Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2241

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-04-2021
Datum publicatie
27-05-2021
Zaaknummer
13/129667-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 18 maanden voor het met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/129667-19 (Promis)

Datum uitspraak: 29 april 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983[.],

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

10 maart 2021 en 15 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M. Ruijs en van wat verdachte en zijn raadsman mr. W.H. Boomstra naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging op de zitting van 10 maart 2021, – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 29 januari 2019 in Vresse-Sur Semois te België, heeft schuldig gemaakt aan:

  • -

    primair: de verkrachting van [persoon 1] ;

  • -

    subsidiair: een poging tot verkrachting van [persoon 1] ;

  • -

    meer subsidiair: het seksueel binnendringen van een bewusteloze, onmachtige of gestoorde en

  • -

    meest subsidiair: poging tot het seksueel binnendringen van een bewusteloze onmachtige of gestoorde.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de verkrachting zoals primair ten laste gelegd. De officier van justitie acht niet bewezen dat verdachte met zijn penis de vagina van aangeefster heeft gepenetreerd en heeft van dat deel van de tenlastelegging vrijspraak gevorderd.

3.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft integrale vrijspraak bepleit wegens het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte aangeefster met zijn penis heeft gepenetreerd. Hiertoe biedt het dossier te weinig aanknopingspunten nu aangeefster daar wisselend over heeft verklaard en geen van de getuigen hierover hebben gesproken. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging (partieel) worden vrijgesproken.

3.3.2

Veroordeling voor de overige handelingen

De aanloop naar het ten laste gelegde

De volgende feiten kunnen op grond van de gebruikte bewijsmiddelen als vaststaand worden aangemerkt. Deze feiten hebben ter terechtzitting niet ter discussie gestaan en kunnen dienen als vertrekpunt voor de beoordeling van deze strafzaak.

Verdachte en [persoon 1] (hierna: aangeefster) waren beiden werkzaam bij restaurant de [naam restaurant] . Op 28 januari 2019 zijn verdachte en aangeefster met ongeveer 30 collega’s (inclusief de twee eigenaars/leidinggevenden), voor een bedrijfsuitje van drie dagen afgereisd naar een villa in de Belgische Ardennen.

De villa had meerdere slaapvertrekken en een bijgebouw met onder meer een zwembad. Bij aankomst is afgesproken dat aangeefster samen met verdachte op een kamer, in een tweepersoonsbed zou slapen. Aangeefster en verdachte gingen goed met elkaar om, zonder bijbedoelingen. Daarom hadden zij beiden geen probleem om samen een kamer te delen.

Tijdens het uitje vond op de eerste avond een feest plaats, waarbij werd gezwommen, veel alcohol werd gedronken en spelletjes werden gespeeld. Op enig moment nadat aangeefster had gezwommen wilde zij haar haren wassen. Omdat op haar kamer alleen een bad stond en geen douche, besloot aangeefster in bad te gaan. Verdachte kwam op dat moment ook op de kamer. Hij stelde toen voor samen in bad te gaan, om tijd te sparen. Aangeefster had hier geen problemen mee, onder de voorwaarde dat zij beiden badkleding zouden dragen. Verdachte en aangeefster zijn toen samen in hun badkleding in bad gegaan en verdachte heeft op verzoek van aangeefster -hij was vroeger kapper geweest- haar haren gewassen.

Hierna zijn verdachte en aangeefster terug naar de groep gegaan, waar een spel (quiz) werd georganiseerd. Aangeefster heeft gedurende de avond meerdere glazen wijn gedronken. Rond middennacht is aangeefster met een andere collega, [persoon 2] , getuige [getuige 1] (hierna: [getuige 1] ), naar haar slaapkamer gegaan, waar zij seks met elkaar hebben gehad. Tijdens de seks werd de kamerdeur geopend door verdachte die, toen hij hen zag, direct weer weg is gegaan.

Na de seks heeft aangeefster zich weer onder de feestende collega's begeven en deelgenomen aan de activiteiten. Aangeefster heeft toen vier of vijf glazen wijn gedronken. Op enig moment is aangeefster op een bank in de woonkamer in slaap gevallen, waarna zij door een aantal collega’s naar haar bed is gebracht.

De verklaring van aangeefster

Aangeefster heeft verklaard dat zij, nadat zij in bed was gelegd, op enig moment wakker werd doordat ze voelde dat haar broek en onderbroek naar beneden waren getrokken en zij meerdere malen vingers in haar vagina voelde gaan. Aangeefster lag op dat moment op haar buik. Ze raakte steeds meer bij haar positieven en omdat ze niet wilde dat iemand aan haar zat en niet wist wie dit deed zei ze: "What the fuck ... of “Wat doe je!? Verdachte zei vervolgens tegen haar: “ik wil je neuken” of “ik ga je neuken”.

