Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2207

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
13/147638-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

OVAR. niet gemaximeerde TBS met voorwaarden voor poging doodslag - dadelijk uitvoerbaar. Geen 38z maatregel want niet passend. Noodweersituatie niet aannemelijk geworden - verweer verworpen. Verzoek zorgmachtiging afgewezen in aparte beschikking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0425
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/147638-20

Datum uitspraak: 4 mei 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1959 in [geboorteplaats] ,

wonende op het adres [adres] ,

gedetineerd in [plaats detentie] .

1 Onderzoek op de zitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 april 2021. Verdachte was hierbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. R. Leuven, en van wat de raadsman, mr. S. Guman, naar voren heeft gebracht.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de benadeelde partij, [aangever] , bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J. Kluivers, naar voren heeft gebracht.

2 Beschuldiging

Aan verdachte is kort gezegd ten laste gelegd dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan poging moord, poging doodslag of zware mishandeling door [aangever] op 3 juni 2020 meerdere keren met een mes te steken.

De precieze tekst van de verdenking, de tenlastelegging, is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van de officier van justitie

Verdachte moet worden vrijgesproken van poging tot moord. Uit het procesdossier volgt niet dat sprake is geweest van een vooropgezet plan om [aangever] van het leven te beroven en daardoor kan niet worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

Op grond van de bewijsmiddelen kan wel worden bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan poging doodslag. Vastgesteld kan worden dat verdachte aangever meerdere keren met een scherp mes heeft gestoken. Door dit steken is een slagader geraakt en is aangever bijna doodgebloed. Aangever heeft verklaard dat verdachte heeft geroepen: “Jij gaat hier niet meer levend weg.” Door getuige [getuige 1] is daarnaast gehoord dat verdachte naar aangever heeft geroepen dat hij dood moet. Hieruit blijkt dat verdachte opzet heeft gehad op de dood van aangever. Dat verdachte lijdt aan een ernstig psychische stoornis maakt niet dat niet meer kan worden gesproken van opzet van verdachte.

Mocht de rechtbank hier niet in meegaan, dan kan bewezen worden verklaard dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van aangever. Door meerdere keren te steken en daarbij een slagader te raken heeft zij de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangever zou komen te overlijden.

3.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte moet worden vrijgesproken omdat zij niet het vereiste opzet heeft gehad. Bij verdachte ontbrak op het moment van de confrontatie met aangever ieder inzicht in de draagwijdte van haar handelen en de mogelijke gevolgen daarvan. Van opzettelijk handelen of handelen met voorbedachte raad is dan ook geen sprake.

Daarnaast wordt de beschuldiging niet ondersteund door getuigenverklaringen of andere stukken uit het procesdossier. Er zijn geen aanknopingspunten om tot een bewezenverklaring te komen. Verdachte heeft gehandeld uit noodweer. Zij heeft zich moeten verdedigen omdat zij werd aangevallen en gewond is geraakt aan haar bovenbeen. Voor het veroorzaken van dit letsel moet substantiële kracht zijn uitgeoefend en/of met relatief hoge snelheid zijn gestoken. Gelet op het gevaar en de ontstane hectiek heeft verdachte geen andere mogelijkheid gehad dan zich te verdedigen.

Wanneer de rechtbank daar anders over denkt, moet verdachte worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat het feit niet aan haar kan worden toegerekend.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van poging moord

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat op basis van het dossier niet kan worden bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van poging tot moord.

Bewezenverklaring van poging doodslag

De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen wel poging tot doodslag bewezen en overweegt daartoe het volgende.1

