Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2403

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
28-05-2021
Zaaknummer
13-751731-20
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Polen - executie. Verlenging beslistermijn voor nieuwe OLW blijft geldig. Verweer art. 12 OLW verworpen. Overlevering toestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751731-20

RK nummer: 20/4281

Datum uitspraak: 12 mei 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 1 september 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 26 februari 2019 door the Circuit Court in Lublin (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in [detentieplaats] .

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 oktober 2020. Het verhoor heeft – via telehoren – plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. V.G. Kraal, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW (oud) uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. De rechtbank heeft de opgeëiste persoon meegedeeld dat de overleveringsdetentie niet zal worden geschorst, nu de rechtbank van oordeel is dat het vluchtgevaar zeer groot is en niet kan worden ingeperkt met het stellen van voorwaarden.

De rechtbank heeft de behandeling op 30 oktober 2020 geschorst voor onbepaalde tijd in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie op de prejudiciële vragen die zijn gesteld in de uitspraken van 31 juli 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:3776) en 3 september 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:4328).

De rechtbank heeft de behandeling met instemming van partijen in gewijzigde samenstelling hervat op de openbare zitting van 28 april 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman en door een tolk in de Poolse taal.

2 Ten aanzien van de beslistermijn

Op 1 april 2021 is de Wet van 3 maart 2021 tot herimplementatie van onderdelen van het kaderbesluit van de Raad van de Europese Unie betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (wijziging van de Overleveringswet)1 (hierna: Herimplementatiewet) in werking getreden. De Herimplementatiewet kent een nieuwe regeling voor de beslistermijn. Deze regeling houdt in dat wanneer de rechtbank binnen 90 dagen nog geen uitspraak heeft kunnen doen op het verzoek tot overlevering, zij de beslistermijn enkel nog (telkens) kan verlengen indien zij in afwachting is van een uitspraak van het Hof van Justitie over prejudiciële vragen (artikel 22, vierde lid, OLW) of indien er een onderzoek is ingesteld naar een (mogelijk) reëel gevaar van een schending van de grondrechten zoals bedoeld in artikel 11, eerste lid, OLW (artikel 22, vijfde en zesde lid, OLW).

De Herimplementatiewet bevat geen overgangsregeling en heeft onmiddellijke werking. Als gevolg daarvan zijn ook de nieuwe leden 4-6 van artikel 22 OLW van toepassing “op nieuwe situaties en op het moment van inwerkingtreding bestaande situaties”.2 Een redelijke wetsuitleg brengt mee dat onder “op het moment van inwerkingtreding bestaande situaties” niet zijn begrepen gevallen waarin vóór de inwerkingtreding van de Herimplementatiewet de beslistermijn al voor onbepaalde tijd was verlengd op grond van het kaderbesluitconforme uitgelegde oude lid 4 van die bepaling.

In de onderhavige zaak heeft de rechtbank de beslistermijn voor de inwerkingtreding van de Herimplementatiewet al voor onbepaalde tijd verlengd. Deze onder het regime van het oude, kaderbesluitconform uitgelegde artikel 22 OLW genomen beslissing is nog steeds rechtsgeldig. De Herimplementatiewet bevat naar het oordeel van de rechtbank geen bepaling die daarin verandering brengt.

Uitgaande van de vaststelling dat de Herimplementatiewet de rechtsgeldigheid van een beslissing tot verlenging voor onbepaalde tijd onder het regime van het oude artikel 22 OLW onverlet laat, is de rechtbank van oordeel dat de nieuwe verlengingsregeling niet van toepassing is wanneer de rechtbank al vóór de inwerkingtreding van de Herimplementatiewet de beslistermijn heeft verlengd voor onbepaalde tijd.

3 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

4 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB en de aanvullende informatie van 27 juni 2019 wordt melding gemaakt van een judgement of the Court of appeal in Lublin van 15 december 2016 met kenmerk II Aka 175/16, hoger beroep inzake de judgement of the Circuit Court in Lublin van 14 december 2015 met kenmerk IV K 102/10.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van een jaar en zes maanden door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

Dit arrest betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

5.1

Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

5.1.1

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de overlevering moet worden geweigerd nu de opgeëiste persoon niet aanwezig is geweest op de zitting waarop de uitspraak is gedaan. In de brief met aanvullende informatie staat dat hij in 2016 in persoon is verschenen bij de zitting van het hoger beroep maar de datum van die zitting ontbreekt. Dit leidt tot teveel vraagtekens, zodat onduidelijk is of de opgeëiste persoon zijn verdedigingsrecht heeft kunnen uitoefenen.

5.1.2

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de overlevering moet worden toegestaan. Vast staat dat de opgeëiste persoon in hoger beroep op de zitting aanwezig is geweest. Als er andere zittingsdagen zijn geweest waarbij hij niet aanwezig is geweest levert dat in ieder geval onder het gewijzigde artikel 12 OLW geen weigeringsgrond meer op.

5.1.3.

Oordeel rechtbank

Uit de aanvullende informatie van de uitvaardigende justitiële autoriteit van 27 juni 2019 blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon aanwezig is geweest op de zitting in hoger beroep. De weigeringsgrond van artikel 12 OLW doet zich niet voor. De rechtbank verwerpt het verweer en ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden om nadere informatie op te vragen.

6 Strafbaarheid

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod

7 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan de feiten. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet aangetoond.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

8 Poolse rechtsstaat

Artikel 47 Handvest

De rechtbank merkt verder op dat zij in eerdere uitspraken heeft geoordeeld dat sprake is van een zorgelijke ontwikkeling in Polen en van structurele en/of fundamentele gebreken wat de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht van Polen betreft. Dit overleveringsverzoek ziet echter op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die geruime tijd geleden is opgelegd, te weten bij het eerder aangehaalde arrest van 15 december 2016. Niet is gebleken van een verband tussen dit arrest en voornoemde, naderhand opgetreden gebreken. Die gebreken hebben dus in het concrete geval geen afbreuk kunnen doen aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie die dat vonnis heeft gewezen.

9 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

10 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.

11 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the Circuit Court in Lublin (Polen).


Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en J.A.A.G. de Vries rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Spanjaart, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 12 mei 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 Stb. 125.

2 Kamerstukken II 2020/21, 35535, 7, p. 24.