Beijer-Holtman en kinder- en jeugdpsychiater dr. R.F. Ferdinand zijn op de terechtzitting van 19 april 2021 als deskundige gehoord. Zij hebben hun adviezen bevestigd en daar waar nodig aangevuld. De GZ-psycholoog heeft in aanvulling op de rapportage te kennen gegeven dat hoe langer verdachte niet zal worden behandeld, hoe hardnekkiger zijn problematiek – en daarmee de benodigde behandeling – zal duren.

De rechtbank neemt de conclusies en de adviezen van de deskundigen over. De verdachte is dus verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van de onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten.

Toepassing volwassenenstrafrecht

Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten twintig jaar oud en dus meerderjarig. Op een jongvolwassen verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog onder de 23 jaar, kan het jeugdstrafrecht worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of als de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd daartoe aanleiding geven. Uit voornoemd Pro Justitia onderzoek komt naar voren dat de deskundigen voornamelijk aanwijzingen bij verdachte zien om het volwassenenstrafrecht toe te passen. Indicaties voor toepassing van het jeugdstrafrecht zijn er nagenoeg niet. Ook tijdens de terechtzitting zijn er naar het oordeel van de rechtbank geen aanwijzingen voor toepassing van het jeugdstrafrecht naar voren gekomen. Het voorgaande in aanmerking genomen ziet de rechtbank geen aanknopingspunten om het jeugdstrafrecht toe te passen. De rechtbank zal dan ook toepassing geven aan het volwassenenstrafrecht.

Conclusie ten aanzien van de strafoplegging

Op het plegen van de bewezen verklaarde (gewelds)feiten, die zeer ingrijpend zijn geweest voor de nabestaanden en de slachtoffers en waardoor de maatschappij hevig is geschokt, kan naar het oordeel van de rechtbank om te beginnen niet anders worden gereageerd dan met oplegging van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank zal aan verdachte dan ook een gevangenisstraf van aanzienlijke duur opleggen, maar ziet aanleiding om daarbij af te wijken van de straf zoals die door de officier van justitie is geëist. Allereerst omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring dan de officier van justitie komt, maar ook omdat de rechtbank rekening heeft te houden met straffen die in vergelijkbare zaken worden geëist en opgelegd. Zo hebben verschillende gerechtshoven overwogen dat de strafmaat voor doodslag in de regel tussen de acht en twaalf jaar ligt. De rechtbank ziet geen bijzondere omstandigheden om buiten deze bandbreedte te treden. De rechtbank houdt daarbij rekening met het gegeven dat aan verdachte tevens de maatregel van TBS met dwangverpleging zal worden opgelegd.

Alles afwegend acht de rechtbank voor alle bewezenverklaarde feiten een gevangenisstraf van negen jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

De op te leggen maatregel

De rechtbank acht het noodzakelijk dat verdachte behandeld wordt voor zijn problematiek. De rechtbank zal verdachte daarom, naast de hiervoor genoemde gevangenisstraf, de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging opleggen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Voor oplegging van de TBS-maatregel is vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37, tweede lid, Sr). De rechtbank heeft in het bijzonder acht geslagen op de inhoud van de hiervoor genoemde Pro Justitia rapportage en de verklaring van verdachte, zoals afgelegd op de terechtzittingen van 19 en 22 april 2021. Zoals gezegd wordt het recidiverisico bij verdachte door de deskundigen als hoog ingeschat.


De rechtbank verenigt zich met de weergegeven bevindingen en de conclusies van de deskundigen met betrekking tot het hoge recidiverisico en de noodzaak van een langdurige klinische behandeling in het kader van een TBS-maatregel.

De rechtbank stelt vast dat ook aan de overige wettelijke criteria voor het opleggen van de TBS-maatregel is voldaan. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat op grond van het vorenstaande vaststaat dat bij verdachte een ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond ten tijde van de onder 1 tot en met 4 bewezen geachte feiten. Op de onder de feiten 1 en 2 bewezen verklaarde misdrijven is naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer gesteld. De onder 3 en 4 bewezen verklaarde feiten betreffen een misdrijf zoals genoemd in artikel 37a, eerste lid, Sr. Ook vindt de rechtbank, gelet op de ernst van de feiten en de overwegingen van de gedragsdeskundigen, dat het gevaar dat van de verdachte uitgaat zodanig hoog is dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van de TBS-maatregel met bevel tot verpleging van overheidswege eist. Een behandeling in een minder streng kader, zoals TBS met voorwaarden, is gezien de ernst van de misdrijven, het gebrek aan ziekte-inzicht bij verdachte en een gebrek aan interne behandelmotivatie, in deze zaak niet aan de orde.

De rechtbank zal gelasten dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

De rechtbank constateert dat de onder 1 tot en met 4 bewezen verklaarde feiten kunnen worden aangemerkt als misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, zodat de totale duur van de TBS-maatregel met dwangverpleging langer kan duren dan vier jaar.

Gezien de progressieve aard van de problematiek bij verdachte en het belang om zo spoedig mogelijk van start te gaan met de behandeling daarvan, adviseert de rechtbank, gelet op artikel 37b, tweede lid, Sr, de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege te doen aanvangen met ingang van 1 augustus 2025.