Uit het dossier is gebleken dat verdachte aangever, die als verkoper had aangebeld voor een gesprek, heeft binnengelaten in haar woning waarna zij de deur op slot heeft gedraaid. Binnen heeft zij aan de keukentafel een gesprek met aangever gehad van zo’n twintig minuten. Aangever werd toen gebeld door zijn collega [getuige 2] met de vraag waar hij bleef. Aangever heeft toen aangegeven dat het niet lang meer zou duren en hij zo weg zou zijn. Op dat moment heeft verdachte een groot mes uit de keuken gepakt en gezegd: “Jij gaat hier niet meer levend weg.” Verdachte heeft aangever vervolgens in zijn linkerarm gestoken. Door het enorme bloedverlies is aangever vervolgens uitgegleden en op de grond terecht gekomen, waarna hij naar het raam is gekropen om te kunnen ontsnappen. Verdachte heeft vervolgens geprobeerd hem weer te steken, maar omdat aangever afweerde, werd hij in zijn hand geraakt. Verdachte en aangever lagen daarna beiden op de grond. Het is aangever vervolgens gelukt om op verdachte terecht te komen en het keukenraam een stukje te openen. Terwijl hij op haar lag, heeft hij geprobeerd het mes van haar af te pakken.2

Collega [getuige 2] heeft bevestigd dat hij aangever telefonisch heeft gesproken, waarbij hij op de achtergrond een vrouw hoorde gillen en schreeuwen. Hij hoorde aangever zeggen: “Wat doet u nou?” Waarna werd opgehangen.3 Ook collega [getuige 1] heeft verklaard een hoop geschreeuw te hebben gehoord.4 [getuige 2] is richting de woning van verdachte gerend en werd later gevolgd door [getuige 1] . Daar hoorde hij de vrouw veel schreeuwen, zag hij veel bloed en zag hij dat de vinger van aangever er half af lag. Doordat aangever het raam heeft kunnen openen, is [getuige 2] de woning ingegaan. Hij zag verdachte en aangever beiden op de grond liggen, waarbij aangever met zijn rug op verdachte lag. Hij zag dat verdachte een mes vast had en heeft dit mes met kracht van haar af moeten pakken. [getuige 2] heeft vervolgens geprobeerd om de deur te openen, maar omdat deze op slot zat is hij weer naar aangever gerend en heeft hem gezegd weg te kruipen van verdachte. Zelf heeft hij verdachte vervolgens in bedwang gehouden op de grond en haar steeds tegen de grond geduwd wanneer zij probeerde op te staan. Ook heeft hij de politie gebeld.5 Collega [getuige 1] heeft verdachte vervolgens overgenomen en haar bij haar polsen vastgepakt vanuit het keukenraam om haar in bedwang te houden. Verdachte schreeuwde hierbij dat aangever de broer van [persoon 1] was, dat ze haar wilden vermoorden en al haar familie al hadden vermoord.6 Verdachte heeft toen nog geprobeerd om aangever op zijn hoofd te trappen en heeft hem daarbij nog twee keer geraakt.7 [getuige 1] heeft verdachte horen roepen: “Hij moet dood.”8 Met de verklaringen van deze getuigen, wordt de aangifte ondersteund.

De politie heeft in de woning van verdachte een bebloed mes met een lemmet van ongeveer twintig centimeter aangetroffen.9 Uit de letselverklaring blijkt dat aangever steekverwondingen heeft opgelopen aan zijn linker borstkas, arm en linker vingers waarbij letsel aan de bicepsspier, een slagaderlijke bloeding en zenuwletsel is ontstaan. Door het letsel is ernstig bloedverlies ontstaan waarbij aangever in shock is geraakt.10 Volgens het ambulancepersoneel is het bloedverlies zo ernstig geweest, dat indien er later hulp was gekomen, aangever het niet zou hebben overleefd. Een acht uur durende operatie is nodig geweest om de aderen, pezen en zenuwen zo veel mogelijk te herstellen.11

De rechtbank vindt het handelen van verdachte, waarbij is gestoken in de richting van het bovenlichaam waar zich vitale organen bevinden, waarbij aangever in zijn borst, arm en hand is geraakt en een slagaderlijke bloeding is ontstaan, zozeer gericht op de dood van aangever, dat het niet anders kan dat dat verdachte opzet heeft gehad op zijn dood. Door het handelen van de getuigen om verdachte in bedwang te houden en door het medisch ingrijpen, is de dood van aangever voorkomen. De rechtbank betrekt hierbij ook dat verdachte heeft geroepen dat aangever ‘niet meer levend weg zou komen’ en ‘hij dood moest.’ Uit deze uitlatingen blijkt dat haar handelingen ook naar de bedoeling van verdachte gericht zijn geweest op de dood van aangever. Dat verdachte vanuit psychotische motieven heeft gehandeld, doet hier niet aan af. De rechtbank vindt de poging tot doodslag dan ook bewezen.

4. Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen in rubriek 3.3. bewezen dat verdachte:

op 3 juni 2020 te Amstelveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [aangever] van het leven te beroven, met een mes, meerdere malen, in de linker bovenarm en hand, in elk geval in het lichaam van die [aangever] , heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

Het door de verdediging geschetste noodweerscenario, dat verdachte zich door het gevaar en de ontstane hectiek heeft moeten verdedigen en wel zodanig dat de aanvallen van aangever zouden stoppen, is niet aannemelijk geworden en vindt geen ondersteuning in het dossier. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat voor zover het letsel van verdachte door aangever of anderen is toegebracht, dit heeft plaatsgevonden nadat zij aangever heeft aangevallen. Dit letsel is haar dan toegebracht doordat geweld nodig is geweest om haar te overmeesteren en in bedwang te houden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Verdachte is niet strafbaar. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de Pro Justitia-rapportages van 4 december 2020, opgemaakt door psychiater J. van der Meer en 8 december 2020 door psycholoog
R.A. Sterk. De deskundigen hebben geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een psychische stoornis in de vorm van een ongespecificeerde schizofreniespectrum of andere psychotische stoornis en een lichte stoornis in het gebruik van alcohol. Deze stoornissen waren volgens psychiater Van der Meer ook aanwezig op het moment van het plegen van het feit. Op dat moment was sprake van een floride psychose. Ook psycholoog Sterk oordeelt dat dit waarschijnlijk het geval is geweest. Het handelen van verdachte werd volgens Van der Meer volledig door de psychose bepaald. De belevingswereld van verdachte bestond uit een verstoorde beleving van de realiteit waarbij zij zich bedreigd, benadeeld en heel angstig voelde. Zij was niet in staat om deze verkeerde voorstelling van zaken verstandelijk te corrigeren en nam deze foutieve voorstelling van zaken daarom voor waar aan.

De deskundigen hebben geadviseerd om het feit in het geheel niet toe te rekenen aan verdachte. De rechtbank verenigt zich met deze conclusies en neemt deze over. Dat verdachte het feit vanuit haar psychische stoornis heeft gepleegd, leidt de rechtbank ook af uit andere stukken uit het dossier, waaronder de verklaringen van verdachte waaruit blijkt dat zij het gevoel had door de overheid te worden gebruikt, dat ze haar dood wilden en dat zij werd vergiftigd doordat zenuwgas en gifgas op de airco zou zijn aangesloten. Ook betrekt de rechtbank hierbij de verklaringen van de getuigen waaruit blijkt dat verdachte heeft verklaard aangever te hebben aangezien voor de broer van [persoon 1] en dat haar hele familie al zou zijn vermoord.

De bewezen verklaarde poging doodslag kan verdachte, naar het oordeel van de rechtbank, wegens de psychische stoornis dus niet worden toegerekend. Verdachte wordt daarom ontslagen van alle rechtsvervolging.

7 Motivering van de maatregel: TBS met voorwaarden

7.1.

Eis van de officier van justitie

Aan verdachte moet de maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met voorwaarden worden opgelegd. De psychose van verdachte is ondanks het feit dat zij al geruime tijd medicamenteus wordt behandeld, nog niet volledig in remissie. Daarom is het niet duidelijk of de aan een zorgmachtiging verbonden behandeltermijn van zes maanden volstaat. In het geval dat zij meewerkt, zal na zes maanden geen verlenging van de zorgmachtiging volgen, terwijl dan nog onzeker is of zij ook daadwerkelijk uitbehandeld is. Een zorgmachtiging van zes maanden volstaat dus niet. Ook is niet duidelijk of verdachte na die zes maanden voldoende ziekte-inzicht heeft en medicatietrouw is. Gelet op het verleden bestaat er een reëel risico dat zij weer in een psychose terechtkomt en opnieuw een ernstig feit pleegt. Daarom is het noodzakelijk dat verdachte in een forensisch kader komt waarin langer zicht op haar kan worden gehouden. De tbs-maatregel met voorwaarden is daarom passend.

