Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2401

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
13-751970-20
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Luxemburg, vervolging, verweer genoegzaamheid: mate van betrokkenheid, terugkeergarantie, overlevering toestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751970-20

RK nummer: 20/5476

Datum uitspraak: 12 mei 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 18 november 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 7 oktober 2020 door de Juge d’Instruction te Luxemburg en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 28 april 2021, Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een Mandat d'arret van 6 oktober 2020.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Luxemburgs recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Genoegzaamheid

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft zich op het standpunt gesteld dat, hoewel de feiten uitvoerig zijn omschreven, de mate van betrokkenheid niet voldoende duidelijk wordt. Het feit dat in het A formulier wordt vermeld dat de opgeëiste persoon perpetrator is, maakt dit niet anders. Ook in het EAB moet de mate van betrokkenheid beschreven worden.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten genoegzaam zijn omschreven en dat de mate van betrokkenheid voldoende duidelijk wordt, gezien de omschrijving in het EAB gelezen in samenhang met het A formulier.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In de onderhavige zaak geldt het volgende. In het EAB wordt omschreven dat de opgeëiste persoon verdacht wordt van betrokkenheid als dader bij 11 feiten, gepleegd op 3 oktober 2019, te weten diefstal met braak uit meerdere geparkeerde auto’s en pogingen daartoe. Daarnaast wordt de opgeëiste persoon verdacht van het witwassen van de gestolen goederen. Uit de omschrijving in het EAB wordt voldoende duidelijk dat de opgeëiste persoon de verdachte is van deze feiten. Daarnaast wordt de opgeëiste persoon in het A formulier als perpetrator aangewezen. Het is voor de opgeëiste persoon genoegzaam duidelijk waartegen hij zich dient te verdedigen. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

4 Strafbaarheid

4.1.

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit 11 waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit het strafbare feit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Feit 11 valt op deze lijst onder nummer 9, te weten:

witwassen van opbrengsten van misdrijven

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op dit feit Luxemburgs recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

4.2.

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de overige feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan indien voldaan wordt aan de eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a 2°, OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het

misdrijf heeft verschaft door middel van braak

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De Delegate of the General Public Prosecutor te Luxemburg heeft bij brief van 4 december 2020 de volgende garantie gegeven:

“(…) hereby guarantees that if Mr. [opgeëiste persoon] is surrendered to the Luxembourgish judicial authorities and sentenced to an unconditional prison sentence without appeal in Luxembourg after the surrender, he will be allowed to serve this sentence in the Netherlands”

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat deze garantie onvoldoende is. De garantie is cryptisch en impliceert dat de garantie enkel geldt als de opgeëiste persoon niet in hoger beroep gaat. De raadsman heeft verzocht om aanhouding teneinde een garantie zonder dit voorbehoud te verkrijgen.

De officier van justitie heeft zich verzet tegen aanhouding en gesteld dat de garantie voldoende is. De garantie moet zo worden gelezen dat de opgeëiste persoon terug kan keren naar Nederland als een eventuele veroordeling onherroepelijk is.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende. De garantie bevat de onvoorwaardelijke toezegging dat de opgeëiste persoon een eventuele gevangenisstraf in Nederland mag uitzitten en dat hij zal worden teruggeleverd op het moment dat een veroordeling onherroepelijk is. De rechtbank ziet geen aanleiding de zaak aan te houden.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

Ook feit 11 is naar Nederlands recht strafbaar en levert op:

Uit op de opbrengst van enig goed voordeel trekken, terwijl hij redelijkerwijs moet vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betreft

6 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

7 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 311, 417bis Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6 en 7 OLW.

8 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan de Juge d’Instruction te Luxemburg

STELT VAST dat de geschorste overleveringsdetentie is beëindigd.


Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. M. van Mourik en J.A.A.G. de Vries rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K. Spanjaart, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 12 mei 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.