10 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

10.1.

De vorderingen

[benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert € 29.002,68 aan vergoeding van materiële schade (uitvaartkosten Nederland en Curaçao, notariskosten, kosten kleding, gederfde huurinkomsten, toekomstige medische kosten, toekomstige reiskosten medisch en strafzaak en parkeerkosten in verband met ziekenhuis en uitvaart) en € 45.000,00 aan vergoeding van immateriële schade (affectieschade, shockschade/aantasting in de persoon), te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 6.250,00 aan proceskosten (bestaande uit kosten rechtsbijstand en eigen bijdrage kosten rechtsbijstand).

[benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert € 2.410,00 aan vergoeding van materiële schade (kleding in verband met de uitvaart, toekomstige medische kosten en toekomstige reiskosten medisch en strafzaak) en € 52.500,00 aan vergoeding van immateriële schade (affectieschade, shockschade/aantasting in de persoon), te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

[benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert € 2.590,80 aan vergoeding van materiële schade (kleding in verband met de uitvaart, kosten hotelovernachting in verband met uitvaart, toekomstige medische kosten en toekomstige reiskosten medisch en strafzaak) en € 37.500,00 aan vergoeding van immateriële schade (affectieschade, shockschade/aantasting in de persoon), te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Daarnaast vordert de benadeelde partij € 471,18 aan proceskosten, bestaande uit reis- en parkeerkosten in verband met de strafzaak.

Benadeelde partij [benadeelde partij 4]

De benadeelde partij [benadeelde partij 4] vordert € 3.136,36 aan vergoeding van materiële schade (reiskosten in verband met therapie, reiskosten in verband met ‘vakantie’ na incident, gederfde inkomsten, toekomstige medische kosten, toekomstige reiskosten medisch en strafzaak) en € 5.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Daarnaast vordert de benadeelde partij € 36,51 aan proceskosten, bestaande uit reiskosten in verband met de strafzaak.

Benadeelde partij [benadeelde partij 5]

De benadeelde partij [benadeelde partij 5] vordert € 11.098,28 aan vergoeding van materiële schade (reiskosten in verband met medische behandelingen, studievertraging, toekomstige medische kosten en toekomstige reiskosten medisch en strafzaak) en € 5.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 6.336,38 aan proceskosten (bestaande uit reiskosten in verband met de strafzaak, kosten rechtsbijstand en eigen bijdrage risico rechtsbijstand).

Benadeelde partij [benadeelde partij 6]

De benadeelde partij [benadeelde partij 6] vordert € 10.852,60 aan vergoeding van materiële schade (kosten fysiotherapie, kosten manuele therapie, toekomstige kosten, toekomstig eigen risico 2021, toekomstige kosten EMDR-therapie, toekomstig eigen risico 2022 en studievertraging) en € 5.000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

10.2.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van alle benadeelde partijen dienen te worden toegewezen ter hoogte van de bedragen die respectievelijk worden verzocht. De officier van justitie verzoekt de vorderingen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2020 en toepassing te geven aan de schadevergoedingsmaatregel.

10.3.

Het standpunt van de verdediging

De vorderingen benadeelde partij van de nabestaanden

De verdediging heeft de gevorderde kosten die verband houden met de uitvaart [slachtoffer] in Nederland niet betwist en zich ten aanzien van die kosten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Dat geldt ook voor de notariskosten en de parkeerkosten in verband met ziekenhuis en uitvaart.

Ten aanzien van de door benadeelde partij [benadeelde partij 1] gevorderde uitvaartkosten op Curaçao heeft de verdediging opgemerkt dat deze kosten nog niet zijn gemaakt. Primair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van deze post niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Op die manier heeft de benadeelde partij de mogelijkheid zijn vordering bij de burgerlijke rechter aan te brengen. Indien bij deze post sprake zou zijn van kosten die wel al daadwerkelijk zijn gemaakt, zoals vermoedelijk de urn en urnentas, refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Met betrekking tot de gevorderde toekomstige medische kosten en toekomstige reiskosten heeft de verdediging verzocht de benadeelde partijen, conform hun eigen verzoek, niet-ontvankelijk te verklaren.

De verdediging heeft ook verzocht [benadeelde partij 1] ten aanzien van de gevorderde gederfde huurinkomsten niet-ontvankelijk te verklaren, primair omdat artikel 51f, tweede lid, Sv geen basis biedt voor het vorderen van deze kosten. Subsidiair heeft de verdediging verzocht tot niet-ontvankelijkheid, nu uit de toelichting op de vordering blijkt dat het om kostgeld gaat dat (ook) niet als gederfde huurinkomsten kan worden gevorderd. De gevorderde kosten betreffen kosten die [benadeelde partij 1] na het overlijden van zijn zoon niet meer heeft hoeven maken. Daarnaast is het onzeker of het slachtoffer tot maart 2022 thuis zou blijven wonen. Toekomstige schade kan op grond van artikel 6:105 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) ‘na afweging van goede en kwade kansen bij voorbaat geschieden’ indien voldoende concreet onderbouwd wordt dat deze schade ook daadwerkelijk zal worden geleden, wat ten aanzien van deze post niet het geval is.

