Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2280

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
RK 21/2068
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

klaagschrift ex artikel 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994 deels gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 96/093080-21

RK: 21/2068

Beschikking op het klaagschrift ex artikel 164 lid 8 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [adres]

te [woonplaats] ,

klager.

1 De procesgang

Het klaagschrift is op 15 april 2021 bij akte ingediend ter griffie van deze rechtbank.

Gelet op de omstandigheden rondom het coronavirus heeft in onderhavige zaak geen raadkamerzitting plaatsgevonden. Zowel de officier van justitie, mr. P. van Laere, als klager hebben per e-mail aangegeven dat een behandeling van het klaagschrift zonder zitting kan plaatsvinden en dat volstaan kan worden met een uitwisseling van schriftelijke standpunten per e-mail.

De rechtbank heeft op 23 en 26 april 2021 per e-mail de standpunten van de officier van justitie en klager ontvangen.

2 De inhoud van het klaagschrift

Het klaagschrift strekt tot teruggave van het rijbewijs van klager dat is ingevorderd en dat de officier van justitie onder zich houdt.

Klager heeft in zijn klaagschrift – kort samengevat – naar voren gebracht dat hij weliswaar te hard heeft gereden, maar dat hij dit deed, omdat hij samen met zijn zoon nieuwsgierig was hoe hard de auto kon gaan. Hij heeft spijt van deze actie. Klager heeft zijn rijbewijs dringend nodig voor zijn werk als operationeel manager bij een logistiek bedrijf in Mijdrecht. Ook heeft hij zijn rijbewijs nodig om zijn kinderen op te halen en thuis te brengen. De ex-vrouw van klager is daartoe niet in de gelegenheid.

3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat klager veel te hard heeft gereden. Medeweggebruikers kunnen niet anticiperen op zulk afwijkend verkeersgedrag, met alle risico’s van dien. De officier van justitie houdt rekening met het feit dat klager niet eerder in aanraking is gekomen met justitie. De officier van justitie zou bij een inhoudelijke zitting een ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor 4 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk vorderen. Gelet op het voorgaande kan het klaagschrift volgens de officier van justitie daarom gedeeltelijk gegrond worden verklaard en het rijbewijs zou per 28 mei 2021 kunnen worden geretourneerd aan klager.

4 De beoordeling

Tegen klager is op proces-verbaal opgemaakt ter zake van verdenking van overtreding van artikel 62 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990, gepleegd te Amsterdam op 28 maart 2021.

Het proces-verbaal houdt in dat klager de maximumsnelheid, aangegeven door bord model A1, na wettelijke correctie heeft overschreden met 82 kilometer per uur.

Op 28 maart 2021 is op grond van het bovenstaande het rijbewijs van klager ingevorderd.

Op 6 april 2021 heeft de officier van justitie beslist dat het rijbewijs voor vier maanden tot uiterlijk 26 juli 2021 wordt ingehouden.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 6 april 2021 blijkt dat klager niet eerder is veroordeeld.

Het is nog onbekend wanneer de strafzaak tegen klager behandeld zal worden.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 lid 4 WVW 1994 rechtmatig, nu het vermoeden bestaat dat klager de maximumsnelheid met 50 kilometer per uur of meer heeft overschreden en niet is gebleken dat de officier van justitie niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van klager is niet uitgesloten dat de officier van justitie op de TOM-zitting dan wel de kantonrechter te zijner tijd in de strafzaak ruimte ziet een inhouding van het rijbewijs voor een kortere duur te compenseren met een (hogere) geldboete, taakstraf of het opleggen van een gedeeltelijk voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, zodat klager zijn rijbewijs terug dient te krijgen met ingang van 28 mei 2021. Dit laat onverlet de mogelijkheid voor de officier van justitie of kantonrechter om later alsnog een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen die de duur van inhouding overtreft. Het beklag zal gegrond verklaard worden, voor zover het rijbewijs van klager wordt ingehouden na 28 mei 2021.

5 De beslissing

De rechtbank verklaart het beklag gegrond, voor zover de inhouding van het rijbewijs van klager voortduurt tot na 28 mei 2021.

De rechtbank gelast de teruggave van het rijbewijs aan klager, met ingang van 28 mei 2021.

Deze beslissing is gegeven op 3 mei 2021 door

mr. M.A.E. Somsen, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose, griffier.

Tegen deze beslissing staat voor klager beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking.