Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2402

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
14-05-2021
Zaaknummer
13/116334-20 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft aangevers uitgescholden voor “kankerhomo’s” en hen op korte afstand in het gezicht gespuugd. Vrijspraak van mishandeling, nu uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat er bij aangevers sprake was van enig fysiek gevolg. Veroordeling voor belediging tot een taakstraf van 50 uur met aftrek van voorarrest. Daarnaast moet verdachte schadevergoeding betalen aan aangevers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/116334-20 (Promis)

Datum uitspraak: 14 mei 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2000,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J.M. Vreekamp en van wat verdachte en zijn raadsman mr. I. Baardman naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 12 april 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft mishandeld door op korte afstand (met consumptie) in en/of in de richting van het gezicht en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te spugen, althans te hoesten en/of te kuchen;

2.

hij op of omstreeks 12 april 2020 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] in hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd door op korte afstand (met consumptie) in en/of in de richting van het gezicht en/of lichaam van die [slachtoffer 1] en/of die [slachtoffer 2] te spugen, althans te hoesten en/of te kuchen;

3.

hij op of omstreeks 12 april 2020 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het openbaar en/of in hun tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: ‘Vieze homo’s’, en/of ‘kankerhomo’s’, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Inleiding

De heer [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en de heer [slachtoffer 2] (hierna [slachtoffer 2] ) hebben een relatie met elkaar. Op 12 april 2020 liepen zij hand in hand over straat, toen zij door een aantal jongens uit de buurt werden aangesproken. Er ontstond een woordenwisseling waarbij [slachtoffer 2] heeft gefilmd hoe hij en [slachtoffer 1] werden uitgescholden en er beledigende woorden over homo’s werd geroepen. Nadat het eerste groepje jongens was vertrokken, reden verdachte en medeverdachte [medeverdachte] op een scooter langs [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , op ongeveer een meter afstand. Medeverdachte [medeverdachte] bestuurde de scooter en verdachte zat achterop.

Volgens [slachtoffer 1] zou verdachte “kankerhomo’s!” hebben geroepen en beide verdachten zouden [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het gezicht hebben gespuugd. Zij hebben van beide handelingen aangifte gedaan. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bevestigen dat zij op de scooter hebben gereden en dat zij een woordenwisseling met [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gehad. Ter zitting hebben zij verklaard dat zij uit emotie op de grond hebben gespuugd, maar niet in het gezicht van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Tevens ontkent verdachte dat hij “kankerhomo’s!” zou hebben geroepen.

3.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich – onder verwijzing naar het op schrift gestelde requisitoir – op het standpunt gesteld dat alle feiten kunnen worden bewezen. De officier van justitie vindt de verklaring van verdachte dat hij op de grond heeft gespuugd onaannemelijk, nu uit de aangiftes, de chatgesprekken en de verklaring van getuige [getuige 1] volgt dat verdachte aangevers in het gezicht heeft gespuugd. Het spugen kan volgens de officier van justitie, naast belediging, ook als mishandeling worden gekwalificeerd, omdat verdachte bij aangevers opzettelijk een hevige onlust veroorzakende gewaarwording van het lichaam heeft teweeggebracht.

3.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – onder verwijzing naar de op schrift gestelde pleitnotitie – vrijspraak bepleit van feit 1, nu uit de bewijsmiddelen niet blijkt dat er bij aangevers sprake was van een zeer onaangename fysieke ervaring. Het spugen kan daarom niet worden gekwalificeerd als mishandeling. Ten aanzien van feit 2 en feit 3 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.4.

Oordeel van de rechtbank

3.4.1.

Oordeel over feit 3

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte “kankerhomo’s” heeft geroepen in de richting van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Dit volgt uit zowel de aangifte van [slachtoffer 1] als de verklaring van getuige [getuige 1] . [slachtoffer 1] heeft gehoord dat verdachte meerdere keren “kankerhomo’s” riep. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij hoorde dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] voor “vieze homo’s” (of woorden van gelijke strekking) werden uitgemaakt. Gelet hierop vindt de rechtbank de ontkennende verklaring van verdachte niet geloofwaardig. Dat deze bewoordingen beledigend van aard zijn, behoeft geen nadere bespreking.

3.4.2.

Oordeel over feit 2

De rechtbank vindt eveneens bewezen dat verdachte heeft gespuugd in het gezicht van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Uit de aangiftes van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en de verklaring van getuige [getuige 1] volgt dat verdachte aangevers in het gezicht heeft gespuugd. Tevens blijkt uit een chatgesprek tussen verdachte ( [verdachte] ) en medeverdachte [medeverdachte] (M) het volgende:

[verdachte] : Met het spugen konden ze corona geven
[medeverdachte] : Ja a g is misdaad
[medeverdachte] : Drm zeg ik je ze hebben sws aangifte gedaan

(..)

[medeverdachte] : ze hebben niets aan ons
[medeverdachte] : Er is geen bewijs dat we hebben gespuugd op ze

Uit deze chat volgt dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] bespreken wat er met hen gaat gebeuren als de politie er achter komt dat zij op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben gespuugd. Tevens begrijpen zij dat het een strafbaar feit is, zeker tijdens de corona-pandemie. De verklaring van verdachte dat hij alleen op de grond heeft gespuugd, vindt de rechtbank dan ook volstrekt ongeloofwaardig.

3.4.3.

Vrijspraak van feit 1

De rechtbank is van oordeel dat feit 1 niet kan worden bewezen en overweegt daartoe als volgt.

Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (NJ 1929, p. 503) kan niet alleen het veroorzaken van pijn, maar ook het bij een ander teweegbrengen van ‘min of meer hevige onlust veroorzakende gewaarwordingen in of aan het lichaam’ onder omstandigheden mishandeling opleveren. Met andere woorden: er moet sprake zijn van een zeer onaangename fysieke ervaring.

Naar het oordeel van de rechtbank kan onder omstandigheden het bespuugd worden een zeer onaangename fysieke ervaring zijn. Dat dit in het concrete geval voor degene die bespuugd is ook daadwerkelijk het geval is geweest, zal uit de bewijsmiddelen moeten volgen.

Verdachte heeft beide aangevers in hun gezicht gespuugd. Aangevers hebben hierover verklaard dat zij dit ontzettend vies vonden en dat zij bang waren dat ze waren besmet met het coronavirus. Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat er bij aangevers sprake was van enig fysiek gevolg, bijvoorbeeld dat aangevers hier misselijk van zijn geworden. Iets vies vinden en bang zijn voor besmetting met het coronavirus duidt naar het oordeel van de rechtbank meer op een onaangename psychische ervaring, zoals zich angstig of bedreigd voelen. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken van de onder feit 1 ten laste gelegde mishandeling.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van feit 2:

op 12 april 2020 te Amsterdam, opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd door op korte afstand in het gezicht van die [slachtoffer 1] en die [slachtoffer 2] te spugen;

Ten aanzien van feit 3:

op 12 april 2020 te Amsterdam opzettelijk [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] in het openbaar en in hun tegenwoordigheid mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: “kankerhomo’s”.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur met aftrek van voorarrest, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de omstandigheden dat verdachte een first offender is en dat het incident, gezien de media-aandacht, ook voor hem veel nadelige gevolgen heeft gehad. Gelet op de Landelijke Oriëntatiepunten voor Straftoemeting (LOVS) heeft de raadsman verzocht om aan verdachte een geldboete op te leggen.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belediging van aangevers vanwege hun seksuele geaardheid, door hen “kankerhomo’s” te noemen en hen op korte afstand in het gezicht te spugen. Dit is volstrekt onacceptabel en respectloos gedrag, met name in een tijd waarin de samenleving zwaar onder druk staat door de heersende coronapandemie. In je gezicht gespuugd worden is bovendien ontzettend vies. Aangevers hebben verklaard dat zij zich vernederd en gediscrimineerd voelen en dat zij zich niet meer vrij voelen om hand in hand over straat te lopen. In Nederland leven we in een samenleving waar iedereen zich veilig moet kunnen voelen om uit te komen voor zijn of haar seksualiteit en levensovertuiging, ook wanneer dit botst met de opvattingen van anderen. Dat verdachte heeft bijgedragen aan een gevoel van onveiligheid en vernedering richting aangevers, neemt de rechtbank hem kwalijk.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 12 maart 2021. Hieruit blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting gekeken naar de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting (LOVS), waarin voor belediging als uitgangspunt een geldboete van € 150,- wordt genoemd. Gelet op voornoemde omstandigheden en de omstandigheid dat verdachte op zitting geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden heeft genomen, vindt de rechtbank het opleggen van een geldboete niet aangewezen.

Alles afwegende vindt de rechtbank een taakstraf voor de duur van 50 uur passend. De rechtbank wijkt hiermee af van de eis van de officier van justitie, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt. De tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, zal op de straf in mindering worden gebracht.

8 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

8.1.

Vorderingen

De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] vorderen ieder € 1.000,- aan vergoeding van immateriële schade.

De benadeelde partijen hebben gevorderd de schadevergoeding te vermeerderen met de

wettelijke rente en aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen kunnen worden toegewezen tot een bedrag van € 600,-, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige moeten de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

8.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat een deel van de geleden immateriële schade is gelegen in het incident dat zich voor onderhavige zaak heeft afgespeeld. De raadsman heeft de rechtbank verzocht om bij het schatten van de immateriële schade aansluiting te zoeken bij de volgende arresten: ECLI:NL:GHAMS:2020:3673 en ECLI:NL:GHARL:2021:591.

8.4.

Oordeel van de rechtbank

8.4.1.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Vast staat dat aan [slachtoffer 1] door het onder 2 en 3 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade, aangezien de benadeelde partij ten gevolge van de strafbare feiten in zijn eer of goede naam is aangetast.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 400,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 april 2020.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.4.2

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Vast staat dat aan [slachtoffer 2] door het onder 2 en 3 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van de strafbare feiten in zijn eer of goede naam is aangetast en geestelijk letsel heeft opgelopen.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, waaronder een brief van 5 mei 2020 waarin GZ-psycholoog A. Najjarkakhaki PTSS-symptomen bij [slachtoffer 2] heeft vastgesteld en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 500,-.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van dit deel van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8.5.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien

verdachte jegens de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 22b, 22c, 36f, 57 en 266 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2 en feit 3:

telkens: eenvoudige belediging, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 50 (vijftig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 25 (vijfentwintig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot een bedrag van € 400,- (vierhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2020, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 400,- (vierhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade te betalen, te vermeerderen met de

wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 8 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Benadeelde partij [slachtoffer 2]

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2020, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat € 500,- (vijfhonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade te betalen, te vermeerderen met de

wettelijke rente daarover vanaf 12 april 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 10 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door
mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,
mrs. P.L.C.M. Ficq en M.T.C. de Vries, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. S. van Gerven griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 mei 2021.