Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2283

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
31-05-2021
Zaaknummer
13-009970-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Winkeldiefstal gevolgd van geweld en bedreiging met geweld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13-009970-21

Datum uitspraak: 22 april 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1982,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het [plaats detentie].

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. G.P. Soleh, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. M.I. L’Ghdas, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – na wijziging op de terechtzitting – kort gezegd verweten dat hij op 6 september 2020 in een winkel van Kruidvat op het [adres] te Amsterdam

feit 1, primair:

heeft geprobeerd om [persoon] van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, door met een multitool met uitgeklapt lemmet stekende en/of zwaaiende bewegingen te maken in de richting van het hoofd of de romp van die [persoon];

feit 1, subsidiair:

[persoon] met deze multitool heeft bedreigd;

feit 2:

een flesje parfum heeft gestolen, waarna hij geweld heeft gebruikt en/of heeft gedreigd geweld te gebruiken tegen [persoon] om uit de winkel weg te kunnen komen.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage 1 die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gevorderd dat het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde bewezen zal worden verklaard.

Verdachte heeft in een winkel van Kruidvat een flesje parfum gestolen, welke diefstal verdachte bekent. Op de camerabeelden zijn na deze diefstal twee geweldsmomenten zichtbaar. Het eerste geweldsmoment begint om 17:30:42 uur, waarbij verdachte door de beveiliger wordt aangesproken. Enkele seconden later heeft verdachte een niet uitgeklapt mes/voorwerp in handen. Om 17:31:08 vindt een worsteling plaats met de beveiliger, waarbij verdachte zich met kracht probeert los te wringen om te ontkomen aan zijn aanhouding. Het tweede geweldsmoment vindt plaats nadat verdachte om 17:31:30 uur door de beveiliger naar de grond is gewerkt. Verdachte heeft dan een scherp voorwerp in handen, waarmee hij twee seconden later een stekende beweging naar de beveiliger maakt. Verdachte rukt zich los en het gevecht verplaatst zich naar de uitgang. Vanaf 17:31:45 uur is te zien dat verdachte met het scherpe voorwerp dat hij in zijn handen heeft meerdere krachtige stekende/zwaaiende bewegingen richting het hoofd en/of romp van de beveiliger maakt.

Door het maken van deze stekende/zwaaiende bewegingen in de richting van het hoofd en romp heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij de beveiliger fataal zou kunnen raken, dan wel dat deze beveiliger daardoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

Door zich met geweld en dreiging met geweld tegen de beveiliger te verzetten, nadat hij op heterdaad op een winkeldiefstal was betrapt, heeft hij zich tevens schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 primair tenlastegelegde. Verdachte heeft nadat hij door de beveiliger was aangesproken een dreigende houding aangenomen in een poging om uit de winkel weg te komen. Hij wilde de beveiliger bang maken, zodat hij hem los zou laten. Wanneer verdachte daadwerkelijk de bedoeling zou hebben gehad de beveiliger iets aan te doen dan was dit voor hem mogelijk geweest, maar dat is niet gebeurd. Tijdens de worsteling waarbij verdachte door de beveiliger naar de grond is gebracht is vanaf 17:31:32 uur te zien dat verdachte bewegingen maakt met een multitool. Anders dan de beveiliger heeft verklaard, zijn op de beelden op dat moment geen steekbewegingen in de richting van de beveiliger te zien.

Nadat het gevecht zich heeft verplaatst naar de uitgang van de winkel is op de beelden te zien dat verdachte een uitgeklapte multitool in zijn hand heeft en daarmee bewegingen maakt. Anders dan in het proces-verbaal beschrijving camerabeelden is vermeld, is op de beelden niet te zien dat verdachte bij de uitgang stekende bewegingen naar de beveiliger maakt. Ook aangever heeft dit niet verklaard. Verdachte wilde alleen wegkomen en heeft nooit de intentie gehad om de beveiliger iets aan te doen. Ook voorwaardelijk opzet op de dood of op zware mishandeling kan niet worden aangenomen. Verdachte heeft immers geen stekende bewegingen in de richting van de beveiliger gemaakt. Bovendien kan uit het dossier niet worden opgemaakt hoe scherp het voorwerp was dat verdachte in handen had en hoe groot de kans is geweest dat verdachte daarmee door zijn handelen vitale lichaamsdelen van de beveiliger zou raken.

Met betrekking tot feit 1 subsidiair en feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Op grond van de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van verdachte, acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 6 september 2020 in een filiaal van Kruidvat aan het [adres] te Amsterdam een flesje parfum heeft gestolen. Nadat verdachte op heterdaad door een beveiliger van de winkel was betrapt en door deze beveiliger was verzocht om mee te lopen naar de onderzoeksruimte, heeft verdachte geprobeerd om weg te komen. Daarbij is hij in worsteling gekomen met de beveiliger, waarbij het hem uiteindelijk is gelukt om zich aan de greep van de beveiliger te onttrekken en de winkel te verlaten. Dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal gevolgd van geweld staat daarmee vast.

