Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2198

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
14-05-2021
Zaaknummer
13/997049-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Hawala-bankieren. Veroordeling voor witwassen en deelname aan criminele organisatie. Beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond verworpen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997049-18

Datum uitspraak: 3 mei 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 25 januari 2019, 22 maart 2021, 23 maart 2021 en 3 mei 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. van Doorn en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.C. Jonge Vos naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding

Op 26 februari 2018 is er informatie binnengekomen afkomstig van een Amerikaanse liaison officier, dat [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ), betrokken zou zijn bij het witwassen van drugsgeld. Hierop is het onderzoek Glendora gestart, waarbij onder andere telefoontaps zijn aangesloten, observaties zijn uitgevoerd en camera’s zijn geplaatst bij het perceel aan de [BRP-adres] . Hier bevindt zich de woning waar [medeverdachte 1] , zijn vrouw [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en zijn kinderen [verdachte] en [medeverdachte 3] (hierna onderscheidenlijk: [verdachte] en [medeverdachte 3] ) verblijven. Vanaf 1 maart 2018 zijn er processen-verbaal binnengekomen van het Team Criminele Inlichtingen (TCI), die informatie bevatten over [medeverdachte 1] . Hij zou, samen met zijn kinderen, betrokken zijn bij activiteiten met betrekking tot ondergronds bankieren en het versturen van drugsgeld naar Zuid-Amerika.

Op 19 juni 2018 zijn [verdachte] en zijn vriend [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) aangehouden in Rotterdam waarbij een geldbedrag van ruim vijf ton is aangetroffen in de auto. Nadat [verdachte] en [medeverdachte 4] zijn heengezonden, is het onderzoek voortgezet.

Op 6 november 2018 is de woning aan de [BRP-adres] doorzocht. Daarbij zijn onder andere een vuurwapen met munitie en een stroomstootwapen aangetroffen. Ook is tijdens de doorzoeking een beveiligingscamerasysteem in beslag genomen. Deze opgeslagen camerabeelden van dat systeem zijn uitgekeken door het onderzoeksteam. Daarnaast is er onderzoek gedaan naar de contante uitgaven en stortingen van de familie [familienaam] .

Op 6 november 2018 is op basis van de onderzoeksresultaten besloten over te gaan tot de aanhouding van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 3] . De zaken van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zijn gezamenlijk (maar niet gevoegd) behandeld op zitting. De rechtbank doet vandaag uitspraak in de zaken van genoemde vijf verdachten.

3 De beschuldiging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de nadere vordering omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is aangepast op de terechtzitting van 22 maart 2021.

Aan verdachte is samengevat tenlastegelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. het (mede)plegen van (gewoonte)witwassen of schuldwitwassen in de periode van 1 maart 2018 tot en met 6 november 2018 van

  1. een geldbedrag van € 500.050,- (op 19 juni 2018)

  2. een onbekend geldbedrag (op 10 april 2018)

  3. een geldbedrag van € 55.000,- (op 16 mei 2018)

  4. een geldbedrag van € 5.000,- (op 18 oktober 2018)

2. het (mede)plegen van (gewoonte)witwassen of schuldwitwassen in de periode van 1 januari 2016 tot en met 13 november 2018 van

  1. een geldbedrag van € 19.969,16 (28 contante stortingen)

  2. een geldbedrag van € 6.000,- (contante betaling ten behoeve van BMW)

  3. een geldbedrag van € 1.900,- en/of een Yamaha motor

  4. een geldbedrag van € 3.690,- en/of een Vespa scooter

3. het (mede)plegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen, een hoeveelheid munitie en een elektrisch stroomstootwapen op 6 november 2018;

4. deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het medeplegen van (gewoonte)witwassen of schuldwitwassen;

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis

4 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

ten aanzien van feit 1 (een geldbedrag van € 55.000,- op 16 mei 2018)

In het dossier Glendora zijn gegevens opgenomen die het resultaat zijn van een Australisch rechtshulpverzoek.

