Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2396

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
21-05-2021
Zaaknummer
13/102534-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot diefstal met braak in vereniging. Taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/102534-19

Datum uitspraak: 4 mei 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1982,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen:

[adres verdachte] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 21 april 2021. Verdachte was bij de behandeling ter terechtzitting niet aanwezig. De raadsman van verdachte, mr. M.L. van Gaalen, was aanwezig en heeft verklaard uitdrukkelijk te zijn gemachtigd door verdachte om namens hem de verdediging te voeren.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J.H. van der Meij, en van wat de raadsman van verdachte naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 27 april 2019 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een woning aan de [adres 1] , een of meer goederen en/of geld van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat

geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen en/of geld onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming en/of

een valse sleutel, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

- de (centrale) (toegangs)deur van het appartementencomplex geforceerd en/of

vernield, en/of

- zich naar voornoemde woning begeven, en/of

- het (cilinder)slot van de (voor)deur van voornoemde woning geforceerd en/of vernield,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, gelet op de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen. Zij heeft daarbij onder meer verwezen naar de aangifte van [benadeelde partij] (hierna: [benadeelde partij] ), de verhoren van de getuigen [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ) en [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ), en het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , waaruit volgt dat er schade is toegebracht aan de deuren van zowel het appartementencomplex als de voordeur van de woning aan de [adres 1] . Er is bij de poging tot woninginbraak gebruik gemaakt van de zogenoemde kerntrekmethode. Zowel de aangever als de verbalisanten beschrijven immers dat er iets in het cilinderslot is gezet, waarmee het slot uit de deur kan worden getrokken. Op basis van voornoemde getuigenverklaringen, in samenhang met het proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , waarin zij de achtervolging beschrijven, en het forensisch onderzoek aan de drinkpakjes- en flesjes die in de auto zijn aangetroffen, staat vast dat verdachte met medeverdachten [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) in de auto heeft gezeten. Verdachte en de medeverdachten zijn tijdens de woninginbraak op heterdaad betrapt, waarna zij per auto zijn weggevlucht voor de politie. Hierbij weegt de officier van justitie mee dat er in de auto handschoenen en een lockpicker met instructie zijn aangetroffen en verdachte zich, net zoals zijn medeverdachten, steeds op zijn zwijgrecht heeft beroepen terwijl de omstandigheden schreeuwen om een verklaring.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte van het ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. Uit de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] is niet af te leiden welke personen de poging tot woninginbraak hebben gepleegd. Het signalement van de man die door getuige [getuige 1] wordt aangeduid als NN1, is te onbepaald om te kunnen vaststellen dat dit signalement specifiek toebehoort aan één persoon. Uit het dossier blijkt voorts niet dat de auto die getuige [getuige 1] heeft gezien, dezelfde auto betreft als de auto waarin medeverdachte [medeverdachte 2] later wordt aangehouden, noch dat verdachte en/of medeverdachte [medeverdachte 1] in die auto hebben gezeten. Dat uit forensisch onderzoek blijkt dat de handschoen in de auto van medeverdachte [medeverdachte 2] DNA bevat van medeverdachte [medeverdachte 1] , is verklaarbaar nu uit het dossier blijkt dat zij elkaar kennen. De drinkpakjes uit de auto waarop het DNA van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] is aangetroffen, betreffen verplaatsbare items. Daarom kan niet worden uitgesloten dat het DNA al op de goederen zat voordat deze in de auto werden aangetroffen, of dat de goederen door iemand in die auto zijn gelegd. Voorts kan op grond van de omstandigheden waaronder verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zijn aangehouden, niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat zij in de auto van medeverdachte [medeverdachte 2] hebben gezeten. Daarnaast kan ten aanzien van het gereedschap dat onder verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] is aangetroffen, niet worden vastgesteld dat dit is gebruikt bij de poging tot inbraak, noch dat de goederen zijn te kwalificeren als inbrekersgereedschap.

4.3

Oordeel van de rechtbank

Inleiding

De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen het volgende vast. Op 27 april 2019 hoort getuige [getuige 1] dat er bij haar buren aan de [adres 1] wordt aangebeld. Zij ziet vervolgens een man. Nadat zij een kort gesprek met NN1 heeft gevoerd, loopt hij naar een blauwe Volkswagen die schuin tegenover de woning staat. Als getuige [getuige 1] haar woning verlaat, ziet zij NN1 met een andere man in de auto zitten. Veertig minuten later ziet zij dezelfde Volkswagen nog steeds in de buurt van haar woning. Getuige [getuige 2] hoort ook dat er bij haar buren wordt aangebeld en ziet personen met handschoenen door het appartementencomplex lopen in de richting van haar bovenburen. Zij hoort vervolgens een geluid wat erop lijkt dat er een deur wordt geforceerd. Later wordt door de politie schade vastgesteld aan de centrale toegangsdeur van het appartementencomplex en aan de voordeur van de woning aan de [adres 1] .

Wanneer de verbalisanten ter plaatse komen, zien zij twee personen instappen in een blauwe Volkswagen. Wanneer de verbalisanten contact zoeken met de inzittenden van de auto, rijdt deze er met hoge snelheid vandoor. De verbalisanten zetten een achtervolging in, waarbij de Volkswaren een aantal keren uit hun zicht raakt doordat ze een andere route nemen. Wanneer zij de Volkswagen met behulp van collega’s klem weten te rijden, zit er nog maar één persoon in het voertuig. Dit blijkt medeverdachte [medeverdachte 2] te zijn. Op de hoek van de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] wordt vervolgens in de bosschages, vlakbij het water, verdachte aangetroffen. In het water drijven een tas en twee zwarte handschoenen. In die tas worden een schroevendraaier en een bouwsleutel aangetroffen. Voorts wordt medeverdachte [medeverdachte 1] hevig transpirerend aangetroffen in de zolderbox van een woning, niet ver van de [straatnaam 2] .

Is verdachte schuldig aan het medeplegen van een poging tot woninginbraak?

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast op basis van de aangifte, de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] en het proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] betreffende de schade, dat er op 27 april 2019 een poging tot woninginbraak in vereniging heeft plaatsgevonden aan de [adres 1] . Daarbij acht de rechtbank het van belang dat beide getuigen verklaren dat zij in en voor het appartementencomplex meerdere verdachte personen hebben waargenomen.

De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of verdachte de persoon is die zich in vereniging heeft schuldig gemaakt aan de poging tot woninginbraak. Daarbij acht de rechtbank het volgende van belang.

De rechtbank stelt vast op basis van de getuigenverklaring van [getuige 1] en het proces-verbaal van bevindingen op dossierpagina 42, dat de blauwe Volkswagen waarin NN1 en NN2 door deze getuige zijn waargenomen, dezelfde Volkswagen betreft waarin medeverdachte [medeverdachte 2] later door de verbalisanten wordt aangehouden. De Volkswagen wordt immers kort na de waarneming door getuige [getuige 1] en vlakbij de plaats waar zij die auto heeft gezien, door de verbalisanten waargenomen. Zij zien dat er twee personen in de blauwe Volkswagen stappen, terwijl er nog een derde persoon in de auto zit. Dat de blauwe kleur van de Volkswagen daarbij door de verbalisanten niet nader is omschreven, acht de rechtbank niet van belang.

De rechtbank staat vervolgens voor de vraag of niet alleen medeverdachte [medeverdachte 2] , maar ook verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] in de auto hebben gezeten. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend op basis van de bewijsmiddelen in het dossier. Het DNA van verdachte wordt aangetroffen op het rietje van een drinkpakje in de auto van medeverdachte [medeverdachte 2] . Het DNA van medeverdachte [medeverdachte 1] wordt eveneens aangetroffen op het rietje van een drinkpakje en op handschoenen in de auto van verdachte. Uit de plaats waar het DNA is gevonden, te weten op het rietje van een drinkpakje, stelt de rechtbank vast dat het DNA niet toevallig op het drinkpakje terecht kan zijn gekomen. Het verweer van de raadsman, dat niet kan worden uitgesloten dat het DNA op die goederen terecht is gekomen voordat deze zich in de auto bevond of door iemand anders in de auto zijn gelegd, acht de rechtbank dan ook niet aannemelijk. De rechtbank verwerpt het verweer.

Daarnaast weegt de rechtbank mee dat uit het dossier blijkt dat in ieder geval de medeverdachten elkaar kennen. Voorts weegt de rechtbank mee dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] dichterbij de plaats delict worden aangetroffen dan medeverdachte [medeverdachte 2] . Dit sterkt de rechtbank in de overtuiging dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] in de auto hebben gezeten en voor de aanhouding van verdachte zijn uitgestapt, toen zij uit zicht waren van de verbalisanten. Ook weegt de rechtbank de wijze waarop verdachte en de medeverdachten zijn aangehouden mee. Medeverdachte [medeverdachte 2] scheurt weg zodra hij de verbalisanten ziet en wordt na een politieachtervolging aangehouden. De verbalisanten beschrijven ten aanzien van verdachte dat hij in de bosschage springt zodra hij de agenten ziet en zijn tas, waarin later gereedschap wordt aangetroffen, samen met zijn handschoenen in het water gooit. Medeverdachte [medeverdachte 1] wordt door de verbalisanten kort na de poging tot woninginbraak hevig transpirerend aangetroffen in een zolderbox van een woning dichtbij de [adres 1] met een deken over zijn hoofd en schaafwonden op zijn arm. Het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, schreeuwt om een verklaring van verdachte. Hij heeft zich echter zowel bij de politie als ter terechtzitting op zijn zwijgrecht beroepen.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen, tezamen en in onderlinge samenhang bezien, en in aanmerking genomen dat een aannemelijke andersluidende verklaring van verdachte is uit gebleven, volgt naar het oordeel van de rechtbank de rechtbank dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich, tezamen met zijn medeverdachten, schuldig heeft gemaakt aan de tenlastegelegde poging tot woninginbraak.

4.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte op 27 april 2019 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om in een woning aan de [adres 1] , een of meer goederen die aan een ander dan aan verdachte en zijn mededaders toebehoorden, te weten aan [benadeelde partij] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of die weg te nemen goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak, immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders de centrale toegangsdeur van het appartementencomplex geforceerd, zich naar voornoemde woning begeven en het cilinderslot van de voordeur van voornoemde woning geforceerd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier maanden, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft daarbij gewezen op de richtlijnen en in aanmerking genomen dat verdachte op 30 juni 2014 door het Gerechtshof Amsterdam voor een woninginbraak is veroordeeld.

8.2

Standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman verzocht aan verdachte een taakstraf op te leggen. In tegenstelling tot hetgeen de officier van justitie heeft aangevoerd is er geen sprake van recente recidive, nu de veroordeling van het gerechtshof van 30 juni 2014 zag op een feit uit 2012. Verder staan er enkel sepots en vrijspraken op de documentatie van verdachte. Daarnaast dateert het onderhavige feit van bijna twee jaren geleden.

8.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 9 maart 2021. Hieruit blijkt dat verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan het onderhavige delict niet voor een soortgelijk delicten is veroordeeld.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot woninginbraak in vereniging. Verdachte heeft door zijn handelen inbreuk gemaakt op het gevoel van veiligheid bij de bewoners en schade veroorzaakt voor de aangever. De woning is bij uitstek een plek waar men zich veilig moet kunnen voelen. Bovendien zorgen woninginbraken voor gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij.

De rechtbank is van oordeel dat aanleiding bestaat om bij de straftoemeting af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf de geldende oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) als uitgangspunt genomen. Voor een voltooide woninginbraak, geldt als oriëntatiepunt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. De rechtbank overweegt dat hier sprake is van een poging, waardoor deze straf met een derde afneemt. Strafverzwarend wordt meegewogen dat het feit in vereniging is gepleegd. De rechtbank vindt echter een gevangenisstraf niet passend, nu het feit nagenoeg twee jaren geleden heeft plaatsgevonden en weegt daarbij ook de persoonlijke omstandigheden van verdachte mee. Verdachte is voorts na dit feit niet meer met justitie in aanraking gekomen.

Alles overwegende acht de rechtbank een taakstraf van 120 uren met aftrek van de tijd doorgebracht in voorarrest, passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van twee uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.G. Vegter, voorzitter,

mrs. R.A. Sipkens en E. van den Brink, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D. Gigengack, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 mei 2021.