Uit de aangifte van de beveiliger en de camerabeelden van het gebeurde blijkt dat verdachte tijdens de worsteling met de beveiliger een metaalkleurig voorwerp in handen heeft gehad en daarmee bewegingen heeft gemaakt. De beveiliger heeft dit voorwerp omschreven als een opengeklapt mes. Op grond van de bewijsmiddelen en de behandeling ter terechtzitting gaat de rechtbank er vanuit dat het voorwerp een zogenaamde multitool is geweest, met verschillende hulpstukken die kunnen worden uitgeklapt. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte rond 17.31:29 uur, terwijl hij op dat moment door de beveiliger wordt vastgehouden, een hulpstuk van deze multitool uitklapt. Hoewel niet met zekerheid kan worden vastgesteld wat voor hulpstuk dit precies is geweest, is om 17:31:43 uur een lang en puntig hulpstuk te zien, dat naar zijn aard geschikt moet worden geacht om letsel toe te brengen.

De beveiliger heeft verklaard dat verdachte met dit voorwerp diverse steekbewegingen in de richting van zijn hoofd en romp heeft gemaakt.

De verbalisant die de beelden heeft omschreven heeft op deze beelden waargenomen dat verdachte, vlak voor het moment dat hij de winkel uit wist te rennen, met zijn rechterarm terwijl hij de uitgeklapte multitool in zijn rechterhand had, enkele krachtige bewegingen heeft gemaakt in de richting van de beveiliger, waaronder zijn gezicht.

Ter terechtzitting zijn de camerabeelden afgespeeld. De rechtbank constateert dat op deze beelden is te zien dat verdachte tijdens de confrontatie met de beveiliger met de multitool met uitgeklapt puntig voorwerp zwaaiende bewegingen maakt, ook in de richting van de beveiliger. Op de beelden heeft de rechtbank echter niet waargenomen dat verdachte op de beveiliger heeft proberen in te steken. De rechtbank heeft ook niet de overtuiging dat verdachte dit heeft gedaan. Alles wijst er op dat verdachte de multitool heeft gebruikt om de beveiliger af te dreigen om zo uit de winkel te kunnen vluchten.

Door tijdens de confrontatie zwaaiende bewegingen te maken met de multitool met puntig voorwerp heeft verdachte vanzelfsprekend een risico genomen dat de beveiliger onbedoeld door dit voorwerp geraakt zou worden. De rechtbank acht de kans dat de beveiliger als gevolg van dit handelen van verdachte dodelijk gewond zou worden dan wel zwaar lichamelijk letsel zou oplopen niet aanmerkelijk, zodat ook voorwaardelijk opzet op deze gevolgen niet kan worden aangenomen.

De rechtbank acht aldus niet bewezen dat verdachte opzettelijk heeft geprobeerd om de beveiliger van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en zal verdachte vrijspreken van het onder 1 primair tenlastegelegde.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de onder 1 subsidiair ten laste gelegde bedreiging en de onder 2 ten laste gelegde diefstal met geweld.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage 2 opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde:

op 6 september 2020 te Amsterdam, [persoon] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte een multitool met uitgeklapt puntig voorwerp gepakt en aan die [persoon] getoond;

ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde:

op 6 september 2020 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een flesje parfum, toebehorende aan winkelbedrijf Kruidvat,

welke diefstal werd gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [persoon], gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld bestonden uit:

- het pakken en tonen van een multitool met uitgeklapt puntig voorwerp aan die [persoon] en

- het verzetten tegen zijn, verdachtes aanhouding door met zijn armen te zwaaien en zijn armen weg te trekken en zich los te rukken uit de greep van die [persoon] en te worstelen met die [persoon].

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf en maatregel

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 15 maanden.

7.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte is niet eerder voor een geweldsdelict veroordeeld. Hij heeft meermalen in detentie gezeten voor winkeldiefstallen maar heeft daarbij nooit hulp gehad bij zijn problemen. Het advies van de reclassering biedt hem nu enig perspectief. De raadsman verzoekt om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact, met begeleiding door AMOC.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

7.3.1.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft in een filiaal van Kruidvat een flesje parfum gestolen. Nadat hij op heterdaad door een beveiliger was betrapt heeft hij geprobeerd om weg te komen uit de winkel. Hij is daarbij in worsteling gekomen met de beveiliger, waarbij hij zich met geweld heeft losgerukt en waarbij hij dreigend een multitool met puntig voorwerp heeft getoond. Verdachte heeft door zijn handelen schade en overlast voor het winkelbedrijf en angst en grote ergernis bij de beveiliger veroorzaakt. Ten tijde van het incident waren in de winkel klanten en winkelpersoneel aanwezig. Er kan worden aangenomen dat dit soort geweld in openbare ruimtes bij hen tot gevoelens van onveiligheid en verontwaardiging hebben geleid.

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat verdachte in de afgelopen twee jaren met grote regelmaat voor winkeldiefstallen is veroordeeld. Inmiddels voldoet verdachte aan de harde criteria voor het opleggen van de ISD-maatregel.

In het over verdachte opgemaakte reclasseringsadvies van Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering van 8 maart 2021 is te lezen dat verdachte in 1999 in Roemenië verslaafd is geraakt aan heroïne. In 2010/2011 heeft hij in Roemenië een verslavingsbehandeling ondergaan, waarna hij methadonafhankelijk is geworden. Ongeveer twee jaren geleden is hij vanuit Roemenië naar Nederland gekomen. Hij heeft hier geen vast woonadres, geen inkomen en geen dagbesteding. Omdat hij in Nederland geen rechten heeft opgebouwd komt hij niet in aanmerking voor een uitkering. Hij voorziet door middel van diefstallen in zijn levensonderhoud en methadonafhankelijkheid. Inmiddels is zijn verblijfsrecht ingetrokken en is zijn daartegen ingesteld bezwaar ongegrond verklaard.

Aangezien verdachte niet eerder in contact is geweest met hulpverlening in Nederland wil de reclassering, alvorens de ISD-maatregel te overwegen, verdachte een kans geven zijn leven te beteren. Verdachte lijkt volgens de reclassering gemotiveerd te zijn voor gedragsverandering en open te staan voor hulpverlening. Vanuit detentie staat hij inmiddels in contact met de hulpverleningsorganisatie AMOC. Volgens AMOC zijn er mogelijkheden waarbij zij verdachte kunnen begeleiden naar langdurige opvang, structurele dagbesteding en ondersteuning bij het tegengaan van zijn middelengebruik.

De reclassering adviseert een deels voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde een verplicht reclasseringscontact, ook als dat inhoudt meewerken met AMOC.

In aanmerking genomen de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) ligt voor de bewezenverklaarde winkeldiefstal gevolgd van fors geweld en bedreiging met een scherp voorwerp, waarbij sprake is van veelvuldige recidive, een gevangenisstraf van 5 maanden in de rede.

Nu de bewezen verklaarde bedreiging van feit 1 subsidiair tevens onderdeel uitmaakt van de onder 2 bewezen verklaarde diefstal met geweld, zal de rechtbank dit feit niet strafverhogend meewegen.

Omdat de rechtbank verdachte in afwijking van de eis van de officier van justitie vrij zal spreken van het onder 1 primair tenlastegelegde komt zij tot een aanmerkelijk lagere straf dan gevorderd.

Verdachte heeft niet eerder een reclasseringstraject opgelegd gekregen en de reclassering is bereid om het met verdachte te proberen. Hoewel verdachte aan de harde criteria voor het opleggen van de ISD-maatregel voldoet, is aan de zachte criteria daarom nog niet voldaan. Gezien de omstandigheden waaronder verdachte in Nederland verblijft is het aanbod van de reclassering om hem te begeleiden beslist geen vanzelfsprekendheid. De rechtbank wil verdachte de kans geven om een andere weg in te slaan, maar hij dient zich te realiseren dat wanneer hij opnieuw een strafbaar feit pleegt de ISD-maatregel in zicht komt.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

7.3.2.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon] vordert € 40,- (beschadigd overhemd) aan vergoeding van materiële schade en € 2.000,- aan vergoeding van immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de gevraagde materiële schade geheel en de immateriële schade gedeeltelijk, tot een bedrag van € 500,-, zal worden toegewezen, met wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft geen opmerkingen naar voren gebracht met betrekking tot het gevorderde materiële schadebedrag. Hij heeft bepleit dat de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk wordt verklaard. De benadeelde partij stelt dat hij getraumatiseerd is door het gebeuren, maar de vordering is op dit punt niet met stukken onderbouwd.

De rechtbank stelt vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht, doordat zijn overhemd is beschadigd. De gevorderde schadevergoeding van € 40,- komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd (6 september 2020).

Met betrekking tot de gevorderde immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op artikel 6:106 BW ontstaat het recht op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen onder meer in geval van aantasting in de persoon door het oplopen van lichamelijk letsel, door schade in zijn eer of goede naam of op andere wijze. Van dit laatste geval is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld.

Gevoelens van onveiligheid en wantrouwen, hoe vervelend ook, zijn daarvoor onvoldoende. Gedacht kan worden aan psychische gevolgen waarvoor behandeling geïndiceerd is en waarvan onderbouwing van een deskundige beschikbaar is. In deze zaak is daarvan niet gebleken.

Voor de gevorderde immateriële schadevergoeding zal de benadeelde partij daarom niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan zich daarvoor eventueel tot de civiele rechter wenden.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon] wordt, als extra waarborg voor betaling aan hem, de maatregel van artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 1 primair tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling;

ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

diefstal, gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

Meldplicht bij reclassering

Veroordeelde meldt zich binnen vijf dagen na het ingaan van de proeftijd bij Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering op het adres [adres, te plaats] en houdt zich aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, ook als dat inhoudt meewerken met AMOC. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

Geeft aan Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon] toe tot een bedrag van

€ 40,- (veertig euro) aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 september 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon] aan de Staat € 40,- (veertig euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 6 september 2020 tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van maximaal 1 dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde vrijheidsstraf.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. C.P. Bleeker en C. Huizing-Bruil, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 april 2021.

[…]

2 […]

[…]