Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2388

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2021
Datum publicatie
14-05-2021
Zaaknummer
13/729012-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 56-jarige ex-politieagent is veroordeeld tot 6 uur taakstraf omdat hij zijn ambtsgeheim schond. Netto staat er echter geen straf meer open omdat zijn voorlopige hechtenis 4 dagen duurde en 1 dag daarvan staat gelijk aan 2 uur taakstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/729012-17 (Promis)

Datum uitspraak: 14 mei 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres
[adres] , [woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 30 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. A.M. Ruijs en van wat verdachte en zijn raadsman mr. A.G. de Jong naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – samengevat – van beschuldigd dat hij

  1. in de periode van 1 januari 2016 tot en met 3 april 2017 opzettelijk zijn ambtsgeheim en/of wettelijke geheimhoudingsplicht heeft geschonden door vertrouwelijke informatie uit een besloten bijeenkomst van 6 september 2016 te verstrekken/openbaren aan daartoe niet gerechtigde personen en/of in één of meer politiesystemen (vertrouwelijke) informatie over personen en/of opsporingsonderzoeken te bevragen/raadplegen en/of vervolgens de uit die systemen afkomstige informatie met betrekking tot de onderzoeken 13Dicentra/13MOUW en de in die onderzoeken voorkomende subjecten en informatie uit politiesystemen te verstrekken/openbaren aan daartoe niet gerechtigde personen;

  2. in de periode van 29 maart 2016 tot en met 30 maart 2016 samen met een ander opzettelijk zijn ambtsgeheim en/of wettelijke geheimhoudingsplicht heeft geschonden door vertrouwelijke informatie uit politiesysteem BVI-IB te bevragen over [naam 1] , [naam 2] en/of [naam 3] en die te verstrekken/openbaren aan daartoe niet gerechtigde personen.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

3.1.1.

Ten aanzien van feit 1

In de tenlastegelegde periode gold voor verdachte, die werkzaam was bij de afdeling CTER van de Amsterdamse politie, een ambtsgeheim en een geheimhoudingsplicht. Hij moest ook weten dat het strafbaar is als hij zijn ambtsgeheim schendt en daarmee in strijd handelt met artikel 7 van de Wet politiegegevens.

Na een besloten politiebijeenkomst op 6 september 2016 heeft Telegraaf-journalist [naam journalist] zeer specifieke vragen gesteld die overeenkwamen met de onderwerpen die tijdens die bijeenkomst zijn besproken. Verdachte erkent bij die bijeenkomst aanwezig te zijn geweest. Ook de inhoud van het artikel dat [naam journalist] op 13 september 2016 in de Telegraaf publiceerde, vertoonde qua onderwerpen grote overeenkomsten met de inhoud van die bespreking. Hierop volgden in de periode van 13 september 2016 tot en met 25 november 2016 nog vijf artikelen van dezelfde journalist met informatie die eveneens uit politiebronnen afkomstig was, te weten: uit de bovengenoemde bijeenkomst, uit intern politieonderzoek aangaande de persoon van verdachte en de daaruit gevolgde besluiten, uit opsporingsonderzoeken genaamd 13Dicentra en 13Mouw en er is geput uit themaregisters van Summit, te weten: 13WVO Contra Terrorisme en CTER Jihadisme. Verdachte erkent zijn eigen bezwaardossier met daarin onder andere vertrouwelijke tapgesprekken uit onderzoek 13Dicentra aan [naam journalist] en [naam 4] te hebben verstrekt.

De 33 deelnemers aan de bovengenoemde bijeenkomst en de politiemedewerkers die toegang hadden tot de bovengenoemde onderzoeken en themaregisters zijn door het onderzoeksteam achterhaald. Uit dit onderzoek volgde dat van de 33 personen alleen verdachte aanwezig is geweest bij die bijeenkomst én toegang had tot alle genoemde systemen, onderzoeken en zijn bezwaardossier. Hiermee geconfronteerd, had verdachte hier geen verklaring voor. Uit de telefoon van verdachte is gebleken dat hij meermalen heeft gebeld met het telefoonnummer van [naam journalist] en [naam journalist] heeft dit contact ook bevestigd. Ook is er appverkeer geweest tussen hen. Uit het app- en telefoonverkeer is gebleken dat verdachte ook inhoudelijk met [naam journalist] over politie-informatie uit onderzoek 13Mouw heeft gecommuniceerd. De (kopieën van) dossiers met de gebruikte geheime politie-informatie zijn ook aangetroffen in de auto van verdachte en in de woningen van hem en zijn toenmalige vriendin, zonder dat verdachte hier toestemming voor had.