Daarnaast moet de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38z Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd, zodat langdurig (tot levenslang) toezicht kan worden gehouden op verdachte.

7.2.

Standpunt van de verdediging

Door de deskundigen is geadviseerd om een behandeling te laten plaatsvinden binnen het kader van een zorgmachtiging. Binnen dat kader kan verdachte toereikend worden behandeld. Oplegging van de tbs-maatregel wordt niet geadviseerd gelet op de aard van de problematiek en de lage kans op recidive. De juiste hulp kan worden geboden via de zorgmachtiging.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De oplegging van de maatregel is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de maatregel in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot doodslag. Verdachte heeft aangever met een keukenmes in zijn borst, arm en hand gestoken, waarmee zij een slagaderlijke bloeding heeft veroorzaakt en een spier, pezen en zenuwen heeft geraakt waardoor aangever veel bloed heeft verloren en met spoed een operatie heeft moeten ondergaan. Het letsel aan zijn dominante hand en vingers heeft ervoor gezorgd dat hij zijn hand nauwelijks kan gebruiken, geen gevoel heeft in zijn vingers en deze niet kan buigen. Het is onduidelijk of hij volledig zal herstellen en dit letsel geeft daarmee een blijvende nare herinnering. Dat het handelen van verdachte in dit geval niet tot de dood van aangever heeft geleid, komt enkel door het snelle handelen van de getuigen en het medisch ingrijpen. De rechtbank merkt op dat het heel goed anders had kunnen aflopen. Aangever heeft niet alleen te maken met fysieke-, maar ook met mentale problemen. Uit zijn slachtofferverklaring volgt dat hij nog steeds erg bang is, last heeft van paniekaanvallen en niet durft te slapen. Wanneer hij naar buiten gaat, is er altijd iemand die met hem mee gaat. Hij wordt angstig van messen en vermijdt het gebruik hiervan. Daarnaast is aangever door zijn letsel arbeidsongeschikt verklaard. Hij kan niet meer werken in de horecasector, waar hij veel ervaring in heeft en ook niet bij de salesector, waar hij net was begonnen. Ook is hij door zijn letsel niet meer in staat om zijn hobby, tekenen, uit te voeren.

Door zo te handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit, waarmee zij grote inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Bovendien maken dergelijke strafbare feiten een ernstige inbreuk op de rechtsorde en veroorzaken zij gevoelens van onveiligheid en onrust in de samenleving.

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 25 maart 2021, waaruit volgt dat verdachte niet eerder is veroordeeld.

Oordeel van deskundigen

De deskundigen die verdachte hebben onderzocht hebben beiden geconcludeerd dat verdachte heeft gehandeld vanuit haar psychische stoornis. Volgens psychiater Van der Meer is het om het risico op recidive te verlagen van groot belang dat de psychose van verdachte volledig in remissie gaat en in remissie blijft. Hiervoor is medicamenteuze behandeling nodig. De behandeling moet klinisch gebeuren om zeker te weten dat de psychose volledig in remissie is gegaan voordat verdachte weer zelfstandig gaat wonen. Deze overgang dient geleidelijk plaats te vinden. Nadat de psychose in remissie is gegaan, moet de behandeling ambulant worden voortgezet omdat er een onderhoudsbehandeling met medicatie nodig is. Deze behandeling zal geruime tijd moeten worden voortgezet. Het is daarbij van belang dat verdachte intensief wordt gevolgd en begeleid. Er kan worden gedacht aan de oplegging van een zorgmachtiging of een tbs-maatregel met voorwaarden. Het voordeel van een tbs-maatregel is dat verdachte in ieder geval de nodige behandeling zal krijgen om met zekerheid het recidiverisico te verminderen.