Ten aanzien van de gevraagde proceskosten bestaat er volgens de verdediging geen reden om af te wijken van het liquidatietarief.

De door [benadeelde partij 3] gevorderde reis- en parkeerkosten, die naar het civiele recht moeten worden beoordeeld, komen gelet op de civiele proceskostenregeling niet voor vergoeding in aanmerking. Indien de rechtbank van oordeel is dat deze kosten wel toewijsbaar zijn, kan de schadevergoedingsmaatregel ten aanzien van dit deel van de vordering niet worden toegepast omdat het om proceskosten gaat.

Ten aanzien van de gevorderde affectieschade heeft de verdediging aangevoerd dat [benadeelde partij 1] , als vader van het slachtoffer, recht heeft op vergoeding van € 20.000,00. [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] komen, als respectievelijk broer en zus van het slachtoffer, niet voor affectieschade in aanmerking en kunnen hier ook via de hardheidsclausule geen aanspraak op maken, nu volgens de verdediging geen sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die maken dat het recht op deze vergoeding zou moeten worden toegekend. De verdediging heeft dan ook verzocht van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren in de vorderingen.

Voor wat betreft de (subsidiair) gevorderde immateriële schade ten titel van aantasting in de persoon geldt dat deze dient te worden afgewezen, nu een wettelijke grondslag hiervoor ontbreekt. Ook de gevorderde shockschade komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat een verklaring van een psycholoog of psychiater ontbreekt. De verdediging heeft verzocht de vordering ten aanzien van deze post niet af te wijzen, maar te beslissen tot niet-ontvankelijkheid, zodat de weg naar de burgerlijke rechter nog openstaat alsook de mogelijkheid de vordering in een eventueel hoger beroep nader toe te lichten.

De vorderingen benadeelde partij van [benadeelde partij 6] , [benadeelde partij 5] en [benadeelde partij 4]

De verdediging heeft de vordering van [benadeelde partij 6] met betrekking tot de kosten voor fysiotherapie en manuele therapie niet betwist en zich ten aanzien daarvan gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Dat geldt ook voor de door benadeelde partij [benadeelde partij 6] gevorderde immateriële schade. De verdediging heeft verzocht benadeelde partij [benadeelde partij 6] ten aanzien van de toekomstige kosten, daaronder begrepen de schadepost studievertraging, niet-ontvankelijk te verklaren, nu onvoldoende blijkt dat die kosten daadwerkelijk zullen worden gemaakt.

Wegens de bepleite vrijspraak heeft de verdediging verzocht benadeelde partij [benadeelde partij 5] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Bij een eventuele bewezenverklaring heeft de verdediging zich gerefereerd ten aanzien van de kosten voor studievertraging. De gevorderde immateriële schade dient in dat geval, ook gezien de beperkte psychische klachten bij de benadeelde partij, te worden gematigd.

Ten aanzien van de proceskosten heeft de verdediging de rechtbank verzocht aansluiting te zoeken bij het liquidatietarief.

De verdediging heeft de vordering van [benadeelde partij 4] voor wat betreft de gevorderde kosten voor therapie niet betwist en zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De benadeelde partij moet ten aanzien van de reiskosten voor vakantie niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat deze schade niet als rechtstreekse schade ten gevolge van het strafbare feit kan worden aangemerkt. Ook ten aanzien van de toekomstige kosten moet de benadeelde partij, conform eigen verzoek, niet-ontvankelijk worden verklaard.

De verdediging heeft verzocht de vordering voor zover deze ziet op de gederfde inkomsten af te wijzen, nu de vordering op dat punt onvoldoende is onderbouwd.

De verdediging heeft verder verzocht het bedrag aan immateriële schade te matigen.

Schadevergoedingsmaatregel

Indien de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel zal opleggen, heeft de verdediging verzocht te bepalen dat bij gebreke van betaling aan de Staat slechts één dag gijzeling wordt toegepast.

10.4.

Het oordeel van de rechtbank

10.4.1.

De vorderingen benadeelde partij van de nabestaanden

Omdat de vorderingen benadeelde partij van de nabestaanden op veel punten betrekking hebben op dezelfde soort schadeposten, zal de rechtbank hun vorderingen gezamenlijk bespreken. Wat de rechtbank hieronder overweegt, is op alle vorderingen gelijk van toepassing, tenzij door de rechtbank expliciet anders wordt overwogen.

Uit de wet (artikelen 51f en 361 Sv) volgt dat alleen diegene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit in het strafproces schadevergoeding kan vragen. Daarop geldt een uitzondering als diegene is overleden door dat strafbare feit. In dat geval kunnen nabestaanden en naasten zich voegen in de strafprocedure en schadevergoeding vragen. De schade waarvoor vergoeding mogelijk is, beperkt zich kort gezegd tot de kosten voor de begrafenis, schade vanwege het wegvallen van het inkomen van degene die is overleden, affectieschade, shockschade en de schadevergoeding die je als erfgenaam kunt vragen.