Toen aangeefster zich realiseerde dat verdachte degene was die haar betastte, is ze gelijk opgestaan. Ze had haar trui nog aan. Haar broek en onderbroek waren naar beneden getrokken en deze heeft ze omhoog getrokken. Zij is vervolgens de kamer uitgelopen en verdachte is in het bed gebleven. Dit was rond vijf of zes uur in de ochtend.

Aangeefster is naar beneden gelopen waar zij vervolgens tegen meerdere collega’s, waaronder [persoon 3] (hierna: [persoon 3] ) en [persoon 4] (hierna: [persoon 4] ) heeft verteld wat er was gebeurd: dat verdachte seks met haar probeerde te hebben terwijl ze sliep. Ook zijn de twee leidinggevenden wakker gemaakt en op de hoogte gesteld van wat er is gebeurd. Aangeefster heeft toen direct verklaard dat zij aangifte wilde doen.

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij aangeefster overdwars in bed aantrof en haar wakker heeft gemaakt zodat zij kon opschuiven en hij bij haar in bed kon gaan liggen. Volgens verdachte heerste er al sinds het samen in bad gaan met aangeefster eerder die avond, een seksuele spanning tussen beiden.

Ondanks dat hij aangeefster later op de avond met [getuige 1] in bed aantrof, meende verdachte dat aangeefster wel zin had in seks met hem. Verdachte dacht dat dit zo was, omdat toen hij naast aangeefster in bed is gaan liggen, hij tegen haar aan is gaan rijden en zij hier kreunend en hijgend op reageerde. Verdachte kreeg de indruk dat aangeefster dit ook lekker vond. Hierdoor was verdachte ook in de veronderstelling dat aangeefster wakker was en dat zij begreep wat hij aan het doen was.

Hij is vervolgens met zijn hand in haar onderbroek gegaan terwijl zij haar broek/legging nog aan had en heeft de bovenkant van haar vagina aangeraakt. Verdachte ontkent dat hij met zijn vingers in de vagina van aangeefster is geweest. Verdachte heeft op zitting verklaard dat hij de intentie had om seks met aangeefster te hebben en dat hij op enig moment haar broek en onderbroek over haar billen naar beneden heeft getrokken. Toen zei aangeefster dat hij moest stoppen en dat ze ‘dit niet wilde’ of ‘ik wil dit niet’. Verdachte is toen direct gestopt.

Juridisch kader

Vast staat dat er geen getuigen aanwezig waren die de handelingen zoals door aangeefster geschetst, kan bevestigen. In artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is bepaald dat de rechter het bewijs niet uitsluitend kan aannemen op de verklaring van één getuige. Met andere woorden: alleen de verklaring van één getuige is onvoldoende bewijs. Er moet daarom meer bewijs zijn om een ten laste gelegd feit te bewijzen. De vraag of aan het bewijsminimum van artikel 342 lid 2, Sv is voldaan, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van het concrete geval.
Niet is vereist dat elk onderdeel van de tenlastelegging in ander bewijsmateriaal steun vindt. Dat betekent dat de rechtbank moet beoordelen of enerzijds de verklaring van aangeefster betrouwbaar is en anderzijds of haar verklaring voldoende steun vindt in ander bewijsmateriaal.
Indien de verklaring van aangeefster betrouwbaar wordt geacht, kan dit op zichzelf niet als voldoende steunbewijs dienen. Het steunbewijs dient verder te zien op feiten en omstandigheden die niet in een te ver verwijderd verband staan tot de aan verdachte verweten gedragingen.

Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster

De rechtbank is allereerst van oordeel dat de verklaringen van aangeefster bij de politie en de rechter-commissaris als authentiek en betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Zij heeft op de dragende onderdelen consistent, gedetailleerd en duidelijk verklaard. De rechtbank heeft dan ook geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster. De rechtbank neemt hierbij ook in overweging dat verdachte zelf heeft verklaard dat zijn bedoelingen met aangeefster van seksuele aard waren en dat hij daarom haar broek en onderbroek over haar billen heeft getrokken en dat hij (de bovenkant van) haar vagina heeft betast.

Steunbewijs

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of de overige bewijsmiddelen in het dossier de verklaringen van aangeefster voldoende ondersteunen. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en oordeelt als volgt.

Getuigen [getuige 2] (hierna: [getuige 2] ) en [getuige 3] (hierna: [getuige 3] ) hebben over de staat waarin aangeefster verkeerde voordat zij naar bed ging, het volgende verklaard. [getuige 2] heeft aangeefster slapend op een bank aangetroffen en heeft haar wakker geschud. Aangeefster kon nog wel lopen, maar moest ondersteund worden. Aangeefster brabbelde wat terwijl zij naar haar kamer werd gebracht. Ze kwam vaag over. [getuige 3] heeft verklaard dat zij aangeefster samen met [getuige 2] naar haar bed heeft gebracht en dat aangeefster maar half wakker werd. Zij is op bed gelegd en kroop zelf onder de dekens, waarna zij direct verder sliep.

Vervolgens hebben een aantal collega’s verklaringen afgelegd over hoe zij aangeefster in de keuken hebben aangetroffen in de vroege uren van de ochtend, nadat zij uit haar kamer was gevlucht. [getuige 3] zag dat aangeefster er stil bij zat en dat zij een bleek gezicht had. Toen [getuige 3] vroeg hoe het met aangeefster ging, vertelde aangeefster dat ze in haar kamer lag te slapen en wakker werd toen ze merkte dat haar broek naar beneden was. Aangeefster vertelde vervolgens dat verdachte seks met haar probeerde te hebben.

[getuige 2] heeft verklaard dat zij aangeefster aan de eettafel zag zitten. Zij had een geschockeerd gezicht en zat voor zich uit te staren. Toen gevraagd werd wat er was gebeurd, moest aangeefster direct huilen. Aangeefster vertelde toen dat ze lag te slapen en wakker werd en voelde dat iemand aan haar zat. Ze was heel erg slaperig maar merkte wel dat haar broek naar beneden was. Ze merkte dat verdachte bovenop of naast haar zat, met een vinger in haar. Aangeefster vertelde letterlijk: “Volgens mij had hij zijn vinger in me". Aangeefster vertelde toen aan [getuige 2] dat ze toen tegen verdachte heeft gezegd: "Wat doe je" en hierop had verdachte gezegd: "Ik probeer je gewoon te neuken". Aangeefster is toen direct opgestaan en naar beneden gegaan.

[persoon 4] heeft verklaard dat hij aangeefster overstuur zag zitten. [persoon 4] vroeg wat er aan de hand was en aangeefster zei tegen hem: “Hij zat aan me, hij zat aan me. Die teringlijer”. [persoon 4] bracht aangeefster naar een eetkamer om rustig te kunnen praten en hoorde toen dat het om verdachte ging. [persoon 4] heeft aangeefster horen zeggen: “Hij zat aan mijn kut”.

[persoon 3] heeft verklaard dat aangeefster die nacht huilend naar beneden kwam en dat ze bleef huilen. Hij heeft gehoord dat aangeefster zei: “Hij heeft me aangeraakt”.

Verdachte heeft in de ochtend ook gesproken met een aantal collega’s over het voorval met aangeefster. Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat verdachte heeft gezegd dat aangeefster misschien dacht dat hij [persoon 2] was (de rechtbank begrijpt: [getuige 1]). [getuige 1] zelf heeft eveneens verklaard dat verdachte de ochtend na het incident tegen hem heeft gezegd: “jij hebt toch met haar in

bed gelegen en zij dacht waarschijnlijk dat jij het was.”

De verklaring van verdachte dat hij dacht dat aangeefster wakker was en dat zij ook van zijn aanrakingen genoot omdat ze lag te hijgen en te kreunen acht de rechtbank ongeloofwaardig en vindt verder geen steun in het dossier. Sterker nog: uit het dossier ontstaat juist het beeld dat aangeefster in een zware alcoholslaap in haar bed lag toen verdachte naast haar kwam liggen. Verder lag aangeefster op haar buik en heeft, zoals verdachte zelf ook heeft verklaard, zich niet omgedraaid zodat ze kon zien wie er naast haar lag. Evenmin heeft er een conversatie tussen hen plaatsgevonden. Kort gezegd is niet gebleken dat aangeefster op welke wijze dan ook wakker was en kenbaar heeft gemaakt dat zij instemde met een vrijpartij met verdachte. Dit geldt temeer nu verdachte de volgende dag aan twee getuigen heeft gezegd dat aangeefster misschien dacht dat hij [getuige 1] was. Verdachte heeft ter zitting ontkend dit te hebben gezegd, maar de rechtbank gaat hieraan voorbij, nu zij geen reden heeft om op dit punt aan de verklaringen van de getuigen te twijfelen.

Welk feit kan bewezen worden verklaard?

Aan verdachte is primair ten laste gelegd dat hij aangeefster heeft verkracht door met zijn vingers seksueel binnen te dringen in het lichaam van aangeefster, dan wel een poging daartoe. Meer subsidiair wordt hem verweten dat hij seksueel in het lichaam van aangeefster is binnengedrongen terwijl hij wist dat zij in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel een poging daartoe.


De vraag die beantwoord dient te worden, is of verdachte met zijn handelen zich schuldig heeft gemaakt aan verkrachting of aan het verrichten van seksuele handelingen met iemand die (op dat moment) verminderd bewust/onmachtig was.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet vooropgesteld worden dat van door een feitelijkheid dwingen - in de zin van art. 242 Sr - tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam slechts sprake kan zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft ondergaan (vgl. onder meer HR 29 november 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZD1101).

Vast staat dat aangeefster sliep toen verdachte met zijn hand in haar onderbroek ging en zijn vingers in haar vagina heeft gestopt. Zij werd pas wakker toen zij de vingers in haar vagina voelde en haar broek en onderbroek naar beneden werden getrokken. Dit betekent dat verdachte in dit geval geen dwang heeft gebruikt in de zin van artikel 242 Sr. Om die reden wordt verdachte vrijgesproken van de primair ten laste gelegde verkrachting.

Wel vindt de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair ten laste gelegde. Nu aangeefster sliep, was bij haar sprake van een situatie van verminderd bewustzijn, waarbij van haar in redelijkheid niet kon worden verwacht dat zij weerstand kon bieden aan de handelingen van verdachte.

3.4.2

Conclusie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het meer subsidiair ten laste gelegde, het seksueel binnendringen in het lichaam van [persoon 1] door haar vagina te penetreren met zijn vingers, terwijl zij op dat moment verminderd bij bewustzijn was.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte,

ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde:

Nederlander zijnde, op 29 januari 2019 te Vresse-Sur Semois (België), met [persoon 1] , van wie hij, verdachte, wist dat deze in staat van verminderd bewustzijn verkeerde, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [persoon 1] , immers heeft hij, verdachte, onverhoeds, terwijl die [persoon 1] sliep, de broek en

de onderbroek van die [persoon 1] naar beneden getrokken en meermalen zijn vingers in de vagina van die [persoon 1] gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder 1 primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

7.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft het vertrouwen en de lichamelijke integriteit van aangeefster op grove wijze beschaamd door onverhoeds en ongevraagd met zijn vingers in haar vagina te gaan terwijl zij lag te slapen. Verdachte deed dit in het bed waarin zij samen zouden slapen. Dit was een plek waar aangeefster zich veilig dacht te voelen, te meer omdat verdachte haar eerder had verzekerd dat haar daar niets zou overkomen dat zij niet wilde. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij niet vindt dat hij een grens over is gegaan. Verdachte, die naar eigen zeggen aangeefster al eens eerder had afgewezen, heeft desgevraagd bij de rechter-commissaris verklaard dat hij graag iemand een tweede kans geeft en dat de situatie er toen ook naar was. Hij is daarmee echter volledig voorbij gegaan aan de wensen en belangen van aangeefster.

Uit de slachtofferverklaring van aangeefster, die zij ter zitting heeft voorgelezen, blijkt wat voor vertrekkende gevolgen de gebeurtenis voor haar heeft gehad. Zij is in 2019 in behandeling geweest bij een psycholoog vanwege nachtmerries en van angstgevoelens. Tot op de dag van vandaag heeft zij het gebeuren nog steeds niet verwerkt, denkt zij er nog elke dag aan en heeft zij last van angstaanvallen waardoor zij zichzelf wederom onder behandeling van een psycholoog heeft gesteld.

Voor de hoogte van de straf heeft de rechtbank gekeken naar de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) voor zedenzaken. Het seksueel binnendringen in het lichaam van een slapend slachtoffer is naar het oordeel van de rechtbank een dusdanig ernstig feit, dat -ondanks het blanco strafblad van verdachte- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enige passende strafmodaliteit is.

Gelet op de ernst van het feit en het gegeven dat verdachte geen enkele verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen legt de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf van 18 maanden op.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 900,34 aan vergoeding van materiële schade en € 1000,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het primair bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [persoon 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 57 en 243 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder het primaire en subsidiaire ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder het meer subsidiaire ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van het meer subsidiair bewezen verklaarde:

met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert, handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van18 (achttien) maanden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [persoon 1] toe tot een bedrag van € 900,34 (negenhonderd euro en vierendertig eurocent) aan vergoeding van materiële schade, bestaande uit:

een bedrag van € 770,00, zijnde 2x eigen risico inzake de ziektekostenverzekering met betrekking tot de kosten voor de psycholoog in de jaren 2019 en 2021.

Een bedrag van € 130,34 (honderddertig euro en vierendertig eurocent) met betrekking tot reiskosten.

Wijst de vordering toe tot een bedrag van € 1.000,00 (duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade.

De vordering dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (op 29 januari 2019) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] aan de Staat € 1.900,34 (negentienhonderd euro en vierendertig eurocent) te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 29 (negenentwintig) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.K. Glerum, voorzitter,

mrs. J.P.W. Helmonds en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van L. Jaakke-van den Berg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 april 2021.