Verdachte had ook een persoonlijk motief om te lekken naar de Telegraaf. Hij heeft zich namelijk aan verschillende onderwerpen gestoord en zich hier ook boos over gemaakt. Hij heeft zijn ongenoegen hierover ten overstaan van meerdere leden van de politieke partij waarvan hij op dat moment lijsttrekker was geventileerd en aangegeven dat hij informatie over de politieorganisatie zou gaan lekken aan de Telegraaf om zijn eigen naam te zuiveren na zijn aangekondigde voorwaardelijke ontslag. Het dossier bevat herhaalde en elkaar ondersteunende belastende verklaringen die ook door andere bewijsmiddelen worden bevestigd. Deze verklaringen kunnen worden gebruikt voor het bewijs.

Op basis van de bewijsmiddelen in onderling samenhang beziend, kan feit 1, het schenden van zijn ambtsgeheim en geheimhoudingsplicht, meermalen gepleegd, worden bewezen, aldus de officier van justitie.

3.1.2.

Ten aanzien van feit 2

Ook feit 2 kan worden bewezen. Dat verdachte vertrouwelijke informatie over de onder feit 2 genoemde personen natrok, blijkt uit WhatsAppberichten tussen hem en zijn (nu) echtgenote [naam echtgenote] van 29 maart 2016 en 30 maart 2016 en de loggings in het politiesysteem BVI-B op 30 maart 2016. De berichten zijn aangetroffen in de telefoons van verdachte en [naam echtgenote] . [naam echtgenote] erkent dat zij verdachte drie namen had doorgegeven om in de politiesyste-men te bevragen. Verdachte erkent dat hij de enige gebruiker is van zijn iPhone. Zijn verklaring op de terechtzitting dat hij tips van [naam echtgenote] soms nakeek en eventuele bevindingen doorgaf aan de politie (en dus niet aan [naam echtgenote] ), is in strijd met de inhoud van de WhatsAppberichten waarin hij niet de politieorganisatie informeerde maar [naam echtgenote] dat er “niets bijzonders” is. [naam echtgenote] had een persoonlijk belang bij het natrekken van deze contacten. Zij wist dat verdachte vanwege zijn beroep die informatie niet mocht leveren en wist dus van zijn ambtsgeheim. Toch heeft zij dit meerdere keren gevraagd en heeft verdachte hier in strijd met zijn ambtsgeheim en geheimhoudingsplicht toch aan voldaan. Gezien deze nauwe en bewuste samenwerking kunnen zij beiden dan ook als medepleger worden aangemerkt voor dit feit en kan voor het overige een integrale bewezenverklaring volgen, aldus de officier van justitie.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in de eerste plaats bepleit dat de wijze waarop de telefoon van verdachte in beslag is genomen en het feit dat deze daarna is vernietigd en in losse, kapotte onderdelen is teruggegeven, een onherstelbaar vormverzuim oplevert in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Volgens de raadsman had de telefoon door de verbalisant op grond van artikel 94 Sv in beslag genomen moeten worden door middel van een verzoek tot afgifte en niet door de telefoon uit de handen van verdachte te grissen, vlak voordat hij werd aangehouden. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie onrechtmatig gehandeld door de telefoon van verdachte te vernietigen, waardoor hij deze niet meer heeft kunnen gebruiken. Door de telefoon af te nemen en te vernietigen is het eigendomsrecht van verdachte, zoals beschermd in artikel 1 van het Eerste protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geschonden. Verdachte had niet langer het genot van zijn destijds recent aangeschafte mobiele telefoon en heeft op eigen kosten een nieuwe telefoon moeten aanschaffen, aldus de raadsman.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht deze vormverzuimen en de onrechtmatigheid van het handelen van het Openbaar Ministerie vast te stellen en primair het uit de telefoon verkregen bewijsmateriaal uit te sluiten van het bewijs en subsidiair het onrechtmatig handelen van het Openbaar Ministerie tot uitdrukking te brengen in de eventuele strafmaat.

De raadsman heeft het voorwaardelijke verzoek gedaan om [naam 5] en [naam 6] te mogen horen als getuigen, wanneer de rechtbank niet tot een integrale vrijspraak komt, en daartoe het volgende aangevoerd. Door de verdediging niet in de gelegenheid te stellen om te onderzoeken of onderhavig onderzoek van de politie Amsterdam van hogerhand is beïnvloed of georkestreerd, is het grondrecht van verdachte op een eerlijk en gelijkwaardig proces, zoals bedoeld in artikel 6 EVRM, geschonden. Immers, wanneer door het horen van de getuigen aan het licht was gekomen dat er sprake was van inmenging in het onderzoek vanuit de politietop, dan zou dat de betrouwbaarheid aantasten van het onderzoek dat door datzelfde politiekorps was uitgevoerd.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de aan hem onder 1 en 2 tenlastegelegde feiten. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

3.2.1.

Ten aanzien van feit 1

Uit het politiedossier blijkt dat de verdenking ziet op vijf artikelen van journalist [naam journalist] in de Telegraaf tussen 13 september 2016 en 25 november 2016. De in de tenlastelegging opgenomen periode is dan ook veel te ruim. Het politieonderzoek gaat uit van de hypothese dat de informatie voor de artikelen in de Telegraaf zijn gelekt door één en dezelfde bron. Omdat verdachte de enige persoon was die toegang had tot zijn bezwaardossier, wordt aangenomen dat hij het lek is van alle informatie, ondanks het feit dat het op dat moment nog onduidelijk was of verdachte wel toegang had tot CTER jihadisme en 13Mouw. [naam journalist] heeft echter tijdens zijn verhoor bij de rechter-commissaris verklaard gebruik te hebben gemaakt van meerdere bronnen. Dit doet afbreuk aan de hypothese van de politie dat verdachte de enige bron was voor het artikel in de Telegraaf. Verdachte was de bron niet. Het is, gelet op de verklaring van [naam journalist] , veel waarschijnlijker dat één van de andere aanwezigen bij de bijeenkomst de informatie heeft doorgespeeld aan [naam 7] , via wie de informatie bij [naam journalist] is terechtgekomen.

Verdachte heeft uitsluitend zijn bezwaardossier geanonimiseerd aan de Telegraaf verstrekt. De informatie uit de geanonimiseerde bijlagen was niet naar bepaalde personen terug te herleiden. Het bezwaardossier bevat dan ook geen geheime informatie. Met het verstrekken daarvan heeft verdachte dan ook niets strafbaars gedaan. Hij had geen opzet om vertrouwelijke informatie met de journalist te delen en hij mocht erop vertrouwen dat hij het bezwaardossier, dat was behandeld bij de bezwaarschriftencommissie, aan de journalist mocht verstrekken. Er kan dus evenmin sprake zijn van voorwaardelijk opzet. Door de politie is de inhoud van het inbeslaggenomen bezwaardossier niet in het dossier gevoegd. Welke informatie het bezwaardossier exact bevat, is daarom niet vast te stellen.

Door vanuit de aanname te rechercheren dat alle informatie aan [naam journalist] is verstrekt door één bron, is het opsporingsonderzoek eenzijdig en daarmee onvolledig geweest. Het hele onderzoek is vanuit een tunnelvisie verricht. Ondanks dat er uitgebreid technisch onderzoek is gedaan, is the smoking gun niet bij verdachte gevonden. Er is geen enkel concreet technisch bewijs gevonden, waaruit ook maar enigszins blijkt dat verdachte geheime informatie heeft gelekt aan derden. Verdachte is enkel als enige verdachte aangemerkt, omdat hij vanuit zijn functie toegang had tot de informatie die is verschenen in de media en omdat hij vanwege zijn politieke carrière en ambities veel contact onderhield met de media. Hypotheses en aannames kunnen echter niet de basis zijn van een strafrechtelijke veroordeling. Daarvoor is wettig en overtuigend bewijs nodig en dat ontbreekt in deze zaak. Verdachte moet daarom worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

3.2.2.

Ten aanzien van feit 2

Uit het dossier blijkt weliswaar dat [naam echtgenote] hem op 29 maart 2016 afbeeldingen heeft gestuurd met de gegevens van de in de tenlastelegging opgenomen personen en dat verdachte de volgende ochtend de gegevens van deze personen heeft gecontroleerd in het politiesysteem, maar daaruit blijkt niet welke informatie er over deze personen in het politiesysteem is opgenomen. [naam echtgenote] kwam wel vaker met tips over personen en verdachte liep die dan na om eventueel de tip uit te zetten bij het juiste politiebureau. Dat was in onderhavig geval volgens verdachte niet heel anders. Niet is gebleken dat verdachte informatie uit de politiesystemen met [naam echtgenote] heeft gedeeld. Voor een bewezenverklaring van het opzettelijk schenden van een ambtsgeheim is vereist dat geheime gegevens worden verstrekt aan een ander die tot kennisneming daarvan onbevoegd is. Het enkel bevragen van de geautomatiseerde systemen is onvoldoende. Bewezen dient te worden dat de informatie ook daadwerkelijk is gedeeld. Het enkel opzoeken van informatie in de politiesystemen, die niet gerelateerd is aan een lopend onderzoek, is niet strafbaar en verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van feit 2, aldus de raadsman.

Er is geen sprake van een bijdrage van voldoende gewicht van [naam echtgenote] om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [naam echtgenote] . Zij heeft niet om specifieke informatie verzocht. In ieder geval dient verdachte te worden vrijgesproken van het medeplegen van het schenden van het ambtsgeheim, aldus de raadsman.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Beoordeling van het verweer ex artikel 359a Sv

De rechtbank overweegt het volgende ten aanzien van het verweer van de raadsman, dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv dat zou moeten leiden tot primair bewijsuitsluiting en subsidiair strafvermindering.

De wijze waarop de telefoon van verdachte in beslag is genomen, is niet onrechtmatig en levert geen vormverzuim op. De telefoon van verdachte is immers ten behoeve van de waarheidsvinding in beslag genomen en de grondslag van die inbeslagname is daarom rechtmatig. Dat de telefoon door de verbalisant uit handen van verdachte is gerukt, om te proberen te voorkomen dat hij deze zou vergrendelen, maakt de inbeslagneming niet onrechtmatig.

Voor de vernietiging van de telefoon ontbreekt een wettelijke grondslag. Daarmee zijn de belangen geschonden en is in zoverre onrechtmatig gehandeld. Dat levert een vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321 bepaald in welke situaties bewijsuitsluiting als rechtsgevolg kan worden verbonden aan een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Het onderhavige vormverzuim valt niet onder de in dit arrest genoemde situaties. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dan ook in zoverre en zal aan het vormverzuim niet het gevolg van bewijsuitsluiting verbinden.

In het arrest van 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, heeft de Hoge Raad met betrekking tot strafvermindering als aan een vormverzuim te verbinden rechtsgevolg onder meer het volgende overwogen:

“Strafvermindering, in die zin dat de hoogte van de op te leggen straf in verhouding tot de ernst van het verzuim wordt verlaagd, komt (...) slechts in aanmerking, indien aannemelijk is dat (a) de verdachte daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, (b) dit nadeel is veroorzaakt door het verzuim, (c) het nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering, en (d) strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is.”

Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. Het moet dus gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van verdachte in de strafzaak heeft aangetast en waarbij niet kan worden volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. Naar het oordeel van de rechtbank is de vernietiging van de telefoon van verdachte een vormverzuim dat in het licht van voornoemd arrest tot strafvermindering kan leiden. Het verweer van de raadsman in subsidiaire vorm wordt dan ook gehonoreerd.

3.3.2.

Vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte onder 1 is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Vast staat dat journalist [naam journalist] over vertrouwelijke politie-informatie beschikte (en in zijn publicaties heeft verwerkt) waartoe hij niet gerechtigd was. Deze vertrouwelijke informatie was afkomstig van de besloten politiebijeenkomst op 6 september 2016, van de strafrechtelijke onderzoeken 13Dicentra en 13 Mouw, en van het politiesysteem SummIT (meer specifiek de SummIT-omgeving: IK DLR:CTER Jihadisme en 13WVO contra terrorisme). Vast staat ook dat [naam journalist] ook een artikel heeft gepubliceerd met daarin informatie uit het bezwaardossier van verdachte.

