Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2245

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
13-016920-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Een 19-jarige man is veroordeeld tot 2 maanden jeugddetentie voor afpersing. Ondanks het advies van de reclassering en psycholoog om het volwassenenstrafrecht toe te passen heeft de rechtbank het adolescentenstrafrecht toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/016920-21 (Promis)

Datum uitspraak: 7 mei 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] ,

gedetineerd in het [plaats detentie] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de zitting van 23 april 2021. Verdachte was bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. Geurts, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. S. Pijl, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich samen met een ander op 17 januari 2021 in Duivendrecht heeft schuldig gemaakt aan afpersing van [aangever] , waarbij airpods, een portemonnee, tien euro en sleutels zijn weggenomen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen als bijlage 1 bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de ten laste gelegde afpersing. De aangifte wordt ondersteund door de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] . Verdachte ontkent dat sprake is geweest van een afpersing, maar zijn verklaring over de gang van zaken is ongeloofwaardig. Bovendien wordt zijn verklaring weerlegd door de inhoud van het dossier. Verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen, omdat het dossier daarvoor onvoldoende aanknopingspunten biedt.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] zijn niet aanwezig geweest bij het moment dat aangever zijn spullen aan verdachte heeft overhandigd. Dat betekent dat enkel de verklaring van aangever daarover resteert. De verklaring van aangever is inconsistent en wordt niet ondersteund door het dossier. Verdachte heeft daarentegen vanaf het begin openheid van zaken geboden en consistent verklaard. De verklaring van verdachte – dat aangever zijn spullen uit eigen beweging heeft afgegeven – past bovendien bij de overige inhoud van het dossier. Zelfs als wordt aangenomen dat verdachte geweld heeft gebruikt of heeft gedreigd met geweld, kan niet worden gezegd dat verdachte hiermee ook het oogmerk heeft gehad om zich de spullen van aangever toe te eigenen. Verdachte heeft immers verklaard dat hij achter aangever is aangerend om hem aan de tand te voelen, omdat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat aangever een inbraak aan het beramen was. Dat was het volledige oogmerk van verdachte. Dit sluit aan bij wat de psycholoog schrijft, namelijk dat verdachte – vanuit zijn stoornissen – de situatie verkeerd heeft geïnterpreteerd.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de bewijsmiddelen, zoals opgenomen in bijlage 2 bij dit vonnis, kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de afpersing van [aangever] .

Aangever heeft over het incident – kort gezegd – het volgende verklaard. Hij was die avond samen met één van zijn begeleiders kranten aan het rondbrengen. Hij zag een auto die langzaam reed. De bijrijder sprak zijn begeleider aan. Er werd een aantal woorden gewisseld, waarna zijn begeleider omdraaide en wegfietste. De bijrijder stapte toen uit en begon achter aangever aan te rennen. Aangever fietste terug naar het gebouw waar hij woonde, parkeerde zijn fiets en wilde naar binnen. De voordeur bleek echter op slot. Hij is toen gaan rennen, maar de jongen haalde hem in. Hij duwde aangever met kracht tegen een muur en zei dreigend tegen hem dat hij zijn spullen moest afgeven. Aangever pakte daarop zijn portemonnee, IPhone, airpod en sleutels. Hij moest deze van de jongen op een container leggen. De jongen pakte vervolgens de portemonnee en haalde daar het geld uit. Hij deed dit in zijn zak. Ook de airpod deed hij in zijn zak. Vervolgens zei de jongen op een dreigende manier dat aangever mee moest lopen. Aangever deed dit. De jongen zei dat aangever op zijn iPhone moest inloggen. Aangever probeerde in te loggen, maar het lukte hem niet. De jongen zei toen: “Doe die toegangscode of ik sla je in elkaar!”. Op dat moment kwam een andere begeleidster naar hen toe. Zij ging in gesprek met de jongen. De jongen gaf de iPhone terug. Hij zwaaide dreigend met een stanleymes en liep daarna weg.

Deze verklaring vindt op belangrijke onderdelen steun in de verklaringen van de begeleiders van aangever, getuigen [getuige 2] en [getuige 1] . Getuige [getuige 2] heeft verklaard dat er een woordenwisseling was bij de auto, waarna hij is weggefietst en naar aangever riep dat hij moest maken dat hij wegkwam. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat zij vervolgens werd gebeld door [getuige 2] met de vraag of zij de voordeur wilde openmaken voor aangever. Getuige [getuige 1] deed dit. Zij zag toen dat aangever niet bij de voordeur stond. Hij stond even verderop bij een jongen. Zij zag dat de jongen aangever “een beetje dwong om met hem mee te lopen”. Zij zag aan aangever dat er iets aan de hand was. Hij trilde en ademde zwaar. Hij bleef ook stil toen zij hem vroeg wat er aan de hand was. Zij ging vervolgens kort met de jongen in gesprek. Zij zag tijdens dat gesprek dat de jongen de telefoon van aangever in zijn hand vasthield. De jongen gaf de telefoon terug aan aangever. Hij wees een voorwerp in het gezicht van aangever en zei: “Kom niet meer bij ons in de buurt”, waarna hij wegliep.

Ook vindt de verklaring van aangever op onderdelen steun in de verklaring van verdachte. Verdachte heeft namelijk verklaard dat hij uit de auto is gestapt, achter aangever is aangerend en airpods en geld van aangever heeft meegenomen.

Dat aangever deze spullen vrijwillig zou hebben gegeven, zoals verdachte ook heeft verklaard, vindt de rechtbank niet geloofwaardig. De verklaring van verdachte vindt op dit punt ook geen steun in het dossier. Dat geldt ook voor de verklaring van verdachte dat hij enkel aangever aan de tand wilde voelen en niet de bedoeling had om de spullen van aangever onder bedreiging af te nemen. De raadsvrouw verwijst ter onderbouwing hiervan naar het Pro Justitia-rapport, maar daarin is alleen te lezen dat als de verklaring van verdachte wordt gevolgd, het erop lijkt dat hij de situatie verkeerd heeft geïnterpreteerd, wat in dat geval verklaard zou kunnen worden vanuit zijn sociale (pragmatische) communicatiestoornis. Daaruit volgt dus nog niet dat de verklaring van verdachte op dit punt moet worden gevolgd.

Gelet op het voorgaande, is de rechtbank van oordeel dat bewezen is dat verdachte aangever heeft gedwongen om zijn airpod en tien euro af te geven door uit de auto te stappen, achter hem aan te rennen, hem tegen de muur te duwen en te zeggen dat hij zijn spullen moest afgeven. Verdachte zal van de overige ten laste gelegde gedragingen worden vrijgesproken, omdat deze gedragingen niet hebben geleid tot de afgifte van de genoemde spullen. Ook zal verdachte van het medeplegen worden vrijgesproken, omdat het dossier daarvoor geen aanknopingspunten biedt.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 17 januari 2021 te Duivendrecht, gemeente Ouder-Amstel, op de openbare weg, [straatnaam] , met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [aangever] , geboren op 7 november 2006, heeft gedwongen tot de afgifte van een airpod en een geldbedrag van 10 euro, toebehorende aan die [aangever] , door toen die [aangever] wegfietste uit de auto te stappen en achter die [aangever] aan te rennen en die [aangever] met kracht tegen een muur te duwen en tegen die [aangever] te zeggen dat hij zijn spullen af moest geven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

De eis van de officier van justitie

Overeenkomstig het advies van de psycholoog heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat het feit verminderd aan verdachte moet worden toegerekend en dat het volwassenenstrafrecht moet worden toegepast. De officier van justitie heeft vervolgens gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar. Indien de rechtbank van oordeel is dat aan verdachte een kortere gevangenisstraf moet worden opgelegd, heeft de officier van justitie verzocht om daarnaast nog een taakstraf aan verdachte op te leggen.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich eveneens op het standpunt gesteld dat – in geval van een bewezenverklaring – het feit verminderd moet worden toegerekend aan verdachte. Zij verwijst daarbij naar het Pro Justitia-rapport. Daarnaast heeft zij verzocht om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn jonge leeftijd en beperkte ontwikkeling, en hem daarom geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, dan de tijd die hij al in voorarrest heeft doorgebracht. Aan een eventueel voorwaardelijk strafdeel zouden volgens haar de bijzondere voorwaarden kunnen worden verbonden, zoals die door de reclassering zijn geadviseerd.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing, waarbij hij met geweld en onder bedreiging van geweld het slachtoffer heeft gedwongen tot afgifte van zijn spullen. De ervaring leert dat slachtoffers van dit soort misdrijven nog langdurig nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden als gevolg van wat hen is overkomen. Het slachtoffer heeft ook laten weten dat hij door het incident bang is geworden en daarom ook gaat stoppen met het rondbrengen van kranten.

Verminderde toerekeningsvatbaarheid

De rechtbank heeft kennisgenomen van het Pro Justitia rapport van 9 april 2021 van drs. M. Roos, GZ-psycholoog.

In het rapport is te lezen dat bij verdachte sprake is van een sociale (pragmatische) communicatiestoornis en een andere gespecificeerde disruptieve, impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis. Ook is een stoornis ten aanzien van het gebruik van cannabis en lachgas geconstateerd, alsook een ouder-kindrelatieprobleem. Hoewel verdachte op de hoogte is van de normen en regels, is verdachte onvoldoende in staat om zich daar naar te gedragen in dagelijkse situaties. Verdachte kan daardoor intimiderend en bedreigend zijn naar anderen. Door de ouder-kindrelatieproblematiek is er weinig ruimte geweest voor de gevoelens van verdachte in stressvolle situaties. Ten gevolge hiervan stapelen negatieve gevoelens zich op, wat kan resulteren in acting-out gedrag. Ook is verdachte hierdoor op zichzelf aangewezen geweest, wat tot zelfbepalend gedrag heeft geleid. Voornoemde stoornissen zijn aanwezig geweest ten tijde van het ten laste gelegde feit en hebben de gedragskeuzes en gedragingen van verdachte beïnvloed. De psycholoog heeft daarom geadviseerd om het ten laste gelegde in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank neemt deze conclusie over en concludeert dat het bewezen verklaarde verdachte verminderd wordt toegerekend.

Adolescentenstrafrecht

Verdachte was ten tijde van het strafbare feit 19 jaar. Op een verdachte die ten tijde van het strafbare feit meerderjarig is, maar nog geen 23 jaar, kan het adolescentenstrafrecht (hierna: jeugdstrafrecht) worden toegepast als sprake is van omstandigheden gelegen in de persoon van verdachte of als de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd daartoe aanleiding geven.

Zowel de psycholoog als de reclassering wijzen op de mogelijkheid van pedagogische beïnvloeding van verdachte en de noodzaak van voorzetting van zijn schoolgang, maar komen uiteindelijk tot het adviesH om het volwassenenstrafrecht toe te passen. De psycholoog verwijst ter onderbouwing van dit advies naar de aard van de problematiek van verdachte en de daarbij passende aanpak. De reclassering onderbouwt haar advies door te wijzen op het ontbreken van een verstandelijke beperking bij verdachte en de leeftijdsconforme indruk die hij maakt. De reclassering noemt verder nog dat verdachte er een criminele levensstijl op na houdt en zich in een crimineel milieu begeeft. Deskundige K. Pruys heeft hier ter zitting nog aan toegevoegd dat het meer aangewezen is dat verdachte zich door de volwassenreclassering laat begeleiden.

De rechtbank volgt de adviezen van de psycholoog en reclassering niet, nu zij zich niet kan vinden in de onderbouwing daarvan. Het jeugdstrafrecht is specifiek in het leven geroepen voor jongvolwassenen tussen de 18 en 23 jaar, omdat hun hersenfuncties nog niet zijn uitontwikkeld en zij dus (in beginsel) pedagogisch beïnvloedbaar zijn. Het jeugdstrafrecht kan dus wel degelijk worden toegepast bij een jongvolwassene die leeftijdsconform functioneert. Ook het strafblad van verdachte vormt geen contra-indicatie voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Uit de wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat de wetgever juist veelplegers voor ogen had bij de invoering van het jeugdstrafrecht. De rechtbank ziet geen duidelijke aanwijzingen dat verdachte zich in een crimineel milieu begeeft. Daarnaast kan bij toepassing van het jeugdstrafrecht de begeleiding ook door de volwassenenreclassering plaatsvinden.

De rechtbank ziet daarnaast aanknopingspunten voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Uit de adviezen van de psycholoog en reclassering blijkt namelijk – zoals hiervoor vermeld – dat pedagogische beïnvloeding van verdachte mogelijk is en dat hij daarbij gebaat zal zijn. Verdachte heeft op zitting bovendien laten weten dat hij zijn laatste schooljaar goed wil afronden en dat hij openstaat voor hulp. Ook is op zitting gebleken dat de vader van verdachte betrokken is en dat verdachte weer bij zijn vader gaat wonen, zodra hij vrijkomt.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het toepassen van het jeugdstrafrecht van belang is voor een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte, en ook in het belang van de maatschappij, om verdachte er in de toekomst van te weerhouden zich opnieuw schuldig te maken aan het plegen van strafbare feiten. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan het jeugdstrafrecht.

Jeugddetentie

De rechtbank heeft bij het bepalen van de straf rekening gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. De rechtbank heeft hiervoor aansluiting gezocht bij de oriëntatiepunten voor strafoplegging bij jeugdigen, die de rechtbanken en hoven onderling hebben afgesproken. Het oriëntatiepunt voor afpersing is een taakstraf van 60 uur, dan wel 30 dagen jeugddetentie. De rechtbank neemt dit als uitgangspunt bij het bepalen van de op te leggen straf.

Strafverzwarend heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte een kwetsbaar slachtoffer heeft afgeperst. Het slachtoffer was nog maar 14 jaar. Ook het strafblad van verdachte is voor de rechtbank aanleiding om een zwaardere straf op te leggen dan het genoemde oriëntatiepunt. Daaruit blijkt namelijk dat verdachte in de afgelopen vijf jaar eerder is veroordeeld wegens een straatroof. Verdachte had daarom beter moeten weten.

De rechtbank heeft er in strafverminderende zin rekening mee gehouden dat – zoals hiervoor vermeld – het bewezenverklaarde verminderd aan verdachte kan worden toegerekend.

Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een jeugddetentie opleggen van twee maanden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft gezeten.

8 Beslag

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. EUR (Omschrijving: 6019185)

2 1 STK Mes (Omschrijving: 6018373, zwart)

4 2 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: 6018370)

Teruggave aan rechthebbende

De onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen zoals vermeld onder nummers 1 en 2 behoren toe aan aangever [aangever] en moeten aan hem worden teruggegeven.

Onttrekking aan het verkeer

Nu het onder nummer 4 op de beslaglijst vermelde voorwerp is aangetroffen in het onderzoek naar het door verdachte begane feit, terwijl zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, wordt dit voorwerp onttrokken aan het verkeer.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36d, 77c, 77g, 77i en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

afpersing.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

4 2 STK Verdovende Middelen (Omschrijving: 6018370).

Gelast de teruggave aan de rechthebbende, zijnde [aangever] , van:

1. EUR (Omschrijving: 6019185)

2 1 STK Mes (Omschrijving: 6018373, zwart).

Dit vonnis is gewezen door

mr. O.P.M. Fruytier, voorzitter,

mrs. M.C. Eggink en E.G.M.M. van Gessel rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.A. Harland, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 7 mei 2021.

[(...)]