Materiële schade

Benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De rechtbank stelt vast dat aan benadeelde partij [benadeelde partij 1] door het onder 1 subsidiair bewezen geachte rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De uitvaartkosten in Nederland en de kosten voor de wijnbar (€ 10.440,42), de notariskosten (€ 866,57), de kosten voor kleding (€ 642,98) en de parkeerkosten in verband met het ziekenhuis en de uitvaart (43,26) komen voor vergoeding in aanmerking en zijn voldoende onderbouwd. De verdediging heeft deze kosten niet betwist.

De post ‘uitvaartkosten Curaçao’ (€ 9.008,45) betreft, op de urn en urnentas na, toekomstige schade. De rechtbank is van oordeel dat het om schade gaat waarvan niet is gebleken dat deze evident niet kan worden toegewezen. De rechtbank heeft geen reden om eraan te twijfelen dat [slachtoffer] te zijner tijd bijgezet zal worden in het graf van zijn moeder op Curaçao.

Op grond van artikel 6:105 van het BW zal de rechtbank deze gevorderde toekomstige kosten gedeeltelijk toewijzen. Omdat nog onduidelijk is wat de exact geleden schade zal zijn, schat de rechtbank de toekomstige schade op € 4.000,00. De rechtbank verklaart de benadeelde partij ten aanzien van het overige deel van deze post niet-ontvankelijk in zijn vordering.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarnaast niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover die ziet op de toekomstige medische kosten en toekomstige medische reiskosten en toekomstige kosten voor de strafzaak, omdat deze kosten nog niet zijn gemaakt.

Ook wordt de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering voor wat betreft de gederfde huurinkomsten, nu vergoeding van deze schade buiten het bereik van artikel 51f, tweede lid, Sv valt.

De conclusie is dat de rechtbank de vordering tot vergoeding van materiële schade toewijst tot een bedrag van € 15.993,23. Over een bedrag van € 11.993,23 (de geschatte toekomstige schade uitgezonderd) zal de vordering tot vergoeding van materiële schade vermeerderd worden met de wettelijke rente.

Benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De rechtbank stelt vast dat aan benadeelde partij [benadeelde partij 2] door het onder 1 subsidiair bewezen geachte rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De kosten voor kleding in verband met de uitvaart (€ 410,00) komen voor vergoeding in aanmerking en zijn voldoende onderbouwd. De verdediging heeft deze kosten niet betwist.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover die ziet op de toekomstige medische kosten en toekomstige medische reiskosten en toekomstige kosten voor de strafzaak, omdat deze kosten nog niet zijn gemaakt.

De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade toe tot een bedrag van € 410,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De rechtbank stelt vast dat aan benadeelde partij [benadeelde partij 3] door het onder 1 subsidiair bewezen geachte rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De kosten voor kleding in verband met de uitvaart (€ 276,80) en de kosten voor de hotelovernachting in verband met de uitvaart (€ 314,00) komen voor vergoeding in aanmerking en zijn voldoende onderbouwd. De verdediging heeft deze kosten niet betwist.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering voor zover die ziet op de toekomstige medische kosten en toekomstige medische reiskosten en toekomstige kosten voor de strafzaak, omdat deze kosten nog niet zijn gemaakt.

De rechtbank wijst de vordering tot vergoeding van materiële schade toe tot een bedrag van € 590,80, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Wettelijke rente

De gevorderde wettelijke rente zal de rechtbank toewijzen vanaf de datum van het vonnis, 18 mei 2021, nu door de benadeelde partijen niet duidelijk is gemaakt vanaf welke datum die rente gevorderd wordt per onderdeel van de vordering.

Immateriële schade

Affectieschade

Affectieschade is immateriële schade die iemand lijdt door het verdriet van onder meer het overlijden van een naaste. In de wet, artikel 6:108 lid 4 BW, staat een opsomming van de personen die in aanmerking komen voor vergoeding van affectieschade bij overlijden. Hieronder vallen onder andere ouders, kinderen, partners en zorgrelaties.

[benadeelde partij 1] (vader)

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij [benadeelde partij 1] door de bewezenverklaarde doodslag op zijn zoon [slachtoffer] affectieschade is toegebracht. [slachtoffer] woonde in bij de benadeelde partij, zijn vader. Op grond van het Besluit vergoeding affectieschade heeft hij aanspraak op vergoeding van € 20.000,00 aan affectieschade. De rechtbank wijst dit deel van de vordering van de benadeelde partij dan ook toe tot een bedrag van € 20.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2020.

[benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] (broer en zus)

De rechtbank ziet dat anders ten aanzien van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] , respectievelijk de broer en zus van [slachtoffer] . De rechtbank overweegt als volgt.

Broers en zussen zijn niet opgenomen in de opsomming van personen die aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade, omdat de wetgever er uitdrukkelijk voor heeft gekozen hen niet standaard een recht op affectieschade toe te kennen. Dit sluit niet uit dat zij in bijzondere gevallen een beroep kunnen doen op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 6:108 lid 4 onder g BW.

De rechtbank neemt als uitgangspunt dat bij de uitleg van de hardheidsclausule zoveel mogelijk aangesloten moet worden bij de bedoeling van de wetgever, zoals die blijkt uit de memorie van toelichting en wetsgeschiedenis. In de memorie van toelichting staat dat sprake kan zijn van “een nauwe persoonlijke betrekking” tussen bijvoorbeeld broers en zussen als zij langdurig samenwonen en voor elkaar zorgen. De rechtbank leidt hieruit af dat de wetgever heeft bedoeld dat broers en zussen slechts in uitzonderlijke gevallen aanspraak kunnen maken op vergoeding van affectieschade en dat het onvoldoende is als uitsluitend komt vast te staan dat zij bij elkaar woonden en een goede en hechte band hadden.