Verdachte heeft tijdens zijn verhoor bij de politie bekend zijn eigen bezwaardossier geanonimiseerd te hebben verstrekt aan [naam journalist] . Hij heeft dit op de terechtzitting nogmaals bevestigd en heeft daaraan toegevoegd dat hij dit dossier ook aan [naam 4] heeft verstrekt. Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat dit dossier geen vertrouwelijke informatie bevatte en dat het hem vrij stond dit dossier aan derden te verstrekken. Of dat standpunt juist is, kan in het midden blijven, omdat de tenlastelegging niet mede omvat het verstrekken of openbaren van dit bezwaardossier. Het verstrekken van het bezwaardossier kan daarom op zichzelf niet tot een bewezenverklaring van feit 1 leiden.

Voor zover het bezwaardossier informatie zou bevatten uit de onderzoeken 13Dicentra en/of 13Mouw (verdachte ontkent dit) kan dit door de wijze van ten laste leggen ook niet tot een bewezenverklaring van feit 1 leiden.

De vraag die de rechtbank op basis van de tenlastelegging immers moet beantwoorden is of verdachte:

(i) vertrouwelijke informatie uit de besloten bijeenkomst van 6 september 2016 inzake separatistisch terrorisme aan daartoe niet gerechtigde personen heeft verstrekt, en

(ii) in (een of meer) politiesystemen (vertrouwelijke) informatie over personen of opsporingsonderzoeken heeft bevraagd of geraadpleegd en vervolgens die (vertrouwelijke) informatie, afkomstig uit de hierboven genoemde strafrechtelijke onderzoeken en politiesysteem SummIT, aan derden heeft verstrekt.

Het gaat hier dus niet om informatie afkomstig uit het bezwaardossier, maar informatie waarop verdachte (actief) de politiesystemen zou hebben bevraagd/geraadpleegd.

Hiervoor is geen direct bewijs voorhanden in het dossier.

De verdenking is op verdachte komen te rusten, omdat bij het onderzoeksteam het vermoeden was ontstaan dat alle informatie die is gebruikt voor de verschillende publicaties van [naam journalist] , is verstrekt door één en dezelfde politiemedewerker die toegang had tot alle genoemde bronnen. Verdachte had als enige van alle 33 personen die bij de bijeenkomst van 6 september 2016 aanwezig waren, óók toegang tot alle voornoemde dossiers en systemen én tot zijn eigen bezwaardossier. Volgens het onderzoeksteam kon het daarom niet anders zijn dan dat verdachte degene is geweest die alle informatie aan [naam journalist] heeft verstrekt. Weliswaar hadden ook andere van de 33 politiemedewerkers toegang tot de dossiers en systemen, maar omdat die niet óók toegang hadden tot het bezwaardossier van verdachte zijn die verder niet als verdachte aangemerkt.

Met de verklaring van [naam journalist] bij de rechter-commissaris is echter gebleken dat de hypothese dat alle informatie waarover hij beschikte uit één bron afkomstig was, niet juist is. [naam journalist] heeft immers verklaard dat hij doorgaans geen artikelen publiceert die zijn gebaseerd op één bron. Ook de onderhavige artikelen zijn volgens hem gebaseerd op meer bronnen. Hij heeft verder verklaard dat het niet per sé zo hoeft te zijn dat het ene artikel is gebaseerd op dezelfde informatie als het andere artikel. Ook heeft hij verklaard dat hij dacht dat hij het bezwaardossier van verdachte geanonimiseerd heeft ontvangen en bovendien dat dit dossier (slechts) één van de componenten was voor de betreffende artikelen. [naam journalist] heeft, met andere woorden, meer bronnen gebruikt om tot zijn publicaties te komen.

