Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:240

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-01-2021
Datum publicatie
29-01-2021
Zaaknummer
13/142268-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 25-jarige man is veroordeeld tot 6 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en 240 uur taakstraf en 4 jaar rijontzegging, omdat hij op 4 juni 2019 in Amsterdam-West een verkeersongeval veroorzaakte waarbij een fietsster zwaar lichamelijk letsel opliep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/142268-19

Datum uitspraak: 22 januari 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortegegevens] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 januari 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Refos, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. R.M.F.R. Ketwaru, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat

1.

door zijn schuld op 4 juni 2019 te Amsterdam een verkeersongeval heeft plaatsgevonden ten gevolge waarvan [slachtoffer] (zwaar) lichamelijk letsel werd toegebracht, door met een door hem bestuurde personenauto, terwijl hij (zijnde een beginnend bestuurder) onder invloed van alcohol verkeerde, en met een te hoge snelheid over een tram-/busbaan reed, op een kruising niet of onvoldoende op te letten op de overstekende fietsster [slachtoffer] , dan wel (subsidiair) het zich dusdanig gedragen dat daardoor gevaar op de weg werd veroorzaakt;

2.

hij zich op 4 juni 2019 te Amsterdam als beginnend bestuurder schuldig heeft gemaakt aan het besturen van een personenauto na gebruik van een meer dan de toegestane hoeveelheid alcohol;

3.

hij op 4 juni 2019 te Amsterdam, nadat hij een verkeersongeval had veroorzaakt, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat aan [slachtoffer] daarbij letsel en/of schade was toegebracht.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht. Deze bijlage geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

Feit 3: Ontvankelijkheid

De raadsman heeft aangevoerd dat het Openbaar Ministerie gelet op artikel 184 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) niet-ontvankelijk is in de strafvervolging van verdachte omdat verdachte binnen twaalf uur na het ongeval vrijwillig heeft gemeld dat hij het ongeval heeft veroorzaakt.

De rechtbank verwerpt het verweer.

Verdachte heeft weliswaar binnen twaalf uur na het ongeval daarvan aan verbalisanten kennis gegeven, maar de rechtbank is van oordeel dat verdachte dit niet vrijwillig deed als bedoeld in artikel 184 WVW. Verdachte kwam immers eerst tot zijn verklaring toen hem bij thuiskomst na het ongeval bleek dat de verbalisanten al bij zijn woning waren. Zij waren daar terechtgekomen doordat zij de eigenaar van de auto door middel van het in de autoruiten gegraveerde kenteken hadden weten te achterhalen. De kentekenplaten bleken van de auto te zijn verwijderd.

De rechtbank komt gelet hierop tot de conclusie dat de officier van justitie wel ontvankelijk is in de vervolging van verdachte voor feit 3.

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ook ten aanzien van de overige feiten ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 WVW wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Verdachte heeft zeer onoplettend, onvoorzichtig en onachtzaam gereden. Verdachte reed met zeer hoge snelheid, onder invloed van alcohol als beginnend bestuurder door de drukke stad over de trambaan. Hoewel verdachte op een voorrangsweg reed, was voor het slachtoffer op geen enkele manier voorzienbaar dat verdachte over de trambaan aan zou komen scheuren. Op basis van de situatie zoals die voor haar was te overzien heeft het slachtoffer niet onbegrijpelijk of verkeerd gehandeld.

Ook het onder 2 ten laste gelegde rijden onder invloed van alcohol, en het onder 3 ten laste gelegde doorrijden na een ongeval kunnen worden bewezen.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in zijn pleidooi naar voren gebracht dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Er kan geen sprake zijn van schuld in de zin van artikel 6 WVW omdat het ongeval niet alleen aan verdachte valt toe te rekenen. Beide partijen hebben een aandeel gehad in de totstandkoming daarvan. Verdachte betwist niet dat hij onder invloed, te hard, op de trambaan heeft gereden, maar uit de dossier blijkt dat het slachtoffer geen voorrang heeft verleend.

Ook is vrijspraak voor artikel 6 WVW aan de orde omdat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld dat de door verdachte gereden snelheid in combinatie met zijn alcoholgebruik het ongeval heeft veroorzaakt. Zelfs als verdachte zich aan de toegestane snelheid zou hebben gehouden, in combinatie met zijn alcoholgebruik, zou het ongeval niet te voorkomen zijn geweest. Verdachte heeft immers verklaard dat het slachtoffer ineens voor zijn auto was, dat het leek alsof zij uit de lucht kwam vallen.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat hoewel verdachte zelf anders heeft verklaard, op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat het ten tijde van het ongeval niet regende en dat er geen sprake was van een nat wegdek. Verdachte heeft verklaard dat hij 60-65 km/u heeft gereden. De conclusies uit het onderzoek waaruit zou volgen dat dit minstens 70 km/u moet zijn geweest zijn niet betrouwbaar wegens een gebrek aan nader onderzoek. De conclusie luidt dat geen sprake kan zijn van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Over het bewijs van de onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft de verdediging geen opmerkingen gemaakt.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

Feit 2: Vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat zij op basis van het dossier niet kan vaststellen dat er een rechtsgeldig onderzoek naar het alcoholgehalte in het bloed van verdachte als bedoeld in artikel 8 WVW heeft plaatsgevonden.

Van ‘een onderzoek’ zoals bedoeld in artikel 8 lid 3, onder b WVW is slechts sprake indien de waarborgen zijn nageleefd waarmee de wetgever dat onderzoek met het oog op de betrouwbaarheid van de resultaten daarvan heeft omkleed. Tot die waarborgen behoren onder meer het voorschrift van artikel 13 lid 1, onder d, Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer (hierna: Besluit), dat ertoe strekt dat na de bloedafname bloedmonsters zo spoedig mogelijk naar een voor het bloedonderzoek geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14 lid 2 Besluit worden gezonden, en de voorschriften die betrekking hebben op het bewaren en het vervoeren van het afgenomen bloedmonster in verband met het uitvoeren van het bloedonderzoek.

De bloedmonsters zijn op 5 juni 2019 bij verdachte afgenomen, en blijkens het rapport ‘Toxicologisch onderzoek naar aanleiding van een vermoedelijke overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet’ op 5 augustus 2019 door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) ontvangen.

Gezien het tijdsverloop van twee maanden tussen het afnemen van het bloed en de ontvangst daarvan door het NFI, kan de rechtbank zonder nadere informatie niet vaststellen of de bloedmonsters daadwerkelijk zo spoedig mogelijk door de politie naar het NFI zijn verzonden.

Het proces-verbaal rijden onder invloed vermeldt slechts dat de verbalisant zich ervan heeft vergewist dat de bloedmonsters overeenkomstig het bepaalde in het Besluit verzonden zijn naar het NFI, maar niet wanneer de bloedmonsters precies zijn verzonden en onder welke condities.

Nu niet kan worden vastgesteld dat de waarborg van een zo spoedig mogelijke verzending in acht is genomen, kan evenmin worden vastgesteld dat er sprake is van "een onderzoek" als bedoeld in artikel 8, derde lid, WVW. Verdachte zal daarom van het onder 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Feit 1: Schuld in de zin van artikel 6 WVW

Bij de beoordeling van de vraag of een verdachte schuld heeft aan een ongeval in de zin van artikel 6 WVW komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Het gaat daarbij om aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam verkeersgedrag waardoor het ongeval en de gevolgen daarvan zijn ontstaan.

De Hoge Raad heeft ook overwogen dat niet in zijn algemeenheid kan worden aangegeven of een enkele verkeersfout voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW. Bij die beoordeling zijn meerdere factoren van belang.
Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.1

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat het ongeval aan verdachtes schuld te wijten is, omdat hij zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam is geweest.

Verdachte reed op 4 juni 2019 met zijn auto over de Admiraal de Ruijterweg te Amsterdam. Verdachte reed daarbij niet op de gewone rijbaan maar, hoewel hij daarvoor geen ontheffing had, op de tram-/busbaan. Verdachte heeft verklaard dat hij op de trambaan ging rijden om het overige verkeer in halen. Daaruit leidt de rechtbank af dat verdachte ook ten doel had om harder te rijden dan het verkeer op voor hem bestemde rijbaan. Aangekomen bij de kruising met de Willem de Zwijgerlaan heeft vervolgens een aanrijding plaatsgevonden tussen verdachte en een voor verdachte gezien van rechts komende fietsster die de Admiraal de Ruijterweg aan het oversteken was. Als gevolg van de aanrijding heeft de fietsster zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Snelheid

De rechtbank stelt vast dat verdachte ten tijde van het ongeval aanzienlijk harder heeft gereden dan de ter plaatse toegestane 50 km/u.