Dit verzoek hield in het in ontvangst nemen van een geldbedrag van een nog onbekende persoon, deze geldoverdracht waar te nemen en dit geld over te boeken naar een bankrekening van de Australische overheid.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard en heeft verwezen naar hetgeen de raadsman van [medeverdachte 1] daartoe naar voren heeft gebracht.

Dit betoog komt er op neer dat de verdediging van mening is dat zij onvoldoende inzage heeft kunnen krijgen in het voortraject dat aan de pseudodienstverlening is voorafgegaan.

Daardoor heeft de verdediging niet kunnen toetsen of de door de Australiërs gehanteerde opsporingsmethode voldoet aan het Tallon-criterium. Mocht de inzet van deze opsporingsmethode al rechtmatig zijn, dan kan de verdediging ook niet toetsen of deze voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Bovendien kan de raadsman niet uitsluiten dat het rechtshulpverzoek van 23 februari 2018 betrekking heeft op [medeverdachte 1] , nu de informatie over verdachte uit de Verenigde Staten op dezelfde datum is binnengekomen als het Australische rechtshulpverzoek. Dit dient tot gevolg te hebben dat de officier van justitie wat betreft dit onderdeel van de tenlastelegging, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank oordeelt als volgt. Ter zitting hebben de rechtbank en de verdediging inzage gekregen in het deels zwart gelakte rechtshulpverzoek uit Australië van 23 februari 2018. De rechtbank leidt uit het rechtshulpverzoek af dat de Australische autoriteiten hebben verzocht een pseudokoop op te zetten in het kader van een onderzoek naar een Australische verdachte. De officier van justitie heeft op de zitting bevestigt dat haar uit eigen wetenschap bekend is dat het rechtshulpverzoek geen betrekking had op [medeverdachte 1] . De rechtbank mag uitgaan van de juistheid van deze mededelingen Nu het rechtshulpverzoek geen betrekking heeft [medeverdachte 1] , is geen sprake van een tegen [medeverdachte 1] ingezet middel van pseudokoop.

Het tegen [medeverdachte 1] en [verdachte] verkregen bewijs is aan te merken als bijvangst van een tegen een andere verdachte in een ander onderzoek ingezet opsporingsmiddel op basis van een internationaal rechtshulpverzoek. Het vertrouwensbeginsel brengt mee dat de rechtmatigheid van het rechtshulpverzoek niet getoetst wordt door de Nederlands rechter. Hoe uitvoering aan de verzochte pseudokoop is gegeven waarbij verdachte in beeld is gekomen, is neergelegd in de processen-verbaal die zijn opgemaakt door de undercover agenten en dat is dus te toetsen door de verdediging. Dat verdachte of [medeverdachte 1] daarbij op onrechtmatige wijze tot hun handelingen zouden zijn bewogen heeft de verdediging niet aangevoerd en is de rechtbank evenmin gebleken.

Dit verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging

Hier worden slechts de conclusies van het Openbaar Ministerie en de verdediging weergegeven. Voor zover de inhoudelijk ingenomen standpunten nader besproken moeten worden, komen die hierna bij de beoordeling door de rechtbank aan bod.

De officier van justitie vindt dat de onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden. Ten aanzien van feit 3 vindt de officier van justitie dat verdachte moet worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van het vuurwapen en de munitie.

De verdediging heeft de transactie van € 500.050,- onder feit 1 niet betwist. Ten aanzien van de overige tenlastegelegde feiten vindt de verdediging dat verdachte moet worden vrijgesproken.

5.2.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Geldbedrag op 19 juni 2018