De rechtbank acht niet uitgesloten dat [naam journalist] met de term ‘bronnen’ niet alleen personen bedoelt, maar ook (of uitsluitend) dossiers of andersoortige informatie. Toch kan door deze verklaring niet buiten redelijke twijfel worden geoordeeld dat het verdachte moet zijn geweest die de voornoemde vertrouwelijke informatie heeft gelekt, ook niet als alle in het dossier beschikbare informatie in onderlinge samenhang wordt beschouwd. Het is door deze verklaring immers goed mogelijk dat verdachte, zoals hij zelf stelt, alleen zijn bezwaardossier heeft verstrekt en dat één of meer andere politiemedewerkers de andere (vertrouwelijke) informatie aan de journalisten hebben verstrekt.

De conclusie is dus dat niet is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen onder 1 ten laste is gelegd.

3.3.3.

Het oordeel over het onder 2 tenlastegelegde

De rechtbank is van oordeel dat bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het hem onder 2 tenlastegelegde en overweegt daartoe als volg.

Uit het dossier blijkt dat [naam echtgenote] op 29 maart 2016 afbeeldingen van [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] via WhatsApp naar verdachte heeft verzonden met het verzoek deze personen in het politiesysteem na te kijken en dat verdachte dit op 30 maart 2016 ook daadwerkelijk heeft gedaan. Verdachte heeft vervolgens zijn bevindingen, namelijk dat hij had gekeken, maar dat er niets bijzonders was in het politiesysteem over deze personen, aan [naam echtgenote] kenbaar gemaakt. Daarmee heeft hij deze informatie gedeeld met [naam echtgenote] , die onbevoegd was daarvan kennis te nemen. Dit is in strijd met het ambtsgeheim en de geheimhoudingsplicht die verdachte als politiefunctionaris had. Hieraan doet niet af dat verdachte heeft gemeld dat “niets bijzonders” over deze personen in het politiesysteem is opgenomen. Ook het gegeven dat iemand niet of niet met bijzonderheden in de politiesystemen is vermeld moet worden aangemerkt als vertrouwelijke informatie die verdachte niet mocht delen met derden.

De verklaring van verdachte, dat hij tips van [naam echtgenote] nakeek om die eventueel door te spelen naar het juiste politiebureau, vindt de rechtbank niet aannemelijk, gelet ook op zijn reactie via WhatsApp op de vraag van haar of hij de personen al had nagekeken.

De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat verdachte dit feit heeft medegepleegd met [naam echtgenote] . De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van [naam echtgenote] bij het tenlastegelegde af dat [naam echtgenote] het handelen van verdachte heeft geïnitieerd en dat verdachte zonder haar bijdrage dit strafbare feit niet had gepleegd.

Op grond daarvan oordeelt de rechtbank dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [naam echtgenote] die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het tenlastegelegde medeplegen ook bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

2.

in de periode van 29 maart 2016 tot en met 30 maart 2016 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, een geheim, waarvan hij en zijn mededader wisten dat hij uit hoofde van zijn, verdachtes ambt, namelijk het ambt van politieagent en een wettelijk voorschrift, namelijk artikel 7 Wet politiegegevens, verplicht was het te bewaren, opzettelijk heeft geschonden, door

in het politiesysteem BVI-IB vertrouwelijke informatie omtrent personen, te weten [naam 1] en [naam 2] en [naam 3] te bevragen en/of te raadplegen en vervolgens vertrouwelijke informatie omtrent voornoemde personen aan een daartoe niet gerechtigde persoon te verstrekken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft daarbij in het voordeel van verdachte rekening gehouden met overschrijding van de redelijke termijn, zonder welke overschrijding haar strafeis een gevangenisstraf van zeven maanden met aftrek van voorarrest zou zijn.

De officier van justitie heeft verder gevraagd bij de strafmaat in het nadeel van verdachte rekening te houden met de omstandigheden dat verdachte zijn politiepet herhaaldelijk heeft misbruikt voor een politiek doel, dat hij het strafwaardige van zijn gedrag in het geheel niet inziet, dat het handelen van verdachte geen impulsieve daad was en dat hij door op deze manier te handelen zijn ambtsgeheim opzettelijk en bij herhaling met voeten heeft getreden, terwijl hij als ervaren inspecteur van politie veel beter had moeten weten en ook een voorbeeldfunctie had. Verdachte heeft door zijn handelen niet alleen misbruik gemaakt van zijn positie, maar ook als zodanig het aanzien en de integriteit van de politie en ook het vertrouwen dat burgers in hem stelden, schade toegebracht, aldus de officier van justitie.