De rechtbank begrijpt uit de toelichting op de vorderingen dat [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] een zeer hechte band hadden met hun broer. Dit is evenwel onvoldoende om in aanmerking te komen voor affectieschade via de hardheidsclausule. Deze schadepost is onvoldoende onderbouwd en komt niet voor vergoeding in aanmerking. [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] worden daarom ten aanzien van dit onderdeel van de vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

Shockschade

Een vordering tot vergoeding van shockschade moet worden beoordeeld aan de hand van de rechtspraak van de Hoge Raad. Bij shockschade gaat het om schade van de benadeelde partij zelf bij wie door het waarnemen van het strafbare feit of vanwege de directe confrontatie van de ernstige gevolgen daarvan, een hevige emotionele schok is ontstaan, waardoor diegene geestelijk letsel heeft opgelopen. Er moet uit de waarneming of confrontatie geestelijk letsel zijn voortgevloeid dat in rechte kan worden vastgesteld, wat in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Dat geestelijk letsel zal zich vooral kunnen voordoen als iemand in een nauwe relatie staat met degene die bij het ongeval is gedood of gewond is geraakt. In de rechtspraak worden de voorwaarden om shockschade te vergoeden strikt toegepast.

[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

De rechtbank erkent dat de gevolgen van het gewelddadige overlijden van [slachtoffer] ingrijpend zijn voor zijn nabestaanden en dat dit bij hen heeft geleid – en nog dagelijks leidt – tot pijn en verdriet. Deze erkenning kan echter niet de grond voor toewijzing zijn. Daarvoor moet zijn voldaan aan het hiervoor genoemde criterium van de Hoge Raad. De benadeelde partijen hebben geen onderbouwing aangeleverd waaruit blijkt dat bij hen sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. In de regel wordt een vordering tot vergoeding van shockschade afgewezen als deze niet is onderbouwd met een schriftelijke verklaring van een psycholoog of psychiater. Ook op andere wijze is niet gebleken dat de benadeelde partijen geestelijk letsel hebben opgelopen.

Voor een inhoudelijke beoordeling van de vordering op grond van shockschade zou nader onderzoek nodig zijn. De behandeling daarvan levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. Om die reden zal de rechtbank de benadeelde partijen ten aanzien van de shockschade niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

Aantasting in de persoon

[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3]

De advocaat van de nabestaanden heeft subsidiair bepleit dat de psychische schade van de benadeelde partijen door de confrontatie met hun overleden zoon en broer vergoed kan worden op een andere grondslag te weten “aantasting in de persoon op andere wijze” als bedoeld in artikel 6:106 aanhef en eerste lid onder b, BW.

Deze grond (aantasting in de persoon op andere wijze) geldt ook voor nabestaanden, maar dan alleen in de vorm van shockschade. Dit is onder andere bepaald in het zogenaamde Taxibus-arrest (ECLI:NL:HR:2002:AD5356 en ECLI:NL:HR:2009:BI8583). Uit die arresten kan worden afgeleid dat ten aanzien van nabestaanden in het wettelijk systeem geen plaats is voor vergoeding van schade in de vorm van aantasting in de persoon die geen shockschade is.

Hiervoor heeft de rechtbank al uiteengezet waarom de benadeelde partijen in deze procedure niet in aanmerking komen voor vergoeding van shockschade. De wet geeft dus geen ruimte om daarnaast nog een andere vorm van immateriële schade op grond van artikel 6:106 aanhef en eerste lid onder b, BW toe te wijzen. Bij gebrek aan een wettelijke grondslag zullen de benadeelde partijen daarom in dit deel van hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.

Proceskosten

[benadeelde partij 1]

Kosten voor rechtsbijstand komen voor vergoeding in aanmerking op grond van artikel 592a Sv. Een redelijke uitleg van artikel 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures.

De rechtbank zal de kosten daarom aan de hand van het liquidatietarief, uitgaande van het toegewezen bedrag, bepalen op € 2.884,00 (4 punten à € 721,00).

Daarnaast is er een bedrag van € 250,- gevorderd voor het door [benadeelde partij 1] betaalde eigen risico. Dit bedrag komt voor vergoeding in aanmerking en zal dan ook worden toegewezen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ter zake het overige deel van de gevorderde proceskosten.

[benadeelde partij 3]

De rechtbank wijst de gevorderde proceskosten, bestaande uit € 471,18 aan reis- en parkeerkosten voor de strafzaak, af. Deze kosten komen – met verwijzing naar de artikelen 238, eerste en tweede lid, en 239 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de benadeelde partij op de zitting is bijgestaan door een advocaat.

