Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:236

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-01-2021
Datum publicatie
29-01-2021
Zaaknummer
26Marengo
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

Beslissingen op onderzoekswensen 26Marengo

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beslissingen van de rechtbank op onderzoekswensen in 26Marengo, gedaan op de pro formazitting van 13, 14 en 15 januari 2021

Beslissing in de zaken van alle verdachten

Verzoek met betrekking tot inzage in het verificatiejournaal

Verzoek van het Openbaar Ministerie

Het Openbaar Ministerie heeft de rechtbank verzocht, conform de overwegingen van de rechter-commissaris, het verzoek van de verdediging tot inzage van het verificatiejournaal alsnog af te wijzen. Subsidiair verzoekt het Openbaar Ministerie deze inzage te verstrekken overeenkomstig de (subsidiair) door de rechter-commissaris verleende machtiging “tot het weigeren van de kennisneming van het complete verificatiejournaal, met uitzondering van de in de vordering voorgestelde delen daarvan”. Dit betreffen het (deels gezwarte) samengevatte verificatiejournaal en de samenvattende Excel-bestanden, waarin wordt weergegeven op welke onderdelen (tactische aanwijzingen) de kluisverklaringen zijn onderzocht en tot welk voorlopig oordeel dit heeft geleid.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich hiertegen verzet en verzocht om volledige inzage, dan wel ten minste de beslissing van de rechtbank van 17 november 2020 in stand te laten.

Eerdere beslissing van de rechtbank

Naar aanleiding van de nadere toelichting van het Openbaar Ministerie op 28 oktober 2020 met daaraan gekoppeld een verzoek om herziening van de eerdere beslissing, heeft de rechtbank op 17 november 2020 beslist dat de wijze van inzage – en daarbij de beoordeling of de door de officier van justitie wenselijk geachte tussenstap noodzakelijk is – ter beoordeling aan de rechter-commissaris was.

De vordering van het Openbaar Ministerie en de beslissing van de rechter-commissaris

Uit de vordering van het Openbaar Ministerie van 29 december 2020 en de daarop genomen beslissing van de rechter-commissaris van 31 december 2020 maakt de rechtbank het volgende op.

De vordering bevat een voorstel voor een wijze waarop de inzage zou kunnen worden verleend. Aan de verdediging kan het samengevatte, deels gezwarte, verificatiejournaal ter beschikking worden gesteld en daarnaast samenvattende, deels gezwarte, Excel-bestanden. Daarbij is vermeld dat uit de kluisverklaringen van de kroongetuige 222 tactische aanwijzingen konden worden gedestilleerd. Hiervan konden er 90 worden geverifieerd en 35 konden er deels worden geverifieerd. 97 aanwijzingen konden niet worden geverifieerd. Er waren geen aanwijzingen die konden worden gefalsificeerd. De rechter-commissaris heeft wederom het verificatiejournaal in kunnen zien en heeft bevestigd dat geen van de aanwijzingen konden worden gefalsificeerd. De rechter-commissaris heeft de rechtbank in overweging gegeven om haar tussenbeslissingen van 29 september 2020 en 17 november 2020 in zoverre te herzien dat alsnog kennisname (in enige vorm) van het verificatiejournaal mag worden geweigerd.

Overwegingen van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is de door het Openbaar Ministerie verstrekte informatie omtrent de inhoud en status van het verificatiejournaal lange tijd weinig helder geweest. Dit geldt voor de algemeen gestelde informatie over het verificatiejournaal/de rapportage van verificatie en falsificatie, genoemd in de vordering 226g van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) van 27 december 2017, de getuigenverhoren van de TBG-officier van justitie in januari 2020 en de mededelingen van het zaaks-Openbaar Ministerie op de zitting van augustus/september 2020. Pas op 28 oktober 2020 is expliciet melding gemaakt van het zeer precaire karakter van onder andere in het verificatiejournaal opgenomen zogenoemde ‘dubbel-nul informatie’. Het aantal tactische aanwijzingen, al dan niet verifieerbaar, is voor het eerst bekend geworden uit de vordering van 29 december 2020. In deze vordering is het eerder gedane aanbod van het Openbaar Ministerie concreet uitgewerkt, in die zin dat er een samengevat, deels gezwart, verificatiejournaal ter beschikking kan worden gesteld en daarnaast samenvattende, deels gezwarte, Excel-bestanden. De rechtbank heeft in haar beslissing van 17 november 2020 onderkend dat de delen van dit journaal met enig