7.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om bij een eventuele strafoplegging in het voordeel van verdachte rekening te houden met overschrijding van de redelijke termijn, omdat de strafzaak van verdachte niet binnen de redelijke termijn van twee jaren behandeld is. Conform vaste jurisprudentie dient de overschrijding tot uitdrukking te komen in de strafmaat, aldus de raadsman.

Ook heeft de raadsman erop gewezen dat verdachte geen relevante documentatie heeft en vanwege alle commotie over zijn persoon niet langer werkzaam is bij de politie.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft daarbij in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich in zijn hoedanigheid van politieagent schuldig gemaakt aan schending van zijn ambtsgeheim. Hij heeft informatie over bepaalde personen opgevraagd in het politiesysteem en deze informatie doorgespeeld aan [naam echtgenote] die hem daar om had gevraagd, terwijl zij niet bevoegd was daarvan kennis te nemen.

Verdachte heeft zodoende misbruik gemaakt van zijn positie en het in hem gestelde vertrouwen geschonden. Een politieambtenaar neemt, gelet op zijn taak en functie, een bijzondere plaats in de samenleving in. Om die reden wordt van hem volledige integriteit en onkreukbaarheid verwacht. Verdachte heeft met zijn handelen dan ook inbreuk gemaakt op het vertrouwen dat de maatschappij in de politie mag hebben. Daarbij heeft verdachte met zijn handelwijze schade toegebracht aan het imago van het politiekorps en het vertrouwen van zijn mede politieambtenaren beschaamd.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de volgende omstandigheden. De nadelige gevolgen van het handelen van verdachte, hoe laakbaar ook, zijn beperkt gebleven. Het gaat om bevragingen naar drie personen in een periode van twee dagen. De informatie over hen is met één persoon gedeeld en is bovendien zeer beperkt geweest (“niets bijzonders”). Verdachte heeft zelf veel schade ondervonden door deze strafzaak. Hij is niet alleen ontslagen uit zijn functie van politieambtenaar, maar heeft als bekende Nederlander ook veel imagoschade opgelopen door de negatieve publicatie omtrent zijn persoon naar aanleiding van deze zaak, waarbij het zwaartepunt lag op de verdenking waarvan verdachte bij dit vonnis wordt vrijgesproken. Deze gevolgen zijn groot en verdachte is hierdoor enorm geraakt, met name tegen de achtergrond van wat uiteindelijk bewezen is verklaard.

Dit neemt allerminst weg dat het bewezenverklaarde een ernstig strafbaar feit is waarvoor een straf ook op zijn plaats is.

De rechtbank vindt voor het bewezenverklaarde strafbare feit in beginsel een taakstraf van twintig uur passend en geboden. Vanwege bovenomschreven impact die deze zaak op verdachte heeft gehad, is een strafkorting van tien uur gerechtvaardigd. De in rubriek 3.3.1. genoemde vormfout leidt tot een strafvermindering van twee uur. Tot slot heeft de berechting niet plaatsgevonden binnen de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6.1 van het EVRM. In beginsel dient berechting plaats te vinden binnen twee jaar na aanvang van die termijn. De termijn is aangevangen bij de inverzekeringstelling van verdachte op 3 april 2017 en uitspraak wordt gedaan op 14 mei 2021, zodat de termijn met ruim twee jaar is overschreden. Daarin vindt de rechtbank aanleiding nogmaals twee uur op de taakstraf in mindering te brengen. Per saldo zal de rechtbank een taakstraf opleggen van zes uren. Hierop moet de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht, te weten vier dagen, tegen de maatstaf van twee uren per dag, worden afgetrokken. Dit betekent dat er netto geen straf meer openstaat.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57 en 272 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 2:

Medeplegen van opzettelijk een geheim schenden, waarvan hij wist dat hij uit hoofde van zijn ambt en wettelijk voorschrift verplicht was het te bewaren, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 6 (zes) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 3 (drie) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoer-legging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Smit, voorzitter,

mrs. G.H. Marcus en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. F. Coşkun, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 14 mei 2021.