10.4.2.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Materiële schade

Vaststaat dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht, bestaande uit de reiskosten in verband met therapie (€ 21,60) en de reiskosten in verband met de vakantie na het incident (€ 495,56). De vordering is voor wat betreft die posten voldoende onderbouwd, zodat die kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank vindt de post gederfde inkomsten echter onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarnaast niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover deze ziet op de toekomstige medische kosten en toekomstige medische reiskosten en toekomstige kosten voor de strafzaak, omdat deze kosten nog niet zijn gemaakt.

De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 517,16 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Dat is 18 mei 2021, de datum waarop het vonnis is gewezen.

Immateriële schade

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het onder 2 bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij dacht dat verdachte hem zou neerschieten en heeft gevreesd voor zijn leven. Ten gevolge van het feit heeft de benadeelde partij angstklachten, agitatie en verhoogde spanning opgelopen, zo volgt ook uit de verklaring van een psycholoog, bij wie de benadeelde partij een EMDR-therapie heeft ondergaan. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 2.500,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

De rechtbank wijst dit deel van de vordering toe tot een bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2020.

Proceskosten

De rechtbank wijst de gevorderde proceskosten, bestaande uit € 36,51 aan reis- en parkeerkosten voor de strafzaak, af. Deze kosten komen – met verwijzing naar de artikelen 238, eerste en tweede lid, en 239 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de benadeelde partij op de zitting is bijgestaan door een advocaat.

10.4.3.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Materiële schade

Vaststaat dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht ten aanzien van de reiskosten in verband met de medische behandelingen (€ 23,28) en de kosten voor studievertraging (€ 9.075,00). De vordering is voor wat betreft die posten voldoende onderbouwd, zodat die kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover deze ziet op de toekomstige medische kosten en toekomstige medische reiskosten en toekomstige kosten voor de strafzaak, omdat deze kosten nog niet zijn gemaakt.

De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 9.098,28 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Dat is 18 mei 2021, de datum waarop het vonnis is gewezen.

Immateriële schade

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het onder 4 bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij dacht dat verdachte hem zou neerschieten en heeft gevreesd voor zijn leven. Ten gevolge van het feit heeft de benadeelde partij concentratieproblemen opgelopen. Uit de verklaring van GZ-psycholoog P.P. Mantjes volgt dat bij de benadeelde partij sprake was van een acute stressstoornis. Zijn behandeling heeft bestaan uit onder andere EMDR-therapie. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 2.500,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

De rechtbank wijst dit deel van de vordering toe tot een bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2020.

Proceskosten

De rechtbank wijst de gevorderde proceskosten, bestaande uit € 36,38 aan reis- en parkeerkosten voor de strafzaak, af. Deze kosten komen – met verwijzing naar de artikelen 238, eerste en tweede lid, en 239 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – niet voor vergoeding in aanmerking, omdat de benadeelde partij op de zitting is bijgestaan door een advocaat.

De overige gevorderde proceskosten, bestaande uit de kosten voor rechtsbijstand, komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a Sv. Een redelijke uitleg van artikel 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures.

De rechtbank zal de kosten daarom aan de hand van het liquidatietarief, uitgaande van het toegewezen bedrag, bepalen op € 2.332,00 (4 punten à € 583,00).

Daarnaast is er een bedrag van € 250,00 gevorderd voor het door benadeelde partij [benadeelde partij 5] betaalde eigen risico. Dit bedrag komt voor vergoeding in aanmerking en zal dan ook worden toegewezen. De rechtbank verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ter zake het overige deel van de gevorderde proceskosten.

10.4.4.

De vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 6]

Materiële schade

Vaststaat dat aan de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht ten aanzien van de kosten voor fysiotherapie (€ 88,00) en de kosten voor manuele therapie (€ 469,60). De vordering is voor wat betreft die posten voldoende onderbouwd, zodat die kosten voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank vindt de post studievertraging echter onvoldoende onderbouwd. De rechtbank verklaart de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaart de benadeelde partij daarnaast niet-ontvankelijk in zijn vordering voor zover deze ziet op het toekomstig eigen risico ziektekosten voor het jaar 2021, het toekomstig eigen risico ziektekosten voor het jaar 2022 en de toekomstige kosten voor EMDR-therapie.

De rechtbank zal de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 557,60 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan. Dat is 18 mei 2021, de datum waarop het vonnis is gewezen.

Immateriële schade

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het onder 3 bewezen verklaarde feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Het bewezen verklaarde feit heeft enorme impact op de benadeelde partij gehad. Als gevolg van het feit heeft hij last van angst, woede, spanning en nachtmerries gekregen. Ook had hij last van concentratieproblemen en zelfs van geheugenproblemen, waardoor problemen op school ontstonden. Uit de verklaring van GZ-psycholoog G. van Rijsewijk volgt dat de voorlopige diagnose bij de benadeelde partij een posttraumatische stressstoornis is en dat met EMDR-therapie is gestart. Op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het BW heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 2.500,00. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering.

De rechtbank wijst dit deel van de vordering toe tot een bedrag van € 2.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 augustus 2020.