Psycholoog Sterk concludeert dat het risico op recidive duidelijk hoger is wanneer verdachte psychotisch is. Zij kan dan wanen ontwikkelen waarbij zij zeer angstig wordt en zich benadeeld voelt door anderen. Vanuit deze angstgevoelens kan zij agressief gedrag laten zien. Ten aanzien van de geconstateerde psychische problematiek is een behandeling vanuit forensisch oogpunt dan ook geïndiceerd. De behandeling moet zich richten op de psychotische stoornis en het verbeteren van haar ziekte-inzicht en -besef. Naast medicamenteuze behandeling is psycho-educatie aangewezen. Een behandeling moet in het begin plaatsvinden in een kliniek. Vanuit die kliniek kan zij resocialiseren naar haar woning. De psycholoog adviseert om de behandeling plaats te laten vinden in het kader van een zorgmachtiging. De tbs-maatregel wordt gelet op de aard van de problematiek en de lage kans op recidive niet als passend gezien.

Advies van de reclassering

Naast deze rapportages heeft de rechtbank ook gekeken naar het reclasseringsadvies van 22 maart 2021. Uit het reclasseringsadvies volgt dat het risico op recidive wordt ingeschat als laag bij blijvend medicatiegebruik en klinische behandeling die onder andere gericht is op het vergroten van ziektebesef en ziekte-inzicht. Deze inschatting is op basis van blijvend medicatiegebruik en geldt alleen als de psychose in (volledige) remissie is. Deze zekerheid is alleen te geven wanneer verdachte de juiste zorg krijgt. In eerste instantie is klinische behandeling en aansluitend is ambulante behandeling en begeleiding nodig. Zonder medicatie en behandeling wordt het risico op herhaling ingeschat als hoog. De reclassering adviseert positief over het opleggen van de tbs-maatregel met voorwaarden. Verdachte heeft zich bereid verklaard mee te werken aan de voorwaarden die worden opgelegd. Zij wil voorkomen dat een dergelijke situatie zich opnieuw kan voordoen wat een beschermende factor is. Verdachte zegt bereid te zijn medicatie te blijven gebruiken als dat geïndiceerd is en staat open voor behandeling.

Conclusie

De rechtbank volgt de adviezen van de psycholoog en de psychiater voor wat betreft de noodzaak om verdachte intensief en klinisch te behandelen. Zonder behandeling acht de rechtbank de kans op recidive vanuit de ernstige stoornis van verdachte groot. Een opname in een civiele setting, op grond van een zorgmachtiging, zoals geadviseerd door de deskundigen, acht de rechtbank niet aangewezen. Het is onzeker of kan worden volstaan met een behandeling van zes maanden en het is niet wenselijk dat de bereidheid van verdachte om vrijwillig mee te werken er voor kan zorgen dat de zorgmachtiging na zes maanden niet meer kan worden verlengd. Gelet op het risico dat verdachte weer in een psychose terechtkomt en weer een ernstig feit pleegt, is het noodzakelijk dat zij in een forensisch kader wordt behandeld zodat er, naast het behandelen van de stoornis zelf, ook genoeg aandacht in de behandeling is voor het voorkomen van recidive. Een klinische opname middels een zorgmachtiging is daarom niet passend. Het afzonderlijk door de officier van justitie ingediende verzoek tot oplegging van de zorgmachtiging wordt daarom in een aparte beschikking afgewezen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zeer ernstig delict, waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van meer dan vier jaren is gesteld. Bovendien is bij verdachte een ongespecificeerde schizofreniespectrum- of andere psychotische stoornis vastgesteld. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van anderen, althans de algemene veiligheid van personen of goederen vereist dat de behandeling van verdachte plaatsvindt in het kader van de maatregel van terbeschikkingstelling.

De rechtbank heeft hierbij voor ogen dat er eerst een klinische opname plaatsvindt, waarbij medicamenteuze behandeling en psycho-educatie om te leren omgaan met psychotische kwetsbaarheid aan de orde kunnen komen. Indien de risicotaxatie dat vervolgens toelaat, is er daarna ruimte voor geleidelijke resocialisatie onder voldoende forensisch toezicht. Onderdeel van zowel behandeling als resocialisatie zal zijn dat verdachte op enig moment meer vrijheden zal krijgen. Daarbij zal steeds zorgvuldig een afweging gemaakt moeten worden tussen welke vrijheden voor de behandeling wenselijk (of noodzakelijk) zijn en wat vanuit het perspectief van recidiverisico mogelijk (of verantwoord) is. Een forensisch kader is bij uitstek ingericht om dergelijke afwegingen zorgvuldig, en met waarborgen omkleed, te maken.

