Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2273

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-04-2021
Datum publicatie
18-05-2021
Zaaknummer
RK 21/596 + 21/598
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

verzoeken ex artikel 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering afgewezen, verzoeker niet in verzekering gesteld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 13/253468-20

RK: 21/596 + 21/598

Beschikking op de verzoeken ex artikel 533 en 530 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedag] 1969 te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),

wonend op de [adres verzoeker] ,

woonplaats kiezend op het kantooradres van zijn raadsman,

mr. R.T. Laigsingh,

[adres raadsman] ,

verzoeker.

1 De procesgang

Het verzoekschrift is op 28 januari 2021 ter griffie van deze rechtbank ontvangen.

Op 11 februari 2021 heeft het Openbaar Ministerie zijn standpunt schriftelijk kenbaar gemaakt.

De rechtbank heeft op 9 april 2021 de gemachtigde raadsman en de officier van justitie, mr. N.S. Levinsohn, in openbare raadkamer gehoord.

Verzoeker is, hoewel daartoe rechtsgeldig opgeroepen, niet in raadkamer verschenen.

2 De inhoud van het verzoekschrift

Het verzoek strekt tot het toekennen van een vergoeding van € 105,- voor de schade die verzoeker ten gevolge van de ondergane verzekering op het politiebureau stelt te hebben geleden.

Het verzoek strekt daarnaast tot het toekennen van een vergoeding van € 550,- voor de kosten van het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift.

In het verzoekschrift is opgenomen dat verzoeker van 9 oktober 2020 van 11:16 uur tot 9 oktober 2020 om 21:53 uur op het politiebureau werd vastgehouden ter zake van een strafbaar feit, te weten diefstal. Verzoeker is voor dat feit door de politierechter op de zitting van 29 april 2020 vrijgesproken en het Openbaar Ministerie heeft geen hoger beroep ingesteld. Verzoeker heeft een slechte gezondheid en heeft door het ondergaan van de detentie schade geleden. Hij heeft COPD en hartproblemen. Verzoeker heeft door deze factoren en de aard van de verdenking, zijn vrijheidsbeneming als extra zwaar en vernederend ervaren. Gelet op het voorgaande meent verzoeker dan ook, alle omstandigheden in acht genomen, gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een schadevergoeding. Verzoeker is weliswaar niet (tijdig) in verzekering gesteld hoewel dat op grond van dat moment geldende regels wel had gemoeten. Dat formeel geen inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden staat om die reden niet in de weg aan het toekennen van een vergoeding (ECLI:NL:RBAMS:2020:4407).

Bij het bepalen van het aantal dagen dat iemand gedurende zijn voorarrest in een politiecel en/of huis van bewaring heeft doorgebracht, wordt zowel de dag waarop de inverzekeringstelling is aangevangen als de dag van de invrijheidstelling naar de maatstaf van een volledige dag vergoed. Ook indien de inverzekeringstelling is aangevangen én geëindigd op een en dezelfde dag (en het voorarrest dus tot enkele uren beperkt is gebleven) wordt een vergoeding toegekend naar de maatstaf van een volledige dag (ECLI:NL:RBAMS:2020:4555).

3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft – met verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich wel te verzetten tegen het toekennen van de standaardschadevergoeding, nu er geen inverzekeringstelling heeft plaatsgevonden en er ook geen inverzekeringstelling hoefde plaats te vinden. Verzoeker is namelijk om 13:12 uur opgehouden voor onderzoek, waarna de termijn is gaan lopen.

De officier van justitie verzet zich ook tegen toekenning van de vergoeding voor het opstellen van het verzoekschrift.

4 De beoordeling

Verzoeker is op 9 oktober 2020 aangehouden en niet in verzekering gesteld, maar dezelfde dag heengezonden.

Verzoeker is op 29 oktober 2020 door de politierechter van deze rechtbank vrijgesproken.

Indien de zaak tegen een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of als wel een straf en/of maatregel is opgelegd, maar op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, kan de rechtbank op grond van artikel 533 Sv op verzoek van de gewezen verdachte, hem een vergoeding ten laste van de Staat toekennen voor de schade die hij ten gevolge van ondergane verzekering, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden.

Indien de zaak tegen een verdachte eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan op verzoek van de gewezen verdachte op grond van artikel 530 lid 2 Sv, aan hem, uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade, die hij ten gevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling der zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede in de kosten van een raadsman.

Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak.

Op grond van artikel 534 lid 1 Sv heeft de toekenning van een vergoeding steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechtbank, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn.

De strafzaak tegen verzoeker is op 29 oktober 2020 geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel.

Het verzoek is tijdig ingediend.

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 533 Sv

De rechtbank stelt vast dat verzoeker niet in verzekering is gesteld en uit het dossier van de strafzaak blijkt ook niet dat verzoeker gelet op de geldende regels in verzekering had moeten worden gesteld. Dit maakt dat er geen grond is voor het toekennen van schadevergoeding voor uren die doorgebracht zijn in een politiecel.

Ten aanzien van het verzoek ex artikel 530 Sv

Gelet op het voorgaande, zal de rechtbank de vergoeding voor het opmaken, indienen en behandelen van het verzoekschrift ook niet toekennen.

De rechtbank komt tot de volgende beslissing.

5 De beslissing

Ten aanzien van de verzoeken ex artikel 533 en 530 Sv:

Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk.

Deze beslissing is gegeven door

mr. W.M.C. Van den Berg, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.T. St Rose griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2021.

Tegen deze beslissing staat hoger beroep open, voor de officier van justitie binnen veertien dagen

en voor verzoeker binnen een maand na betekening van deze beschikking,

in te stellen ter griffie van deze rechtbank.