afbreukrisico afgeschermd dienen te blijven, maar dat doet er niet aan af dat de verdediging er belang bij kan hebben om de overige in dit journaal onderzochte tactische aanwijzingen te kennen, al was het maar omdat zij mogelijk in staat is deze (al dan niet (deels) niet geverifieerde aanwijzingen) te ontkrachten. Die afschermingsbelangen zijn thans ondervangen.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank ziet alles afwegend daarom geen aanleiding om terug te komen op haar eerdere beslissing en bepaalt dat het samengevatte, deels gezwarte, verificatiejournaal en de samenvattende, deels gezwarte, Excel-bestanden – overeenkomstig de vordering van 29 december 2020 – ter inzage aan de verdediging dienen te worden verstrekt op een door het Openbaar Ministerie te bepalen wijze.

Het voorgaande brengt mee dat het verzoek van de verdediging van verdachte [verdachte 1] , inhoudende het als getuige horen van de twee verbalisanten die in 2017 het verificatie-

/falsificatieonderzoek hebben verricht, wordt afgewezen. Daartoe ziet de rechtbank geen aanleiding.

Beslissing in de zaken van verdachten [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 4] , [verdachte 5] , [verdachte 1] , [verdachte 6] , [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9]

Verzoeken met betrekking tot de Dubai-observatie

Inleiding

De rechtbank heeft bij beslissing van 29 september 2020 bepaald dat processen-verbaal moesten worden opgemaakt waarin wordt uiteengezet hoe de observatie van mrs. Meijering en Van Kleef heeft plaatsgevonden, op basis van welke informatie en wat er daadwerkelijk is gebeurd in Nederland en Dubai. Daarbij verwachtte de rechtbank in ieder geval ook een gedetailleerde weergave wat precies aan de autoriteiten van Dubai is gevraagd, welke informatie daarbij met Dubai is gedeeld en op welke wijze Dubai hier uitvoering aan heeft gegeven.

Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens een aantal processen-verbaal aan het dossier toegevoegd:

  • -

    een proces-verbaal van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] van de Landelijke Eenheid van 23 september 2020;

  • -

    een proces-verbaal van hoofdinspecteur van politie [hoofdinspecteur] van 24 november 2020;

  • -

    een TCI-proces-verbaal van 18 juni 2019;

  • -

    een proces-verbaal aanvraag vordering persoonlijke gegevens van 19 juni 2020;

  • -

    een (bevestiging van een) vordering verstrekking toekomstige gegevens van 21 juni 2019;

  • -

    een proces-verbaal van observeren van 5 juni 2019;

  • -

    een proces-verbaal van officier van justitie mr. [officier van justitie] van 6 januari 2021.

Verzoeken van de verdediging van verdachten [verdachte 2] , [verdachte 3] , [verdachte 5] , [verdachte 1] en

[verdachte 6]

De verdediging van voornoemde verdachten verzoekt zeven Nederlandse ambtenaren en twee medewerkers van de Dubai Police te (doen) horen als getuige. Daarnaast verzoekt zij de rechtbank het Openbaar Ministerie opdracht te geven om:

  • -

    een nader TCI-proces-verbaal op te (laten) maken;

  • -

    alle schriftelijke communicatie tussen het Team Generieke Opsporing en de liaison officer en tussen de liaison officer en de Dubai Police aan de verdediging te verstrekken;

  • -

    alle foto’s te verstrekken die tijdens de observatie zijn gemaakt;

  • -

    de volledige resultaten te verstrekken van de vordering reisgegevens;

  • -

    alle gegevens te verstrekken die zijn verzocht aan de Dubai Police en van de Dubai Police zijn ontvangen in verband met het verzoek op 19 juni 2019.

De verdediging betoogt daartoe, kort gezegd, dat uit de door het Openbaar Ministerie ingebrachte stukken niet blijkt van een zorgvuldige belangenafweging bij de besluitvorming, onder andere omdat de TCI-informatie dat mr. Meijering verdachte [verdachte 9] zou gaan ontmoeten, geen betrouwbaarheidsoordeel bevat. Verder is onduidelijk hoe invulling zou worden gegeven aan de observatie en hoe die observatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en ontbrak normale verslaglegging.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat in de stukken, en in het bijzonder in het proces-verbaal van officier van justitie mr. [officier van justitie] van 6 januari 2021, beschreven wordt welke afwegingen een rol hebben gespeeld bij het besluit om te gaan observeren. Wel merkt de verdediging terecht op dat uit het proces-verbaal van mr. [officier van justitie] niet blijkt hoe het Openbaar Ministerie tot het oordeel is gekomen dat er geen sprake was van mogelijke gevaarzetting voor de betrokken advocaat. Het Openbaar Ministerie wordt verzocht een nader proces-verbaal op te doen maken door mr. [officier van justitie] , om dit punt toe te lichten.

Verder heeft het Openbaar Ministerie aangegeven de TCI-officier van justitie te zullen vragen om de achtergrond toe te lichten van het ontbreken van de bron van informatie en van het betrouwbaarheidsoordeel.

Beslissing van de rechtbank

De rechtbank sluit niet uit dat in de toekomst een verhoor van de toenmalige liaison officer in Dubai zal moeten plaatsvinden, om nadere vragen te kunnen stellen over de gang van zaken bij en rond de observatie. Op dit moment zal de rechtbank geen verder onderzoek gelasten, omdat er nog nadere informatie verwacht wordt. Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat (naast de eerder vermelde toelichtingen door officier van justitie mr. [officier van justitie] en de TCI- officier van justitie) ook nog een proces-verbaal zal worden gevoegd met betrekking tot de informatie over verdachte [verdachte 9] die met Dubai is gedeeld. Verder is er een rechtshulpverzoek aan de autoriteiten van de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: VAE) gedaan aangaande het observatiemateriaal en eventuele andere relevante informatie met betrekking tot de observatie. De verzoeken worden in zoverre nu dus afgewezen.

Verzoeken van de verdediging van verdachten [verdachte 7] , [verdachte 8] , [verdachte 9] en [verdachte 4]

De verdediging van verdachten [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9] heeft verzocht mr. [officier van justitie] , de liaison officer in Dubai, de hoofdofficier van justitie, de recherche-officier van justitie (beiden van het Landelijk Parket) en de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te (doen) horen als getuigen, en verschillende onderliggende stukken te doen voegen. Daartoe ziet de rechtbank thans geen aanleiding, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen.

De verdediging van verdachte [verdachte 4] heeft zich aangesloten bij de hiervoor genoemde verzoeken van mrs. Flokstra, Meijering en I.N. Weski. De rechtbank verwijst daarom naar hetgeen hiervoor is overwogen.

De rechtbank merkt op dat het Openbaar Ministerie heeft toegezegd dat de resultaten van de vordering TRIP-gegevens ter inzage zullen worden gegeven aan kantoor Ficq & Partners, waarna overleg zal plaatsvinden tussen dat kantoor en het Openbaar Ministerie over eventuele voeging in het dossier. Een beslissing van de rechtbank is op dit punt dan ook niet nodig.

Beslissingen in de zaken van verdachten [verdachte 10] , [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9]

Verzoeken met betrekking tot getuige [getuige 1]

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] en de tolk

De verdediging heeft (opnieuw) verzocht om het (doen) horen als getuige van verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] , alsmede de toenmalige tolk, die bij het verhoor van [getuige 1] op 21 en 22 maart 2018 in Marokko aanwezig waren. Op deze verzoeken heeft de rechtbank reeds beslist op 17 november 2020. Het verzoek om de desbetreffende verbalisanten te horen is toegewezen en deze verhoren zullen gaan plaatsvinden bij de rechter-commissaris. Het verzoek om het horen van de tolk is bij die beslissing afgewezen. De rechtbank verwijst daarnaar. De verdediging heeft geen argumenten aangevoerd die maken dat de rechtbank hierover nu anders oordeelt.

Verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6]

De verdediging heeft aanvullend verzocht om het (doen) horen als getuige van de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] , die [getuige 1] in oktober 2018 in Marokko hebben verhoord. Daartoe is aangevoerd dat het proces-verbaal van bevindingen van deze verbalisanten van 18 november 2020 slechts algemene opmerkingen geeft over dat verhoor, niet over de inhoud, of

wat verder over en rond dat verhoor heeft plaatsgevonden en ook niets over de bejegening van [getuige 1] in de periode sinds zijn aanhouding in Marokko.

De rechtbank stelt allereerst vast dat uit het door de verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 6] opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van 18 november 2020 blijkt dat zij [getuige 1] niet hebben verhoord, zoals de verdediging stelt, maar dat zij alleen aanwezig waren bij het verhoor door de Marokkaanse politie op 10 oktober 2018.

Verder volgt uit de toelichting van het Openbaar Ministerie dat het tot heden geen toestemming heeft verkregen van de Marokkaanse autoriteiten voor het gebruik van het verhoor. Wel heeft het Openbaar Ministerie het desbetreffende rechtshulpverzoek aan Marokko aan het einddossier toegevoegd en hebben de verbalisanten (dus) een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt over wat zij hebben waargenomen tijdens hun aanwezigheid bij het verhoor van [getuige 1] op 10 oktober 2018. Het staat het Openbaar Ministerie echter niet vrij om inhoudelijke informatie van dit verhoor te delen. Dat geldt ook voor de bij het verhoor aanwezige Nederlandse politiemensen. Reeds hierom moet het verzoek tot het horen van de verbalisanten worden afgewezen. In hetgeen de verbalisanten (wel) hebben kunnen verklaren over de omstandigheden rond dit verhoor en de bejegening van [getuige 1] tijdens dit verhoor ziet de rechtbank bovendien, en mede bezien tegen de achtergrond dat (nog) geen toestemming voor het gebruik van het verhoor is verkregen, geen aanleiding de verbalisanten te horen. Dat de verbalisanten iets zouden kunnen verklaren over de bejegening van [getuige 1] sinds zijn aanhouding in Marokko volgt niet uit hun proces-verbaal van bevindingen. Het verzoek wordt afgewezen.

Beslissing in de zaken van verdachten [verdachte 7] , [verdachte 8] en [verdachte 9]

Verzoek met betrekking tot inzage in het onderzoeksdossier

De verdediging heeft de rechtbank verzocht het Openbaar Ministerie op te dragen om de verdediging inzage te geven in het onderzoeksdossier, althans in de resultaten van de ingezette opsporingsmiddelen, om op die wijze een verzoek tot voeging van die stukken te kunnen onderbouwen.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt het volgende. Er bestaat voor de verdediging geen ongeclausuleerd recht op inzage in alle onderzoeksresultaten. Het strafdossier (en met name het daarvan deel uitmakende BOB-dossier) bevat een uitgebreide weergave van de ingezette opsporingsmiddelen. Op basis daarvan kan de verdediging gericht (en gemotiveerd) bij het Openbaar Ministerie aangeven in welke onderzoeksresultaten zij inzage wenst. Het verzoek zoals dat thans – breed en slechts met een algemene onderbouwing – is geformuleerd, wordt daarom afgewezen.

Beslissingen in de zaken van verdachte [verdachte 9]

Verzoeken met betrekking tot de opsporing, aanhouding, uitzetting en overbrenging naar Nederland

Inleiding

Bij beslissing van 29 september 2020 heeft de rechtbank – kort gezegd – de verzoeken van de verdediging namens verdachte [verdachte 9] tot het horen van verschillende getuigen afgewezen, en bepaald dat processen-verbaal van bevindingen worden opgemaakt door een aantal personen die namens de Nederlandse overheid betrokken waren bij de gang van zaken rond de opsporing, aanhouding, uitzetting en overbrenging van verdachte [verdachte 9] naar Nederland.

Inmiddels is een aantal processen-verbaal en verklaringen in het dossier gevoegd. Het Openbaar Ministerie heeft opgemerkt dat er nog een proces-verbaal zal volgen van de verbindingsambtenaar IRC-LE over de informatie die met de autoriteiten van de VAE is gedeeld. Verder is een rechtshulpverzoek uitgegaan naar de autoriteiten van de VAE waarin wordt gevraagd om eventueel beeldmateriaal van verdachte [verdachte 9] en door hem ondertekende documenten.

Onderliggende stukken en beeldmateriaal

De verdediging verzoekt nu om verstrekking van onderliggende stukken en beeldmateriaal die worden benoemd in de gevoegde processen-verbaal en verklaringen. Zij wijst in dat verband op de arresten van het EHRM inzake [partij] van 7 juli 1989 (NJ 1990, 158) en van het EU Hof van Justitie van 9 oktober 2019 (ECLI:EU:C:2019:849). Die arresten geven de verdediging naar het oordeel van de rechtbank echter geen grondslag om extra stukken ter beschikking te krijgen. De verzoeken om stukken dienen te worden beoordeeld aan de hand van het noodzaakcriterium, maar op grond van de goede procesorde past daarbij in dit geval nuancering en beoordeelt de rechtbank deze verzoeken aan de hand van het verdedigingsbelang. De rechtbank is van oordeel dat het verdedigingsbelang ten aanzien van het verzoek om (onderliggende) stukken onvoldoende is onderbouwd. Het verdedigingsbelang strekt niet zover dat er een recht bestaat om kennis te nemen van alle onderliggende stukken. Gemotiveerd moet worden waarom de al beschikbare informatie (in dit geval de processen- verbaal en verklaringen, met eventuele bijlagen) onvoldoende is, en die motivering ontbreekt. Het verzoek is dus niet toewijsbaar.

