Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2222

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
21-06-2021
Zaaknummer
AWB 21/2066
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Handhaving coronamaatregelen en avondklok Grillroom - voorlopige voorziening afgewezen - belangenafweging in het nadeel van verzoekster - niet aan de maatregelen in zijn algemeenheid gehouden, 1,5 m, mondkapjes - belang handhaving weegt dan zwaarder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 21/2066

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 mei 2021 in de zaak tussen

[bedrijf] , te Amsterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. K. Kasem),

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. M. Kappelhof en mr. R. Nomden).

Procesverloop

Bij besluit van 31 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd aan verzoekster.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 april 2021. Verzoekster heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en door mr. O. Smits. Verder was verschenen
[naam] , werknemer. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

Wat voorafging aan deze procedure

1. Op het adres [adres] is de onderneming [bedrijf] gevestigd. Op het adres [adres 2] is de onderneming [bedrijf 2] gevestigd. Beide ondernemingen hebben dezelfde eigenaar en voor beide ondernemingen samen is één exploitatievergunning afgegeven, voor een eet- en drinkgelegenheid.

2. Aan het bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat er twee overtredingen door de politie zijn geconstateerd. De eerste constatering door de politie was op 13 februari 2021 rond 4.10 uur.1 Omdat verzoekster in strijd met de coronamaatregelen en avondklok geopend was2, heeft verweerder op 26 februari 2021 aan verzoekster een waarschuwing gegeven. Op basis van een tweede constatering door de politie3 dat verzoekster wederom ’s nachts geopend was, namelijk op 13 maart 2021 rond 2.17 uur, heeft verweerder de last onder bestuursdwang op 31 maart 2021 opgelegd. In het proces-verbaal van de politie is naast de constatering dat verzoekster geopend was onder meer te lezen:

Wij liepen naar de ruimte achter de keuken. Wij zagen dat deze ruimte was ingericht als een [bedrijf 2] . In deze ruimte waren naast [naam] nog zeven andere personen aanwezig. Alle personen die aanwezig waren hielden geen rekening met de Coronamaatregelen. Zij zaten op minder dan 1.5 meter afstand van elkaar en er was niemand die gebruik maakte van een mondkapje.

3. De last onder bestuursdwang houdt in dat de eet- en drinkgelegenheid, inclusief bezorgen en afhalen, vanaf 31 maart 2021 om 17.00 uur gesloten blijft (minstens een week) totdat verweerder een plan van aanpak van verzoekster heeft goedgekeurd.

4. Ondanks deze last heeft de politie op 2 april 2021 rond 21.15 geconstateerd dat verzoekster wederom geopend was.4

5. Op 7 april 2021 rond 15.00 uur hebben toezichthouders van verweerder en de politie andere sloten aangebracht aan het pand [bedrijf] en de deuren verzegeld.5

Standpunt verzoekster

6. Verzoekster voert – kort weergegeven – het volgende aan. De opgelegde last is opgelegd aan de [bedrijf 2] , gevestigd te [adres 2] , aangezien de last is geadresseerd op het [adres 2] . Verzoekster wijst erop dat de [bedrijf] en de [bedrijf 2] twee aparte ondernemingen zijn, met een eigen KvK-inschrijving. Het bestreden besluit is daarom niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Verder voert verzoekster aan dat er geen sprake is van een overtreding van de Trm, omdat de zaak niet geopend was, er waren enkel werknemers in de zaak aanwezig. Voorts is er niet voldaan aan de eis van spoedeisendheid6, nu de last onder bestuursdwang ruim 2,5 week na de tweede constatering is opgelegd. Daarnaast voert verzoekster aan dat de last onder bestuursdwang disproportioneel is. Ten onrechte wordt de suggestie gewekt dat de overtredingen in geval van herhaling een gevaar op zouden leveren voor de verdere verspreiding van het COVID-19-virus. Ook heeft verzoekster een groot financieel belang bij het openhouden van de zaak.

Beoordeling

7. De voorzieningenrechter ziet aanleiding voor het maken van een belangenafweging. Verzoekster heeft een financieel belang bij toewijzing van een voorlopige voorziening. Verweerder daarentegen heeft een belang bij handhaving van de coronamaatregelen. Dat belang bestaat eruit om verspreiding van het COVID-19-virus zo veel mogelijk te voorkomen.

8. In de strijd tegen het coronavirus en de daaruit voortkomende potentieel dodelijke ziekte COVID-19 heeft het kabinet noodzakelijke maatregelen genomen die gelden voor iedereen. Dagelijks raken duizenden mensen besmet met dit virus en dagelijks sterven er mensen aan deze ziekte. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn de constateringen van de politie zoals neergelegd in de genoemde processen-verbaal bijzonder verontrustend. Daaruit komt het beeld naar voren dat verzoekster zich herhaaldelijk niet aan de coronamaatregelen houdt. Het gaat hier niet alleen om het tegen de regels geopend zijn, maar de voorzieningenrechter laat ook meewegen hoe de werknemers van verzoekster zich gedragen. Zoals hiervoor al weergegeven, heeft de politie geconstateerd dat in de [bedrijf 2] mensen dicht op elkaar zitten, geen 1,5 meter afstand van elkaar houden en geen mondkapjes dragen. Dit gedrag kan bijdragen aan de verdere verspreiding van het coronavirus. Naast de werknemers waren er ook nog twee personen binnen die ‘alleen even langs’ kwamen.

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het belang van verweerder zwaarder weegt dan het belang van verzoekster. Overigens heeft verzoekster niet onderbouwd dat het bestreden besluit tot financiële schade met onomkeerbare gevolgen zal leiden.

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. T. Rijs, griffier. De beslissing is bekendgemaakt door verzending aan partijen op 4 mei 2021.

De voorzieningenrechter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

griffier

voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden aan partijen op:

1 Vastgelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 13 februari 2021.

2 Op grond van artikel 4.4, tweede lid, onder b, in combinatie met het vijfde lid, van de Tijdelijke regeling maatregelen covid-19 (Trm) en artikel 1 van de Tijdelijke regeling landelijke avondklok covid-19 (Trla) was het niet toegestaan de afhaalfunctie van eet- en drinkgelegenheden open te hebben tussen 20.45 uur en 7.00 uur.

3 Vastgelegd in een op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal van 13 april 2021.

4 Vastgelegd in een op ambtsgelofte opgemaakt proces-verbaal van 6 april 2021.

5 Zie het (ongedateerde) rapport van bevindingen.

6 Neergelegd in artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht.