Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2405

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
14-05-2021
Zaaknummer
13/130195-20 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft twee mannen op korte afstand in het gezicht gespuugd. Vrijspraak van mishandeling, nu uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat er bij aangevers sprake was van enig fysiek gevolg. Veroordeling voor belediging tot een taakstraf van 30 uren met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet verdachte schadevergoeding betalen aan aangevers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/130195-20 (Promis)

Datum uitspraak: 14 mei 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1998,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

uit andere hoofde gedetineerd in [naam PI] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J.M. Vreekamp en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. C.H. van Keulen naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 12 april 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door op korte afstand (met consumptie) in en/of in de richting van het gezicht en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te spugen, althans te hoesten en/of te kuchen;

2.

hij op of omstreeks 12 april 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] in hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd door op korte afstand (met consumptie) in en/of in de richting van het gezicht en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] te spugen, althans te hoesten en/of te kuchen.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Inleiding

De heer [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en de heer [slachtoffer 2] (hierna [slachtoffer 2] ) hebben een relatie met elkaar. Op 12 april 2020 liepen zij hand in hand over straat, toen zij door een aantal jongens uit de buurt werden aangesproken. Er ontstond een woordenwisseling waarbij [slachtoffer 2] heeft gefilmd hoe hij en [slachtoffer 1] werden uitgescholden en er beledigende woorden over homo’s werd geroepen. Nadat het eerste groepje jongens was vertrokken, reden verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op een scooter langs [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , op ongeveer een meter afstand. Verdachte bestuurde de scooter en medeverdachte [medeverdachte] zat achterop.

Volgens [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zouden beide verdachten hen in het gezicht hebben gespuugd. Hiervan hebben zij aangifte gedaan. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bevestigen dat zij op de scooter hebben gereden en dat zij een woordenwisseling met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gehad. Ter zitting hebben zij verklaard dat zij uit emotie op de grond hebben gespuugd, maar niet in het gezicht van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

3.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar het op schrift gestelde requisitoir – op het standpunt gesteld dat beide feiten kunnen worden bewezen. De verklaring van verdachte dat hij op de grond heeft gespuugd om aan te geven dat de omstanders afstand moesten houden is onaannemelijk, nu niet is gebleken dat er zoveel omstanders waren dat verdachte genoodzaakt was om er vanaf zijn scooter op deze wijze voor te zorgen dat zij afstand hielden. Uit de aangiftes, de chatgesprekken en de verklaring van getuige [getuige 1] volgt dat verdachte aangevers in het gezicht heeft gespuugd. Het spugen kan volgens de officier van justitie, naast belediging, ook als mishandeling worden gekwalificeerd, omdat verdachte bij aangevers opzettelijk een hevige onlust veroorzakende gewaarwording van het lichaam heeft teweeggebracht.

3.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich – onder verwijzing naar de op schrift gestelde pleitnota – primair op het standpunt gesteld dat verdachte van beide feiten moet worden vrijgesproken, omdat verdachte heeft verklaard dat hij op de grond heeft gespuugd nadat hij werd omsingeld door omstanders. Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw zich subsidiair op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken, omdat geen sprake is van lichamelijk letsel, pijn of een min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwording van het lichaam. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4.

Oordeel van de rechtbank

3.4.1.

Oordeel over feit 2

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte heeft gespuugd in het gezicht van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Uit de aangifte van [slachtoffer 2] en de verklaring van getuige [getuige 1] volgt dat aangevers door beide jongens in het gezicht zijn gespuugd. Tevens blijkt uit een chatgesprek tussen verdachte ( [verdachte] ) en medeverdachte [medeverdachte] ( [medeverdachte] ) het volgende:

[medeverdachte] : Met het spugen konden ze corona geven
[verdachte] : Ja a g is misdaad
[verdachte] : Drm zeg ik je ze hebben sws aangifte gedaan

(..)

[verdachte] : ze hebben niets aan ons
[verdachte] : Er is geen bewijs dat we hebben gespuugd op ze

Uit deze chat volgt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bespreken wat er met hen gaat gebeuren als de politie er achter komt dat zij op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gespuugd. Tevens begrijpen zij dat het een strafbaar feit is, zeker tijdens de corona-pandemie. De verklaring van verdachte dat hij alleen op de grond heeft gespuugd, vindt de rechtbank dan ook volstrekt ongeloofwaardig.

3.4.2.

Vrijspraak van feit 1

De rechtbank is van oordeel dat feit 1 niet kan worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (NJ 1929, p. 503) kan niet alleen het veroorzaken van pijn, maar ook het bij een ander teweegbrengen van ‘min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in of aan het lichaam’ onder omstandigheden mishandeling opleveren. Met andere woorden: er moet sprake zijn van een zeer onaangename fysieke ervaring.

