Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2223

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
AWB - 21 _ 418
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Vreemdelingen regulier vergunning 8 EVRM - herzieningsverzoek - privéleven - sinds 1990 in NL, tot 2006 vergunning onbepaalde tijd, ingetrokken uitschrijving GBA - onbekend waar hij tussen 2006 en 2009 heeft verbleven - voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 21/418

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 mei 2021 in de zaak tussen

[verzoeker] te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. S.N. Arikan),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Procesverloop

Bij besluit van 19 januari 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel ‘privéleven conform artikel 8 EVRM’1 afgewezen.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 april 2021. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich (telefonisch) laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Wat voorafging aan deze procedure

1. Verzoeker heeft de Turkse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1971.

1.1.

Tussen 1990 en 2008 heeft verzoeker een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd gehad. Op 26 februari 2008 is deze ingetrokken, omdat verzoeker zich per 23 februari 2006 uit het GBA had uitgeschreven. Verweerder heeft het voornemen hiertoe en het besluit allebei verzonden aan het adres waar verzoeker was uitgeschreven. Verzoeker heeft geen zienswijze ingediend of bezwaar hiertegen gemaakt.

1.2.

Door onbekende oorzaak is verzoeker per 15 april 2009 in het bezit gesteld van een nieuw verblijfsdocument, met een geldigheidsduur tot 22 april 2014. Met een besluit van 12 juni 2014 heeft verweerder verzoekers aanvraag om verlenging van dit verblijfsdocument buiten behandeling gesteld. Het hiertegen gemaakte bezwaar is op 14 november 2014 ongegrond verklaard. Hiertegen zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

1.3.

Op 24 oktober 2018 heeft verzoeker verweerder verzocht tot heroverweging van het besluit tot intrekking van de verblijfsvergunning. Verweerder heeft met een brief van 8 november 2018 op dit verzoek gereageerd met de mededeling dat volgens beleid2 een verzoek om heroverweging van een in rechte onaantastbaar geworden beschikking wordt beschouwd als een aanvraag die niet is ingediend overeenkomstig de formele vereisten.

1.4.

Op 19 oktober 2020 heeft verzoeker onderhavig verzoek bij verweerder ingediend. De aanvraag ziet op een verblijfsvergunning humanitair niet tijdelijk, met als doel privéleven conform artikel 8 EVRM. In de begeleidende brief bij de aanvraag heeft verzoeker verzocht zijn aanvraag op te vatten als heroverwegingsverzoek van de intrekking van de verblijfsvergunning. Ter onderbouwing heeft verzoeker kopieën van zijn oude en nieuwe paspoort overgelegd, een verklaring van zijn huisarts en verklaringen van vrienden en kennissen. Op 13 november 2020 heeft verweerder verzoeker nadere vragen over zijn aanvraag gesteld. Op 27 december 2020 heeft verzoeker deze vragen beantwoord. Hierbij heeft verzoeker toegevoegd: bankafschriften, loonstroken, afspraakbewijzen specialist, huisarts, advocaat, de daklozenopvang, inschrijving Kamer van Koophandel, kwitanties van de apotheek en brieven van de bank, de belastingdienst en de deurwaarder.

Bestreden besluit

1.5.

Verweerder heeft met het bestreden besluit de vergunningaanvraag van verzoeker afgewezen. Voor wat betreft het verzoek om heroverweging inzake de intrekkingsprocedure wordt verwezen naar de brief van 8 november 2018. De aanvraag voldoet niet aan de formele vereisten. Verweerder vindt daarom dat het mvv3-vereiste geldt voor verzoeker. Hij wordt daar niet van vrijgesteld op grond van gezinsleven. Verweerder vindt dat verzoeker zijn familierechtelijke relatie met zijn moeder, broers en zussen niet heeft aangetoond en daarnaast dat niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties) tussen hen. Ook stelt verweerder hem niet vrij van het mvv-vereiste op grond van privéleven. Verweerder vindt dat verzoeker beperkte banden heeft met Nederland. Ondanks dat hij het grootste gedeelte van de tijd sinds 1991 in Nederland heeft verbleven, is niet duidelijk geworden dat hij vanaf zijn uitschrijving uit het GBA (23 februari 2006) onafgebroken verblijf heeft gehad in Nederland. De stukken die verzoeker daaromtrent heeft overgelegd geven daarover geen duidelijk beeld. Over de periode tussen 23 februari 2006 en 20 november 2009, de datum waarop hij weer is ingeschreven in het GBA, is slechts één document overgelegd, de vooraankondiging beslaglegging van 7 april 2006. Hieruit volgt niet dat verzoeker gedurende voornoemde periode in Nederland verbleef. Ook de stempels in verzoekers paspoort zijn niet allemaal meer leesbaar. Verder vindt verweerder het van belang dat hij voor 1991 20 jaar in Turkije heeft gewoond en dat zijn vrouw en dochter in Turkije verblijven. Daarom kan hij daar privéleven hebben of opbouwen. Ook getuigt het besluit niet van onevenredige hardheid, aangezien niet is toegelicht dat hij in Turkije meteen de dienstplicht zal moeten vervullen.

Standpunt van verzoeker

2. Verzoeker voert ten aanzien van het heroverwegingsverzoek aan dat er een recente ontwikkeling in de rechtspraak is.4 Hierin oordeelde de rechtbank dat verweerder een besluit niet op de voorgeschreven wijze had bekendgemaakt door het naar het laatst bekende adres te sturen, wetende dat betrokkene was uitgeschreven van dit adres. Verzoeker stelt dat een dergelijk geval ook op hem van toepassing is. Het intrekkingsbesluit is naar zijn bij verweerder laatst bekende adres verstuurd, het adres waar hij was uitgeschreven. Verzoeker is hier pas later achter gekomen, waarna hij bezwaar heeft gemaakt op 31 maart 2014. Het intrekkingsbesluit is daarom niet op de juiste wijze bekendgemaakt. Verweerder had daarom de herzieningsaanvraag inhoudelijk moeten beoordelen. Verzoeker heeft met bewijsstukken aangetoond dat hij wel degelijk hoofdverblijf heeft gehad in Nederland. Verder stelt verzoeker dat sprake is van bijzondere en individuele omstandigheden, aangezien hij sinds 1990 een verblijfsvergunning had voor onbepaalde tijd die met een foutieve verzending is ingetrokken. Verzoekers omstandigheden zijn onvoldoende bij de belangenafweging betrokken.5 Ook vindt verzoeker dat verweerder had moeten beoordelen of aan de materiële vereisten voor gezinshereniging is voldaan.6

Beoordeling

3. Het oordeel van de voorzieningenrechter is een voorlopig oordeel en bindt de rechtbank in een eventueel bodemgeding niet.

4. De voorzieningenrechter is allereerst van oordeel dat de gestelde ontwikkeling in de rechtspraak verzoeker niet zal baten. Nog afgezien van het nog lopende hoger beroep dat verweerder tegen de uitspraak van de rechtbank heeft ingediend, is verzoeker in 2014 bekend geworden met de intrekking van zijn verblijfsvergunning. Hij heeft daar destijds ook een rechtsmiddel tegen aangewend. Het bezwaar is afgewezen en dat besluit staat in rechte vast. Het beginsel van de rechtszekerheid verzet zich tegen een beoordeling nu of dat besluit op een juiste wijze is bekendgemaakt. Ook is niet vereist dat verweerder in beginsel moet terugkomen op een besluit dat definitief is geworden.7

5. De voorzieningenrechter oordeelt verder dat verweerder het verzoek om herziening wel inhoudelijk heeft beoordeeld door navraag te doen bij verzoeker of hij sinds zijn uitschrijving uit het GBA hier zijn hoofdverblijf heeft gehad. Niet valt in te zien waarom verweerder dit niet over de band van de vrijstelling van het mvv-vereiste bij een aanvraag op grond van artikel 8 EVRM kan beoordelen. In beide gevallen is het aan verzoeker om aannemelijk te maken dat hij zijn hoofdverblijf in Nederland had. De voorzieningenrechter is met verweerder van oordeel dat hij (nog) niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij hier tussen 2006 en 2009, de periode dat hij niet stond ingeschreven in het GBA, zijn hoofdverblijf heeft gehad. De overgelegde (niet-objectieve) verklaringen van kennissen en vrienden zien niet op deze specifieke periode en zijn te algemeen geformuleerd. Ook uit de vooraankondiging beslaglegging uit april 2006 blijkt niet dat verzoeker in Nederland was. De stempels in verzoekers paspoort bewijzen dit evenmin, alleen al omdat deze niet goed leesbaar zijn.

6. Een dag na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft verzoeker de voorzieningenrechter nog gewezen op de bij de aanvraag overgelegde kopieën van zijn paspoort waaruit blijkt dat hij op 28 november 2006, 10 september 2007 en op 18 juni 2009 de geldigheid van zijn paspoort heeft verlengd bij het Turkse Consulaat in Rotterdam. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder hierover nog geen standpunt heeft ingenomen. Deze stempels zijn namelijk wel leesbaar. Zonder nadere toelichting (van beide partijen), is het de voorzieningenrechter niet duidelijk of verzoeker hiermee aannemelijker heeft gemaakt dat hij in Nederland in die jaren zijn hoofdverblijf had. Dit is daarom onvoldoende voor het treffen van een voorlopige voorziening. Aangezien verweerder zich hierover ook nog niet heeft uitgelaten, zal dit daarom in de beslissing op bezwaar aan de orde moeten komen en kan verweerder overwegen verzoeker alsnog te horen in bezwaar. De voorzieningenrechter kan daarom niet ook het bezwaar afdoen als bedoeld in artikel 78 van de Vreemdelingenwet, zoals verzocht door verweerder. De voorzieningenrechter geeft verzoeker hierbij nog mee om met spoed (meer) bewijs aan te leveren bij verweerder om zijn verblijf in Nederland in de jaren 2006 – 2009 aan te tonen.

7. De voorzieningenrechter is tot slot met verweerder van oordeel dat van vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van familieleven geen sprake kan zijn, omdat niet is gebleken van more than normal emotional ties met zijn moeder, broers en zussen, en daarnaast zijn vrouw en dochter in Turkije wonen.

Conclusie

8. De voorzieningenrechter concludeert dat het nog onduidelijk is waar verzoeker tussen 23 februari 2006 en 20 november 2009 heeft verbleven. Zij ziet daarom nu geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt daarom afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T. Rijs, griffier. De beslissing is bekendgemaakt door verzending aan partijen op 6 mei 2021.

griffier

voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden aan partijen op:

1 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

2 Hoofdstuk B1/3.4.1. van de Vreemdelingencirculaire.

3 Machtiging tot voorlopig verblijf.

4 Verwezen is naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 2 maart 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:2761.

5 Verwezen is naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, van 14 april 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:3954.

6 Verwezen is naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1001.

7 Vergelijk met het Unierecht, punt 24 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak Kühne & Heitz N.V. van 13 januari 2004, ECLI:EU:C:2004:17.