Verdachte heeft zelf verklaard dat hij 60 – 65 km/u reed. Het NFI heeft op basis van camerabeelden, schadefoto’s en werpafstanden, de snelheid van de auto op het moment van het ongeval ingeschat op ten minste 70 km/u. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan deze inschatting van het NFI. Dat er nadien geen nader onderzoek (door middel van botsproeven) is gehouden, wat een meer specifieke onder- en bovengrens voor de botssnelheid had kunnen opleveren, maakt dit niet anders. De bevindingen van het NFI sluiten aan bij een groot aantal verklaringen van getuigen, die vrijwel zonder uitzondering tot een (veel) hogere inschatting van de snelheid komen; onder andere [getuige 1] : 70 of 80 km/u, [getuige 2] : minstens 90 km/u, [getuige 3] : 80 á 90 km/u (noodvaart), [getuige 4] : 80 km/u, [getuige 5] : 80 km/u, [getuige 6] : 100 km/u (ontzettend hard), [getuige 7] : boven de 80 km/u (reed als een idioot), [getuige 8] 80 á 100 km/u, [getuige 9] : heeft nog nooit een auto zo hard zien rijden in de stad.

Alcoholgebruik

Zoals hiervoor uiteengezet ten aanzien van het onder feit 2 tenlastegelegde kan niet worden vastgesteld dat er een rechtsgeldig onderzoek naar het alcoholgehalte in het bloed van verdachte heeft plaatsgevonden. Om die reden kan het exacte alcoholgehalte in het bloed van verdachte ook niet worden vastgesteld.

De rechtbank stelt echter wel vast dat verdachte de auto heeft bestuurd terwijl hij onder invloed van alcohol verkeerde.

Verdachte heeft immers zowel bij de politie als ter terechtzitting verklaard dat hijvoorafgaand aan het ongeval alcohol heeft gedronken, terwijl hij wist dat hij daarna nog in de auto zou gaan rijden. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard twee alcoholische drankjes te hebben genuttigd op een parkeerplaats in Osdorp. Uit zijn verklaring bij de politie leidt de rechtbank echter af dat verdachte kort voor de aanrijding zowel op de parkeerplaats als later bij een speeltuin alcohol heeft gedronken. Bovendien namen verbalisanten bij de aanhouding van verdachte waar dat zijn adem sterk naar het gebruik van alcoholische drank rook.

Verder heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij (hooguit) een beetje aangeschoten was, maar dat hij wel denkt dat het gebruik van alcohol een rol heeft gespeeld bij de aanrijding, en dat hij ook weet dat door te gaan autorijden na gebruik van alcohol ‘de gevaren omhoog gaan’.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat kan worden vastgesteld dat verdachte voorafgaand aan het ongeval een dusdanige hoeveelheid alcohol heeft genuttigd dat dit zijn rijvaardigheid negatief heeft beïnvloed.

Medeschuld van het slachtoffer (geen voorrang verlenen)

Medeschuld van een slachtoffer kan slechts in uitzonderlijke gevallen de verwijtbaarheid van de verdachte aantasten of in de weg staan aan de vereiste causaliteit tussen het verkeersgedrag van de verdachte en de aanrijding. Van een dergelijke uitzonderlijk geval is in de onderhavige zaak naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

Verdachte reed met hoge snelheid over de bus-/trambaan waarbij hij ander verkeer, dat wel van de gewone rijbaan gebruik maakte, inhaalde. Weliswaar reed verdachte over een voorrangsweg en waren er op de plaats waar het slachtoffer de weg overstak haaientanden op het wegdek geplaatst, maar gelet op de snelheid waarmee verdachte reed en zijn positie op de weg, was geen sprake van een situatie waarin van het slachtoffer mocht worden verwacht dat zij verdachte tijdig zou zien aankomen zodat zij wellicht nog adequaat had kunnen reageren. Verdachte mocht er gezien zijn rijgedrag ook niet van uitgaan dat dit wel het geval zou zijn. De rechtbank heeft daarbij ook de verklaring van de getuige [getuige 6] in aanmerking genomen. Die heeft verklaard dat zij zag dat de fietsster afremde maar niet meer kon stoppen, waaruit de rechtbank afleidt dat het slachtoffer volledig werd verrast door de hoge snelheid en vermoedelijk ook door de positie van verdachte op de weg.

Conclusie

Verdachte heeft tijdens tussenstops gedronken, wetende dat hij direct daarna weer de auto in zou stappen, hij is in strijd met de regels op de trambaan gaan rijden om het verkeer op de rijbaan in te kunnen halen en hij heeft veel harder gereden dan ter plaatse was toegestaan. Gelet op het geheel van de gedragingen van verdachte, de keuzes die hij heeft gemaakt, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval – zoals hiervoor overwogen – beschouwt de rechtbank het verkeersgedrag van verdachte als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam en is derhalve van oordeel dat het ongeval aan verdachte zijn schuld te wijten is.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1. primair

op 4 juni 2019 te Amsterdam, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een personenauto, daarmee rijdende over de Admiraal de Ruijterweg, zich zodanig, te weten zeer onvoorzichtig en onoplettend en onachtzaam heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten

- hersenletsel en

- klaplongen en

- breuken in de ribben en

- een sleutelbeenbreuk en

- een gescheurde milt en

- breuken in de ruggenwervels,

werd toegebracht,

bestaande dat gedrag hieruit:

verdachte heeft gereden over de Admiraal de Ruijterweg, komende uit de richting van de De Clercqstraat, en gaande in de richting van de Jan Evertsenstraat,

- terwijl verdachte onder invloed van alcohol verkeerde,

- terwijl verdachte reed met een snelheid die veel hoger was dan de ter plaatse toegestane snelheid van 50 kilometer per uur,

- terwijl verdachte reed over een tram-/busbaan zonder over de benodigde ontheffing te beschikken,

verdachte is, gekomen bij de kruising Admiraal de Ruijterweg en Willem de Zwijgerlaan,

verdachte is vervolgens, het kruisingsvlak van de Admiraal de Ruijterweg en de Willem de Zwijgerlaan overgestoken,

verdachte heeft vervolgens niet tijdig en voldoende afgeremd,

verdachte is vervolgens niet, althans niet tijdig en voldoende uitgeweken,

verdachte is vervolgens tegen voornoemde [slachtoffer] , die gezien zijn, verdachtes rijrichting, doende was de Admiraal de Ruijterweg van rechts naar links over te steken, aangereden,

verdachte heeft zich bij het oversteken niet vergewist dat voornoemd kruisingsvlak vrij was van enig kruisend verkeer, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] vorenomschreven zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht,

terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994;

3.

hij, als degene door wiens gedraging een verkeersongeval was veroorzaakt, welke gedraging hij als bestuurder van een motorrijtuig had verricht en welk verkeersongeval had plaatsgevonden in Amsterdam op de Admiraal de Ruijterweg, op 4 juni 2019 de plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, aan een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en schade was toegebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

7 De strafbaarheid van het feit

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straffen en maatregelen

9.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1 primair, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van 4 jaren.

9.2

Het standpunt/strafmaatverweer van de verdediging

Verdachte beseft dat hij verkeerd bezig is geweest en heeft vrijwel direct het boetekleed aangetrokken en zijn verantwoordelijkheid genomen. Hij heeft een bekennende verklaring afgelegd en heeft zich ook van begin af aan zorgen gemaakt om de situatie van het slachtoffer aan wie hij twee excuusbrieven heeft geschreven. Verdachte is first offender.

Ook moet rekening gehouden worden met het feit dat verdachte hartproblemen heeft waarvoor de komende maanden diverse onderzoeken staan gepland. Verder staat hij op de wachtlijst bij GGZ inGeest in verband met psychische problemen. De broer van verdachte is schizofreen en licht verstandelijk beperkt en sterk van verdachte afhankelijk, onder andere voor wat betreft zijn medicijninname.

Gelet op uitspraken van rechtbanken in vergelijkbare zaken zou een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een taakstraf, en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, dan wel een kortere ontzegging dan door de officier van justitie gevorderd, op zijn plaats zijn.

9.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt, ten gevolge waarvan de destijds vierentwintigjarige [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte wilde in verband met zijn verjaardag en het Suikerfeest snel naar huis, en heeft daarbij bewust de risico’s op alle mogelijke fronten opgezocht. Verdachte is een beginnend bestuurder en is – na alcohol te hebben gedronken – in de auto gestapt. Verdachte is vervolgens (zonder ontheffing) rijdend over de bus-/trambaan met een veel te hoge snelheid een kruising opgereden. Daardoor heeft hij een overstekende fietsster over het hoofd gezien. De rechtbank rekent dit verdachte aan als zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam rijgedrag.

Na het veroorzaken van het ongeval is verdachte niet gestopt maar is hij, hoewel hij wist dat hij een ongeval had veroorzaakt, zonder zich in eerste instantie te bekommeren om het slachtoffer met onverminderde snelheid doorgereden, waarbij hij nog bijna in botsing kwam met een tram. Pas toen bij thuiskomst de politie reeds bij zijn woning aanwezig bleek te zijn heeft verdachte bekend de veroorzaker van het ongeval te zijn.

De gevolgen van het ongeval zijn van grote invloed geweest op het leven van het slachtoffer, zoals ook gebleken is uit haar ter zitting voorgelezen slachtofferverklaring. Zij heeft gedurende vijf dagen na het ongeval in coma gelegen en er werd gevreesd voor haar leven.

Na drie weken ziekenhuis opname volgden vele maanden van revalidatie, zowel intern als poliklinisch. Het slachtoffer werd gedurende lange tijd ernstig beperkt in haar dagelijkse bezigheden, waaronder haar studie Arabisch. Tot op de dag van vandaag ondervindt zij nog zowel de fysieke als psychische gevolgen van het ongeval. Pijn in haar rug en blijvende littekens maken dat zij nog dagelijks aan het ongeval wordt herinnerd. Gevoelens van angst en onrust zijn constant aanwezig. Het vertrouwen in de mensen maar ook in haarzelf is ernstig geschonden.

De rechtbank heeft voor wat betreft de strafoplegging gekeken naar straffen die voor soortgelijke gevallen door rechtbanken en gerechtshoven worden opgelegd en de oriëntatiepunten voor straftoemeting. De rechtbank acht, anders dan de officier van justitie, het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in dit geval niet op zijn plaats. Zij neemt daarbij naast het tijdsverloop, het ongeval vond inmiddels anderhalf jaar geleden plaats, met name ook de nog jeugdige leeftijd van verdachte in aanmerking. Verder

betrekt zij hierbij de houding van verdachte zoals hij die niet alleen ter terechtzitting maar ook voordien na zijn aanhouding heeft laten zien. Verdachte lijkt inmiddels oprecht berouw van zijn handelen te hebben, en heeft op meerdere momenten zijn medeleven met het slachtoffer getoond en zijn excuses aangeboden.

Ook wordt rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens een uittreksel uit het justitieel documentatieregister van 8 december 2020 voor het verkeersomgeval niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen en met zijn gecompliceerde thuissituatie.

Gelet op de mate van schuld die de rechtbank bewezen acht, de ernst van de verweten gedraging en de gevolgen daarvan, acht de rechtbank in dit geval het opleggen van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een maximale taakstraf passend en geboden.

De voorwaardelijke gevangenisstraf strekt er mede toe verdachte ervan te doordringen in de toekomst de grootst mogelijke voorzichtigheid in het verkeer in acht te nemen.

Daarnaast acht de rechtbank in het kader van de verkeersveiligheid het opleggen van een langdurige ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen noodzakelijk.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 57 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 6, 7, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Met betrekking tot feit 1 primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Met betrekking tot feit 3:

Overtreding van artikel 7, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Veroordeelt verdachte voorts tot een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag.

Ontzegt verdachte terzake van het onder 1 primair bewezenverklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 4 (vier) jaren, met aftrek van de tijd die het rijbewijs reeds ingevorderd en ingehouden is geweest.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter,

mrs. R.C.J. Hamming en P.K. Oosterling - van der Maarel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. West, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2021.

1 Zie onder meer de arresten van de Hoge Raad van 1 juni 2004, LJN AO5822 en van 29 april 2008, LJN BD0544.