Aan de maatregel zullen de voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd door de reclassering in het advies van 22 maart 2021, die hierna worden weergegeven in het dictum van dit vonnis. De rechtbank vindt dat de tbs-maatregel met voorwaarden, gelet op de ernst van het feit en de ernst van het ziektebeeld van verdachte onder invloed waarvan het feit is begaan, met voldoende waarborgen met betrekking tot de beveiliging van de samenleving is omkleed.

De maatregel brengt met zich dat als verdachte de door de rechtbank gestelde voorwaarden niet naleeft of anderszins het belang van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dat eist, de maatregel kan worden omgezet in een terbeschikkingstelling met dwangverpleging.

Niet gemaximeerde TBS

Met het oog op het bepaalde in artikel 38e Sr, stelt de rechtbank vast dat het in dit geval gaat om een feit dat een misdrijf betreft dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen, zodat de totale duur van de terbeschikkingstelling niet is beperkt tot vier jaar.

Dadelijk uitvoerbaar

De rechtbank zal, op grond van artikel 38 lid 7 Sr, de dadelijke uitvoerbaarheid van de terbeschikkingstelling met voorwaarden bevelen zodat direct kan worden overgegaan tot de uitvoering van de voorwaarden. Naar het oordeel van de rechtbank moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat verdachte, als zij niet wordt behandeld, wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen.

Geen 38z Sr maatregel tot langdurig toezicht op verdachte

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie tot het opleggen van de maatregel van artikel 38z Sr af omdat zij deze maatregel niet passend vindt.

8 Vordering van de benadeelde partij

De benadeelde partij, [aangever] , vordert in totaal € 11.761,81 bestaande uit € 1.761,81 aan materiële schadevergoeding en € 10.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft verzocht om de vordering geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft bepleit dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen omdat de vordering niet van eenvoudige aard is. De schadeposten die zien op kleding en mantelzorg zijn onvoldoende onderbouwd.

De rechtbank oordeelt het volgende. Het staat vast dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht.

Materiële schade

De vordering is wat betreft de kosten die zijn gemaakt voor de kledingschade (€ 150,-), het eigen risico (€ 385,-), de reiskosten (€ 129,22), het verkrijgen van medische informatie
(€ 108,48) en de kosten van de behandeling bij de psychiater (€ 739,11) voldoende onderbouwd, zodat die kosten voor vergoeding in aanmerking komen.

De rechtbank ziet dat anders ten aanzien van de gevorderde kosten voor de door familie verrichte mantelzorg. De rechtbank vindt dat de vordering ten aanzien van de kosten van deze zorg onvoldoende is onderbouwd en de benadeelde partij voor wat betreft deze kosten dus niet in de vordering kan worden ontvangen. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal de vordering van materiële schade tot een bedrag van in totaal € 1.511,81 toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Immateriële schade

De benadeelde partij heeft door het handelen van verdachte lichamelijk letsel opgelopen, te weten steekverwondingen aan zijn linker borstkas, linker arm en hand, waarbij in ieder geval één slagader en een spier in de linker bovenarm zijn geraakt, diverse zenuwen in linker arm en hand ernstig beschadigd zijn geraakt en pezen in de hand zijn doorgesneden. Als gevolg heeft hij veel bloed verloren waardoor hij buiten bewustzijn is geraakt. Hij is vervolgens direct geopereerd en mogelijk is nog een operatie nodig om de zenuwen te verbinden om gevoel en motoriek te verbeteren. Door het letsel aan pezen en zenuwen heeft hij geen gevoel meer in meerdere vingers, waardoor hij deze ook nauwelijks kan gebruiken. Hij kan deze vingers niet buigen waardoor het niet meer mogelijk is om met zijn linker, dominante hand, bijvoorbeeld een pen vast te houden en te schrijven. De fijne motoriek is daarmee ernstig beperkt. De benadeelde partij heeft veel pijn ondergaan en moet hier nog steeds mee omgaan. Daarnaast heeft hij veel last van tintelingen. Het is onduidelijk of volledig herstel mogelijk is. De benadeelde partij is door zijn letsel arbeidsongeschikt verklaard. Ook heeft het feit mentaal veel impact op hem gehad. Na ontslag uit het ziekenhuis kreeg hij thuis paniekaanvallen en flashbacks. Vanwege de ernst van de psychische klachten is hij doorverwezen naar een psycholoog waar hij nu onder behandeling is. Het heeft tijd gekost voor hij weer naar buiten durfde te gaan en hij vermijdt nog steeds drukke locaties zoals het openbaar vervoer. Ook vermijdt hij de aanwezigheid van messen en komt daardoor nauwelijks in de keuken.