Ten aanzien van het verzoek tot verstrekking van beeldmateriaal dat in Dubai is gemaakt en de (eventueel) door verdachte getekende documenten wijst de rechtbank allereerst op het hierboven genoemde rechtshulpverzoek, waarin de autoriteiten van de VAE om dat materiaal wordt gevraagd. De uitkomst daarvan moet worden afgewacht. Verder is een aantal foto’s van verdachte [verdachte 9] (gemaakt door Nederlandse functionarissen) al in het dossier gevoegd.

Verbalisant [verbalisant 2] (zie persoonsdossier verdachte [verdachte 9] , pagina 536 e.v.) verklaart daarover dat dat materiaal is opgeslagen op een harde schijf en ter beschikking is gesteld aan het onderzoeksteam Marengo.

Verder merkt verbalisant [verbalisant 2] op: “De foto’s die zijn gemaakt laten onder andere het ondertekenen van de overdrachtsformulieren door rechercheur [rechercheur] zien en de overdracht van verdachte [verdachte 9] op de luchthaven van Dubai. Verder hebben wij het letsel aan de neus van de verdachte [verdachte 9] vastgelegd en het moment van aankomst op de luchthaven Eindhoven.”

De rechtbank is van oordeel dat de verdediging (op een door het Openbaar Ministerie te bepalen wijze) inzage moet kunnen krijgen in de door verbalisant [verbalisant 2] beschreven foto’s, tenzij andere belangen, zoals veiligheid of privacy, daaraan in de weg staan. Het gaat immers om foto’s die verder zouden kunnen verduidelijken wat er rond de aanhouding en overdracht

in Dubai en tijdens de reis naar Nederland is gebeurd. De rechtbank verzoekt het Openbaar Ministerie dan ook om daarvoor zorg te dragen.

Getuigenverzoeken

Verder verzoekt de verdediging om twintig Nederlandse (ex-)functionarissen als getuigen te horen. De rechtbank beoordeelt dit verzoek aan de hand van het verdedigingsbelang. Het verzoek wordt afgewezen, omdat het verdedigingsbelang alleen in algemene zin is gemotiveerd. Dat is onvoldoende in het licht van de stukken die zich over dit onderwerp al in het dossier bevinden.

Plan van inzet voor onderzoek/actie ‘Eagle’

De verdediging herhaalt verder haar verzoek om verstrekking van het plan voor het onderzoek/actie ‘Eagle’. De rechtbank wijst dat verzoek af en verwijst naar haar beslissing van 29 september 2020. Die beslissing wordt niet anders doordat verbalisant [verbalisant 7] daarover inmiddels heeft verklaard.

Correspondentie etc.

De verdediging heeft ook verzocht om verstrekking van ‘correspondentie, rechtshulpverzoeken/uitleveringsverzoeken (al of niet verstrekt) en reisverslagen/appverkeer met Dubai, Marokko en eventueel andere betrokken landen/diensten, zoals AIVD, NCTV/Consulaten/ambassade/ministers/AIRS/binnen politie omtrent cliënt en diens opsporing, arrestatie, verblijf en verhoren in Dubai en diens overdracht/overbrenging aan Nederland’. Dit is een herhaling van zetten. De rechtbank wijst het verzoek af en verwijst naar haar beslissing van 29 september 2020.

Aanwezigheid Nederlandse en Marokkaanse autoriteiten

Het (zeer algemeen geformuleerde) verzoek om het Openbaar Ministerie te doen verantwoorden of, en zo ja wanneer, Nederlandse of Marokkaanse autoriteiten bij onderzoek, arrestatie of verhoren van verdachte [verdachte 9] aanwezig zijn geweest is niet onderbouwd, en wordt afgewezen.

Informatie met betrekking tot Iran

Tot slot vraagt de verdediging de rechtbank om het Openbaar Ministerie te bevelen na te vragen bij de AIVD, MIVD en NCTV of die diensten informatie aan Dubai hebben verstrekt omtrent Iran (de rechtbank begrijpt: omtrent de mogelijke verblijfplaats van verdachte [verdachte 9] in Iran). Ook aan dit verzoek is geen concrete onderbouwing ten grondslag gelegd, behalve dat het Openbaar Ministerie stelt geen informatie over Iran verstrekt te hebben. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

Verzoek met betrekking tot de ‘tijdlijn’

De verdediging heeft de rechtbank verzocht een termijn van maximaal een week te stellen aan het Openbaar Ministerie voor het verstrekken van het proces-verbaal waarin een tijdlijn is opgenomen ten aanzien van de informatie over verdachte [verdachte 9] die gedeeld is met Dubai. Het Openbaar Ministerie heeft in een brief van 12 januari 2021 aan de verdediging laten weten dat dit proces-verbaal nog wordt gevoegd. De rechtbank gaat daarvan uit en ziet geen aanleiding een termijn te stellen.

Beslissingen in de zaken van verdachte [verdachte 10]

Verzoeken met betrekking tot het horen van getuigen

De verdediging van verdachte [verdachte 10] heeft verzocht om het verhoor van een aantal getuigen die zouden kunnen verklaren over de vraag of hij de bijnaam ‘ [bijnaam 1] ’ of ‘ [bijnaam 2] ’ draagt.

Getuige [getuige 2]

Met betrekking tot de verzochte getuige [getuige 2] – die in de vriendenlijst van het Facebook-account van [bijnaam 1] / [bijnaam 2] staat – acht de rechtbank een verdedigingsbelang aanwezig. Deze getuige zal worden toegewezen, waarbij de rechtbank zich gezien het afgebakende onderwerp kan voorstellen dat de rechter-commissaris dit verhoor op de voet van artikel 177 Sv laat uitvoeren door de politie, in het bijzijn van de raadsman van verdachte.

Getuigen [getuige 3] en [getuige 4]

De verzochte getuigen [getuige 3] en [getuige 4] wijst de rechtbank af. De omstandigheid dat deze vrienden van verdachte hem niet kennen onder de bijnamen ‘ [bijnaam 1] ’ of ‘ [bijnaam 2] ’, sluit niet uit dat anderen hem deze bijnaam wel geven. In dat licht is er geen verdedigingsbelang bij het horen van deze getuigen.

Getuige [getuige 5]

Tot slot heeft de verdediging verzocht om [getuige 5] als getuige te doen horen. De rechtbank is deze getuige ook onder de naam [getuige 5] ( [bijnaam getuige] ) in het dossier tegengekomen. Deze getuige was op 11 juli 2018 door de rechtbank toegewezen. De verdediging heeft eind 2018, kort voor het verhoor plaats zou vinden, medegedeeld van het verhoor af te zien, maar laat nu weten deze getuige toch te willen horen. Omdat de verdediging stelt dat deze getuige een verklaring kan geven voor het bij verdachte aangetroffen geld, welke (witwas)verdenking terugkomt als feit 6 in de zaak met parketnummer 16/707244-17, is er een verdedigingsbelang om hem te horen. Voor wat betreft de kwestie van de bijnaam geldt omtrent het verdedigingsbelang hetgeen in de vorige alinea beschreven staat, maar als deze getuige toch gehoord wordt kan de vraag of hij verdachte onder de bijnamen ‘ [bijnaam 1] ’ of ‘ [bijnaam 2] ’ kent, wel gesteld worden. Deze getuige zal daarom eveneens worden toegewezen, waarbij de rechtbank zich gezien het afgebakende onderwerp ook hier kan voorstellen dat de rechter-commissaris het verhoor op de voet van artikel 177 Sv laat uitvoeren door de politie, in het bijzijn van de raadsman van verdachte.

Beslissingen in de zaken van verdachte [verdachte 1]

Verzoeken met betrekking tot telefoongegevens

Verzoek om inzage

De verdediging heeft verzocht om inzage in de netwerkmetingen die hebben plaatsgevonden en in de ‘vluchtige gegevens’ van 22 juni 2016 waarvan melding wordt gemaakt in het zaaksdossier Kreta (zie Forensisch Dossier Kreta, pagina 202).

Het Openbaar Ministerie heeft uiteengezet dat de verdediging inmiddels beschikt over de historische verkeersgegevens van de gewone telefoon van verdachte [verdachte 1] . Deze zijn

ter inzage op de laptop gezet met de zogenoemde ‘eigen PGP-lijnen’ van verdachte [verdachte 1] en ook opgenomen in de PGP-stukken in het einddossier. Naast de historische verkeersgegevens zijn er ook mastgegevens. De twee keer dat de gewone telefoon van verdachte [verdachte 1] voorkomt in de mastgegevens in het onderzoek Kreta zijn de twee keer die zijn verbaliseerd in het dossier. Uit navraag bij de politie is gebleken dat de telefoons van verdachte [verdachte 1] niet voorkomen in de ‘vluchtige gegevens’ van 22 juni 2016 (zie Forensisch Dossier Kreta, pagina 202): niet zijn gewone telefoon en ook niet de PGP-telefoon die aan hem wordt toegeschreven. Volgens het Openbaar Ministerie zijn er geen andere dan de al verstrekte gegevens die ter inzage kunnen worden verstrekt. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat afdoende tegemoet is gekomen aan het verzoek van de verdediging op het punt van de verzochte inzage.

Verzoeken tot het horen van getuigen

Ter zitting heeft de verdediging het standpunt ingenomen dat het wél voorkomen van de PGP- telefoons die aan verdachten [verdachte 11] en [verdachte 12] worden toegeschreven in de zendmastgegevens van 22 juni 2016 (zie zaaksdossier Kreta) en de (vermeende) PGP-telefoon van verdachte [verdachte 1] niet, betekent dat de (vermeende) PGP-telefoon van verdachte [verdachte 1] daar op 22 juni 2016 niet is geweest. Daarop heeft het Openbaar Ministerie in een onderbreking van de zitting aan het onderzoeksteam Marengo gevraagd hoe het zou kunnen dat de (vermeende) PGP-telefoon van verdachte [verdachte 1] niet voorkomt in de zendmastgegevens, terwijl die van verdachte [verdachte 11] daarin wel voorkomt (naar de rechtbank begrijpt: daarbij uitgaande van de juistheid van de verklaringen van [verdachte 11] ). Ter zitting is daarover de uitleg gekomen dat T-Mobile, de provider van PGP-safe telefoons, bij dataverkeer lang niet altijd de aangekozen zendmasten registreert, dat een zendmast eens in de zoveel uren wordt geregistreerd en dat het dus toeval kan zijn dat de PGP-telefoons die aan verdachten [verdachte 11] en [verdachte 12] worden toegeschreven wél voorkomen in die zendmastgegevens en de (vermeende) PGP-telefoon van verdachte [verdachte 1] niet. Als de aangekozen zendmast niet wordt geregistreerd door de provider, dan komen die gegevens ook niet in de netwerkmetingen terug. Het Openbaar Ministerie heeft vervolgens toegezegd dat zij over de wijze waarop PGP-telefoons in netwerkmetingen uitpeilen een proces-verbaal zal (laten) opmaken. Daarbij is de verdediging aangeboden om eventuele vragen die bij de verdediging hierover bestaan door te geven aan het Openbaar Ministerie, zodat ook die vragen kunnen worden beantwoord in dat op te maken proces-verbaal. De verdediging heeft gesteld dat zij geen schriftelijke vragen wil stellen, maar de desbetreffende verbalisanten van het onderzoeksteam Marengo bij wie het Openbaar Ministerie navraag heeft gedaan, als getuigen wenst te horen. De rechtbank acht dit verzoek echter onvoldoende onderbouwd, temeer nu een proces-verbaal zal worden opgemaakt over deze kwestie. Het verzoek tot horen van (een) getuige(n) op dit punt wordt daarom afgewezen.

Beslissingen in de zaken van verdachte [verdachte 4]

Verzoeken met betrekking tot het horen van getuigen

De verdediging heeft namens verdachte [verdachte 4] verzocht aan te mogen sluiten bij de geplande verhoren van de rechter-commissaris van getuigen [getuige 6] en [getuige 7] . Daarnaast verzoekt de verdediging aan te mogen sluiten bij het verhoor van getuige [getuige 8] . Nadat ter zitting is gewezen op het feit dat deze getuige door de rechter-commissaris niet wordt

opgeroepen omdat deze getuige had laten weten zich op zijn verschoningsrecht te zullen beroepen (zie proces-verbaal van de rechter-commissaris van 13 mei 2020), heeft de verdediging een zelfstandig verzoek gedaan tot het horen van deze getuige.

Overwegingen van de rechtbank

De rechtbank overweegt als volgt. De getuigen [getuige 6] en [getuige 7] worden, op verzoek van het Openbaar Ministerie, door de rechter-commissaris gehoord met betrekking tot het zaaksdossier Kreta. Deze verhoren zijn inmiddels gepland. Destijds heeft alleen het Openbaar Ministerie verzocht om het horen van getuige [getuige 8] , eveneens met betrekking tot het zaaksdossier Kreta en daarnaast met betrekking tot het zaaksdossier Roos/Doorn. De verdenkingen in de zaaksdossiers Kreta en Roos/Doorn staan niet op de tenlastelegging van verdachte [verdachte 4] . Behoudens de algemene stellingen, dat het (aansluiten bij de ver)horen van de getuige(n) van belang is om de betrouwbaarheid van de kroongetuige te toetsen en de verklaringen van deze getuigen mogelijk relevant zijn voor de verdenking van deelname aan een criminele organisatie jegens verdachte [verdachte 4] , heeft de verdediging geen concrete onderbouwing gegeven van het belang tot het horen van de getuigen. De verzoeken worden daarom afgewezen, nu de relevantie voor de beantwoording van de vragen van de artikelen 348 en 350 Sv onvoldoende is onderbouwd.