Naar het oordeel van de rechtbank kan onder omstandigheden het bespuugd worden een zeer onaangename fysieke ervaring zijn. Dat dit in het concrete geval voor degene die bespuugd is ook daadwerkelijk het geval is geweest, zal uit de bewijsmiddelen moeten volgen.

Verdachte heeft beide aangevers in hun gezicht gespuugd. Aangevers hebben hierover verklaard dat zij dit ontzettend vies vonden en dat zij bang waren dat ze waren besmet met het coronavirus. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat er bij aangevers sprake was van enig fysiek gevolg, bijvoorbeeld dat aangevers hier misselijk van zijn geworden. Iets vies vinden en bang zijn voor besmetting met het coronavirus duidt naar het oordeel van de rechtbank meer op een onaangename psychische ervaring, zoals zich angstig of bedreigd voelen. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van de onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

2.

op 12 april 2020 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd door op korte afstand in het gezicht van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] te spugen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren met aftrek van voorarrest, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheden dat er bij verdachte geen sprake is van homohaat en dat de zaak veel media-aandacht heeft gehad, hetgeen verdachte niet onberoerd heeft gelaten. Verder is verdachte onlangs veroordeeld voor een langdurige gevangenisstraf. Wanneer onderhavige zaak was meegenomen in die strafoplegging, dan had dit hoogstwaarschijnlijke niet gezorgd voor een wezenlijk hogere straf. De raadsvrouw heeft primair verzocht om verdachte schuldig te verklaring zonder strafoplegging. Subsidiair moet aan verdachte een straf gelijk aan het voorarrest en een taakstraf worden opgelegd.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van aangevers door hen op korte afstand in het gezicht te spugen. Dit is volstrekt onacceptabel en respectloos gedrag, met name in een tijd waarin de samenleving zwaar onder druk staat door de heersende coronapandemie. In je gezicht gespuugd worden is bovendien ontzettend vies.

De rechtbank vindt dat ook deze zaak aan discriminatoir karakter heeft, nu verdachte samen was met medeverdachte [medeverdachte] , die aangevers heeft uitgescholden voor kankerhomo’s. Uit het dossier is gebleken dat deze gang van zaken ook door omstanders is gezien. Aangevers hebben verklaard dat zij zich vernederd en gediscrimineerd voelen en dat zij zich niet meer vrij voelen om hand in hand over straat te lopen. In Nederland leven we in een samenleving waar iedereen zich veilig moet kunnen voelen om uit te komen voor zijn of haar seksualiteit en levensovertuiging, ook wanneer dit botst met de opvattingen van anderen. Dat verdachte heeft bijgedragen aan een gevoel van onveiligheid en vernedering richting aangevers, neemt de rechtbank hem kwalijk.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 28 maart 2021. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. De rechtbank stelt vast dat verdachte op 9 maart 2021 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk en een proeftijd van 2 jaar. Aangezien deze veroordeling later heeft plaatsgevonden dan de pleegdatum in onderhavige zaak, houdt de rechtbank rekening met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting gekeken naar de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting (LOVS), waarin voor belediging als uitgangspunt een geldboete van € 150,- wordt genoemd. Gelet op voornoemde omstandigheden, alsmede de omstandigheid dat verdachte op zitting geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen, vindt de rechtbank oplegging van een geldboete niet aangewezen.

Alles afwegende vindt de rechtbank een taakstraf voor de duur van 30 uur passend. De rechtbank wijkt hiermee af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. De tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, zal op de straf in mindering worden gebracht.

8 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.

Vorderingen

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vorderen ieder € 1.000,- aan vergoeding van immateriële schade.

De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de

wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen worden toegewezen tot een bedrag van € 400,-, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige moeten de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

8.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vorderingen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard vanwege de bepleitte vrijspraak. Subsidiair moet de vorderingen worden gematigd tot € 150,-.

8.4.

Oordeel van de rechtbank

8.4.1.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Vast staat dat aan [slachtoffer 1] door het onder 2 en 3 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van de strafbare feiten in zijn eer of goede naam is aangetast.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 400,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2020.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.4.2

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Vast staat dat aan [slachtoffer 2] door het onder 2 en 3 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van de strafbare feiten in zijn eer of goede naam is aangetast en geestelijk letsel heeft opgelopen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, waaronder een brief van 5 mei 2020 waarin GZ-psycholoog A. Najjarkakhaki PTSS-symptomen bij [slachtoffer 2] heeft vastgesteld en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 500,-.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.5.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien

verdachte jegens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22b, 22c, 36f, 57, 63 en 266 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

eenvoudige belediging, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 30 (dertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 15 (vijftien) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 400,- (vierhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2020, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 400,- (vierhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade te betalen, te vermeerderen met de

wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 8 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2020, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade te betalen, te vermeerderen met de

wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. P.L.C.M. Ficq en M.T.C. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 mei 2021.