10.4.5.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal ten aanzien van alle toegewezen vorderingen, met uitzondering van de vorderingen die zien op proceskosten, de schadevergoedingsmaatregel opleggen op hierna te noemen wijze, aangezien verdachte jegens de benadeelde partijen naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de bewezen geachte feiten is toegebracht. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de hierna te noemen duur.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 37b, 57, 285, 287 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26, 31 en 55 van de Wet wapens en munitie.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het onder 1 primair en 1 meer subsidiair ten laste gelegde nietig.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 subsidiair:

doodslag

ten aanzien van feit 2:

afpersing

ten aanzien van feit 3 en feit 4:

telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling

ten aanzien van feit 5:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 31, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot munitie van categorie II en categorie III, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 9 (negen) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Adviseert de Minister voor Rechtsbescherming om de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege met ingang van 1 augustus 2025 te doen aanvangen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] toe tot een bedrag van in totaal € 35.993,23 (zegge vijfendertigduizend negenhonderddrieënnegentig euro en drieëntwintig cent), bestaande uit € 15.993,23 (zegge vijftienduizend negenhonderddrieënnegentig euro en drieëntwintig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 20.000,00 (zegge twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade. De vordering wordt voor het materiële deel tot een bedrag van € 11.993,23 (zegge elfduizend negenhonderddrieënnegentig euro en drieëntwintig cent) vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 mei 2021. De immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 augustus 2020.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ter zake een deel van de post ‘uitvaartkosten Curaçao’, de toekomstige schade, de gederfde huurinkomsten en shockschade/aantasting in de persoon. Dit gedeelte van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 3.134,00. Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ter zake het overige deel van de gevorderde proceskosten. Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ter zake het overige deel van de gevorderde proceskosten.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat € 35.993,23 (zegge vijfendertigduizend negenhonderddrieënnegentig euro en drieëntwintig cent), bestaande uit € 15.993,23 (zegge vijftienduizend negenhonderddrieënnegentig euro en drieëntwintig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 20.000,00 (zegge twintigduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 214 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

De vordering wordt voor het materiële deel tot een bedrag van € 11.993,23 (zegge elfduizend negenhonderddrieënnegentig euro en drieëntwintig cent) vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 mei 2021. De immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 augustus 2020.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van in totaal € 410,00 (zegge vierhonderdtien euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 mei 2021.

Verklaart benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering. Dit gedeelte van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 2] voornoemd.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 2] aan de Staat € 410,00 (zegge vierhonderdtien euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 mei 2021, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 8 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toe tot een bedrag van in totaal € 590,80 (zegge vijfhonderdnegentig euro en tachtig cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 mei 2021.

Verklaart benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ter zake toekomstige schade en affectieschade, shockschade/aantasting in de persoon. Dit gedeelte van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 3] voornoemd.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 3] aan de Staat € 590,80 (zegge vijfhonderdnegentig euro en tachtig cent) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 18 mei 2021, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 11 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] toe tot een bedrag van in totaal € 3.017,16 (zegge drieduizendzeventien euro en zestien cent), bestaande uit € 517,16 (zegge vijfhonderdzeventien euro en zestien cent) aan vergoeding van materiële schade en € 2.500,00 (zegge vijfentwintighonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade. De vordering wordt voor het materiële deel vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 mei 2021. De immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 augustus 2020.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ter zake gederfde inkomsten, toekomstige schade en een deel van de immateriële schade. Dit gedeelte van de vordering kan eventueel worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 4] voornoemd.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 4] aan de Staat € 3.017,16 (zegge drieduizendzeventien euro en zestien cent), bestaande uit € 517,16 (zegge vijfhonderdzeventien euro en zestien cent) aan vergoeding van materiële schade en € 2.500,00 (zegge vijfentwintighonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 40 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

De vordering wordt voor het materiële deel vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 mei 2021. De immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 augustus 2020.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] toe tot een bedrag van in totaal € 11.598,28 (zegge elfduizend vijfhonderdachtennegentig euro en achtentwintig cent), bestaande uit € 9.098,28 (zegge negenduizendachtennegentig euro en achtentwintig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 2.500,00 (zegge vijfentwintighonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade. De vordering wordt voor het materiële deel vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 mei 2021. De immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 augustus 2020.

Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ter zake de toekomstige schade, en een gedeelte van de immateriële schade. Dit gedeelte van de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter. Wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Veroordeelt verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij [benadeelde partij 5] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 2582,00. Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ter zake het overige deel van de gevorderde proceskosten. Verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering ter zake het overige deel van de gevorderde proceskosten.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 5] voornoemd.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 5] aan de Staat € 11.598,28 (zegge elfduizend vijfhonderdachtennegentig euro en achtentwintig cent), bestaande uit € 9.098,28 (zegge negenduizendachtennegentig euro en achtentwintig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 2.500,00 (zegge vijfentwintighonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 92 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

De vordering wordt voor het materiële deel vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 mei 2021. De immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 augustus 2020.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6] toe tot een bedrag van in totaal € 3.057,60 (zegge drieduizendzevenenvijftig euro en zestig cent), bestaande uit € 557,60 (zegge vijfhonderdzevenenvijftig euro en zestig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 2.500,00 (zegge vijfentwintighonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade. De vordering wordt voor het materiële deel vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 mei 2021. De immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 augustus 2020.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is. Dit gedeelte van de vordering kan eventueel worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 6] voornoemd.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 6] aan de Staat € 3.057,60 (zegge drieduizendzevenenvijftig euro en zestig cent), bestaande uit € 557,60 (zegge vijfhonderdzevenenvijftig euro en zestig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 2.500,00 (zegge vijfentwintighonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 40 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

De vordering wordt voor het materiële deel vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 mei 2021. De immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 8 augustus 2020.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. F.W. Pieters en I. Mannen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. V.R. Hofstee, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 mei 2021.