Opmerkingen in de zaken van verdachte [verdachte 11]

Reactie van de rechtbank op vragen van de verdediging

De verdediging van verdachte [verdachte 11] heeft een aantal vragen gesteld over de zitting van 10 december 2020 in de zaak van verdachte [verdachte 1] , en met name over het moment dat de raadslieden van verdachte [verdachte 1] hebben gevraagd of ze de rechtbank even buiten de zitting om mochten spreken.

De voorzitter heeft in zijn inleiding op 13 januari 2021 hierover het volgende gezegd (en zo is het ook in het proces-verbaal opgenomen):

“Dat er aan de zijde van de kroongetuige hierover vragen bestaan, begrijpt de rechtbank wel. Het via e-mail beantwoorden van vragen die de logistiek overstijgen past echter niet, daarom zal ik er nu iets uitgebreider op ingaan. Als een advocaat met een verzoek komt om buiten de zitting om kort te mogen spreken met de rechtbank, weet ik

uiteraard niet van tevoren waar dat over gaat. Ik neem alle advocaten uiterst serieus en een dergelijk verzoek neem ik dus ook serieus. In een gesprek met een advocaat buiten de zitting om wordt vanzelfsprekend niet gesproken over inhoudelijke punten en wordt niets besloten. Dat is nu ook niet gebeurd. De rechtbank hoort vooral aan wat een advocaat wil zeggen en dat gebeurt in aanwezigheid van het Openbaar Ministerie.

Toen de zitting weer aanving, heb ik aangegeven dat dit gesprek had plaatsgevonden en ook waar het over ging. Ik heb de kroongetuige vervolgens aangesproken op de toon van zijn verklaring kort voor de pauze – de woordkeuze “tirade” is daarbij mijn woordkeuze geweest, maar teruglezend in het proces-verbaal van de zitting lees ik dat mr. Meijering die term voor de pauze ook gebruikt heeft – en ik heb de kroongetuige verzocht om te proberen het zakelijk te houden. Ook heb ik hem aangegeven dat hij

soms de neiging heeft bijdehand te reageren op opmerkingen van mr. Meijering, iets waar hij het zelf overigens niet mee eens was. Dat mag, en het is goed dat hij dat heeft aangegeven.

De door mij gegeven aanwijzingen passen bij aanwijzingen van de voorzitter in het kader van het bepaalde in artikel 291 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv). Dat artikel luidt als volgt: “De getuige moet bij zijn verklaring zo veel mogelijk uitdrukkelijk opgeven wat hij heeft waargenomen en ondervonden en wat zijn redenen van wetenschap zijn.” Kortweg: verklaar wat je weet en hoe je het weet. Getuigen hebben een grote vrijheid om op de zitting te verklaren wat zij willen verklaren, maar als zij teveel uitweiden (bijvoorbeeld op een wijze die niet echt meer gezien kan worden als een antwoord op de gestelde vraag) grijpt een voorzitter soms in. En als de emoties bij een getuige hoog oplopen gebeurt dat soms ook, bijvoorbeeld door even te pauzeren en daarna de getuige aan te spreken. Dit gebeurt mede om de getuige in bescherming te nemen. Het is zwaar om langdurig achter elkaar bevraagd te worden. Ook in dat kader moet het door mij aanspreken van de kroongetuige worden gezien.”

Ook mr. Flokstra heeft ter zitting nog een korte toelichting gegeven op hetgeen heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn hiermee de vragen van de verdediging van verdachte [verdachte 11] afdoende beantwoord. De (algemene) stelling van de verdediging van verdachte [verdachte 11] dat als een advocaat vraagt om de rechtbank even buiten de zitting om te mogen spreken, dit alleen kan met instemming van de andere procespartijen, deelt de rechtbank niet.

In de zaken van alle verdachten

Overige verzoeken en vragen

Voor zover de verdediging nog andere verzoeken heeft gedaan of vragen heeft gesteld, blijven deze hier onbesproken omdat de rechtbank er, gelet op de reactie van het Openbaar Ministerie, van uitgaat dat hierop geen beslissing meer hoeft te volgen. Voor zover dit anders is, kan de verdediging bij gelegenheid van een volgende zitting deze (eventuele) onbesproken verzoeken en vragen opnieuw onder de aandacht brengen.