Op grond van artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van immateriële schade. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 10.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd

Daarnaast wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

Schadevergoedingsmaatregel

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 37a, 38, 38a, 38e, 45, en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], voor het bewezen verklaarde niet strafbaar en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

1. Veroordeelde zal zich niet schuldig maken aan een strafbaar feit;

2. Veroordeelde werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:

  • -

    veroordeelde meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

  • -

    veroordeelde laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van betrokkene vast te stellen

  • -

    veroordeelde houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan

aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om betrokkene te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

  • -

    veroordeelde helpt de reclassering aan een actuele foto waarop haar gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

  • -

    veroordeelde werkt mee aan huisbezoeken;

  • -

    veroordeelde geeft de reclassering inzicht in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

  • -

    veroordeelde vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

  • -

    veroordeelde werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met betrokkene, als dat van belang is voor het toezicht;

3. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van het Openbaar Ministerie;

4. Veroordeelde laat zich opnemen in FPA [locatie] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering en de behandelaars dat nodig vinden. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

5. Veroordeelde laat zich behandelen door een (forensisch) ambulante behandelinstelling, te bepalen door de reclassering. De behandeling start aansluitend op de klinische behandeling en duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

6. Veroordeelde gebruikt geen alcohol en werkt mee aan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.

7. Veroordeelde werkt mee aan een time-out in een Forensisch Psychiatrisch behandelsetting (FPC, FPK of FPA), als de reclassering dat nodig vindt. Deze time-out duurt maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar.

Geeft opdracht aan de reclassering toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 38 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 38 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

Vordering benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangever] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 11.511,81 (elfduizend vijfhonderdelf euro en eenentachtig cent), bestaande uit € 1.511,81 (vijftienhonderdelf euro en eenentachtig cent) aan vergoeding van materiële schade en
€ 10.000,- (tien duizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 juni 2020, het moment dat de schade is ontstaan tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangever] voornoemd.

Veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten die al door de benadeelde partij zijn gemaakt en voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zullen worden gemaakt, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is. Dit gedeelte van de vordering kan eventueel worden aangebracht bij de burgerlijke rechter.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangever] , aan de Staat
€ 11.511,81 (elfduizend vijfhonderdelf euro en eenentachtig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 3 juni 2020, het moment dat de schade is ontstaan tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald, te betalen. Wanneer er niet kan worden betaald, kan gijzeling worden toegepast voor 92 dagen. Toepassing van die gijzeling maakt niet dat de betalingsverplichting komt te vervallen.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. F. Dekkers en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.A. Mud, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 mei 2021.

[(...)]

1 De bewijsmiddelen in de voetnoten zijn, tenzij anders vermeld, processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De bewijsmiddelen komen uit het dossier met nummer 2020115052.

2 Aangifte [aangever] d.d. 4 juni 2020, p. 1049 - 1050;

3 Verhoor getuige [getuige 2] d.d. 5 juni 2020, p. 1060 - 1061;

4 Verhoor getuige [getuige 1] d.d. , p. 1065;

5 Verhoor getuige [getuige 2] d.d. 5 juni 2020, p. 1061 – 1062;

6 Verhoor getuige [getuige 1] d.d. , p. 1065 – 1066;

7 Verhoor getuige [getuige 1] d.d. , p. 1066;

8 Verhoor getuige [getuige 1] d.d. , p. 1066;

9 Forensisch onderzoek woning d.d. 11 juni 2020, p. 1072;

10 Medisch letselverklaring door geneeskundige [persoon 2] d.d. 9 juni 2020, p. 1054;

11 Verhoor aangever d.d. 10 juni 2020, p. 1057.