1 De rechtbank merkt op dat in de gewijzigde tenlastelegging onder feit 1 primair kennelijk abusievelijk de namen van de aangevers zijn vermeld. Deze aangevers hebben vanaf het begin van het onderzoek te kennen gegeven dat zij anoniem wensen te blijven en om die reden is bepaald de aangevers bij nummer te vermelden in plaats van bij naam. De rechtbank heeft de tenlastelegging daarom in zoverre aangepast, dat zij de namen van de aangevers vervangen heeft door de aan hen toegekende nummers. De rechtbank zal de aangevers ook verder in het vonnis bij nummer aanduiden.

2 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

3 Proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde partij 4] van 8 augustus 2020, p. ZD04 02 0037-0038.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] bij de rechter-commissaris op 16 februari 2021, p. 2.

5 Proces-verbaal ter terechtzitting van 19 april 2021, verklaring van verdachte.

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde partij 5] bij de rechter-commissaris op 9 februari 2021, p. 2.

7 Proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde partij 6] van 18 augustus 2020, p. ZD04 02 0097 en proces-verbaal ter terechtzitting van 19 april 2021 (verklaring verdachte) en proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde partij 4] op 5 februari 2021, p. 2.

8 Proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde partij 6] van 18 augustus 2020, p. ZD04 02 0097.

9 Proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde partij 4] van 8 augustus 2020, p. ZD 04 02 0038.

10 Proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde partij 5] van 8 augustus 2020, p. ZD 04 02 0010.

11 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] van 8 augustus 2020, p. ZD 04 02 0026.

12 Proces-verbaal ter terechtzitting van 19 april 2021 (verklaring verdachte) en proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde partij 4] bij de rechter-commissaris op 5 februari 2021, p. 7.

13 Proces-verbaal van verhoor getuige [benadeelde partij 4] bij de rechter-commissaris op 5 februari 2021, p. 4.

14 Proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde partij 5] van 8 augustus 2020, p. ZD 04 02 0010.

15 Proces-verbaal forensisch onderzoek - schouw slachtoffer, p. ZD04 04 0019.

16 Een rapport van 12 augustus 2020, zijnde een pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, p. ZD04 04 0226 en ZD04 04 0230, meer i.h.b. p. 0228 onder punt 5.

17 Een geschrift van 3 september 2020, zijnde een radiologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, p. ZD04 04 0157.

18 Een rapport van 12 augustus 2020, zijnde een pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, p. ZD04 04 0226 en ZD04 04 0230.

19 Dit betreft een opsporingstechniek van de politie waarbij een getuige geconfronteerd wordt met een aantal geselecteerde foto’s waaronder een van verdachte.

20 Proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde partij 6] van 18 augustus 2020, p. ZD04 02 0097.

21 Proces-verbaal van aanhouding van 12 augustus 2020, p. ZD04 05 0001.

22 Proces-verbaal van verhoor verdachte bij de rechter-commissaris van 14 augustus 2020, p. 1.

23 Proces-verbaal ter terechtzitting van 19 april 2021(verklaring verdachte).

24 Proces-verbaal van verhoor verdachte van 27 augustus 2020, p. ZD04 06 0042-0043.

25 Proces-verbaal forensisch onderzoek voertuig (Toyota [kenteken] ) van 20 augustus 2020, p. ZD04 04 0059 t/m 0062.

26 Proces-verbaal van bevindingen herkenning horloge Rolex van 21 augustus 2020, p. ZD04 03 0156.

27 Proces-verbaal bevindingen onderzoek sporttas van 18 augustus 2020, p. ZD04 03 0133 en proces-verbaal Wapenonderzoek van 17 augustus 2020 , p. ZD04 04 54-58.

28 Proces-verbaal van bevindingen van 20 augustus 2020, p. ZD04 03 0159.

29 Proces-verbaal van verhoor verdachte op 19 augustus 2020, p. ZD04 06 0094.

30 Proces-verbaal van bevindingen onderzoek Samsung – goednr 5954964, p. ZD05 03 0006.

31 Proces-verbaal wapenonderzoek van 13 augustus 2020, p. ZD05 04 0001 t/m 0003.

32 Proces-verbaal wapenonderzoek van 13 augustus 2020, p. ZD05 04 0001 t/m 0003.

33 Proces-verbaal ter terechtzitting van 19 april 2021 (verklaring verdachte).

34 Een rapport van 2 november 2020, zijnde een wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Amsterdam op 8 augustus 2020, p. ZD04 04 0224.

35 Een geschrift van 3 september 2020, zijnde een radiologisch onderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet natuurlijke dood, p. ZD04 04 0156.

36 Proces-verbaal verhoor getuige [benadeelde partij 5] bij de rechter-commissaris op 9 februari 2021, p. 2-3.