Op dinsdag 19 juni 2018 vinden via het getapte mobiele telefoonnummer in gebruik bij [medeverdachte 1] meerdere telefoongesprekken plaats die het onderzoeksteam doen vermoeden dat er die avond een belangrijke afspraak gaat plaatsvinden. [medeverdachte 2] geeft aan [medeverdachte 1] door dat er is gebeld door een “ [naam 1] ” en dat daar naartoe moet worden gegaan.2 Ook krijgt de landelijke recherche een TCI proces-verbaal waaruit blijkt dat uit een lopend strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat de bestuurder van het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken 1] op dinsdag 19 juni 2018 in de directe omgeving van de [straatnaam 1] te Rotterdam hoogst waarschijnlijk een groot contant geldbedrag in ontvangst zal nemen. Door leden van het onderzoeksteam is daarom de directe omgeving van de [straatnaam 1] te Rotterdam onder observatie genomen.3 Door het observatieteam is om 19:50 uur waargenomen dat de BMW (met kenteken [kenteken 1] ) met twee inzittenden parkeert op de [straatnaam 1] ter hoogte van de snackbar. Zij zien dat de bestuurder vanuit de BMW contact maakt met een man met een hondje en dat bestuurder vervolgens iets aan deze man overhandigt. Het observatieteam ziet dan dat, nadat deze man is weggelopen bij de BMW, een andere man met een blauwe Albert Heijn tas in zijn hand in de richting van de BMW loopt. De deur aan de bijrijderszijde wordt geopend, de man hurkt bij het bijrijdersportier en loopt kort daarop weg, zonder nog iets in zijn handen. Daarna is gezien dat de BMW weer wegrijdt over de Rijksweg A4 in de richting van Amsterdam. Uiteindelijk is om 20:53 uur ter hoogte van Schiphol door een herkenbaar politievoertuig een stopteken gegeven aan de BMW. 4

De verbalisanten zien twee inzittenden. Dit blijken [verdachte] (bestuurder) en [medeverdachte 4] (bijrijder) te zijn. Vervolgens doorzoeken zij de BMW en vinden zij een Albert Hein tas onder een jas bij de passagiersstoel met daarin € 500.030,-.5 Uit nader onderzoek aan de boord computer taxi (BCT) van de BMW blijkt dat de taximeter tijdens de rit van Amsterdam naar Rotterdam en van Rotterdam tot aan de aanhouding had aangestaan.6

Uit de telefoontaps blijkt dat er tussen 18:49 uur en 20:18 uur een aantal telefoongesprekken heeft plaatsgevonden tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] , waarin [medeverdachte 1] zegt dat de afspraak om acht uur is en waarin hij beschrijft dat het de man met een zwarte pet en een hond zal zijn. Ook zegt hij dat [verdachte] het briefje niet vooruit mag overhandigen. Later, nadat het observatieteam de overdracht van de Albert Heijn tas had gezien, zegt [medeverdachte 1] tegen [verdachte] dat hij er € 10,- of € 20,- uit kan halen om van te tanken.7

Op de zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij het geld voor [medeverdachte 1] heeft opgehaald in Rotterdam. [medeverdachte 1] had hem dat gevraagd, omdat hij die dag zelf ziek was geworden.8

Geldbedrag 16 mei 2018

Ter uitvoering van een rechtshulpverzoek uit Australië in het kader van een ander onderzoek krijgen twee pseudodienstverleners de opdracht om een afspraak te maken met een voor hen onbekend persoon om een geldbedrag in ontvangst te nemen. Dit resulteert in een ontmoeting op woensdag 16 mei 2018 op het adres [adres] met de bestuurder en bijrijder van een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 2] . Bij deze afspraak laten de pseudokopers een biljet van € 5,- zien, waarop zij een plastic tas overhandigd krijgen waarin later een geldbedrag van € 55.000,- blijkt te zitten. De pseudokopers herkennen [medeverdachte 1] en [verdachte] als de bestuurder en de inzittende van de Volkswagen Golf.9 Deze overdracht is eveneens waargenomen door het observatieteam.10

Geldbedragen oktober 2018

Uit nader onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte 1] blijkt dat er op 17 en 18 oktober 2018 spraakberichten zijn gestuurd tussen [medeverdachte 1] en een persoon die in zijn telefoon staat opgeslagen onder de naam ‘ [naam 2] ’. In deze gesprekken laat [medeverdachte 1] op 17 oktober 2018 om 19:36 uur weten dat hij beledigd is voor vijfduizend waarop [naam 2] antwoordt “Ik heb al driehonderd tweeënzestig (362) aan hem bevestigd. En als ik nu tegen hem ga zeggen dat er vijfduizend (5000) minder is (…) Wat zullen die mensen tegen mij zeggen”. Een minuut later laat [naam 2] weten dat “het” in de machine is gegaan en vraagt hij aan [medeverdachte 1] hoe het kan dat hij 100 bankbiljetten heeft geteld, terwijl er maar 90 bankbiljetten zijn. [naam 2] geeft [medeverdachte 1] daarop de opdracht om het geld te gaan zoeken. Om 19:49 uur vraagt [naam 2] “Is het misschien mogelijk dat er één honderd achtenvijftig (158) papieren zijn overhandigd, misschien is er per vergissing aan hem vijf (5) teveel gegeven. Omdat er iemand fout kan maken of er een pakket van vijftig extra daar is gegaan?”. [medeverdachte 1] antwoordt daarop dat er geen fout is gemaakt en dat hij het in zijn eigen handen heeft meegenomen en zelf heeft overhandigd. [naam 2] vraagt waar het dan fout is gegaan als [medeverdachte 1] de tweehonderdtweeënzestig (262) volledig heeft gecheckt en geeft aan dat hij niet gelooft dat “die man het geld heeft uitgehaald en gezegd heeft dat hij minder heeft ontvangen”.

De volgende dag op 18 oktober 2018 om 14:52 uur zegt [naam 2] dat hij het adres gaat geven aan [medeverdachte 1] . Hij moet niet zelf gaan, maar iemand anders sturen. [naam 2] zegt tegen [medeverdachte 1] “U mag iemand anders in een taxi enzo sturen, begrijpt u het? En u mag tegen hem zeggen dat hij vijfduizend (5000) bij hem op kan halen”.11

Op de camerabeelden van het camerabeveiligingssysteem dat tijdens de doorzoeking in beslag is genomen is op 18 oktober 2018 het volgende te zien. Om 15:53 uur ligt er een door de verbalisanten als PGP-toestel herkende12 telefoon op de armleuning van de bank, met daarnaast een opgevouwen briefje. [medeverdachte 1] loopt ondertussen heen en weer in de woonkamer. Vanaf 15:59 uur komt ook [verdachte] regelmatig in beeld en is te zien dat [verdachte] op aanwijzing van [medeverdachte 1] een briefje pakt en in zijn broekzak stopt. Vervolgens loopt [verdachte] de woonkamer uit en blijft [medeverdachte 1] aan zijn bureau zitten met vermoedelijk een PGP-toestel in zijn handen. Kort daarna komt [verdachte] terug in de woonkamer, waarna hij het PGP-toestel van [medeverdachte 1] vasthoudt en handelingen verricht. Rond 16:05 uur is waargenomen dat [medeverdachte 1] een briefje overhandigt aan [verdachte] . [verdachte] neemt dit briefje aan en stopt het in zijn tas. Omstreeks 16:11 uur verlaat [verdachte] de woning en stapt hij in de Volkswagen Up (kenteken [kenteken 3] ). Dan rijdt [verdachte] weg bij de woning.13

Vanaf 16:30 uur vindt er meermalen telefonisch contact plaats tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] . Om 16:58 uur geeft [medeverdachte 1] door aan [verdachte] dat “het op de hoek is, waar hij de Sun Studio ziet”. [verdachte] geeft aan dat hij geen zonnestudio heeft gevonden, waarop [medeverdachte 1] aangeeft dat [verdachte] aan de overkant kan gaan staan en dat iemand zelf met hem komt praten. Om 17:21 uur belt [verdachte] opnieuw met [medeverdachte 1] . [verdachte] zegt “er waren de blanke. (…) Ik bedoel niet die blanken. Hij was wel een zwarte”. Vervolgens geeft [verdachte] aan dat hij vindt dat er iets niet in orde is. [medeverdachte 1] antwoordt daarop “Goed zoon, je hebt alleen maar 5000 roepies bij jou”.14

Om 17:44 uur is op de beveiligingsbeelden van de [straatnaam 2] te zien dat de Volkswagen Up het hofje voor de woning op komt rijden. Op het moment dat [verdachte] de woonkamer binnenkomt, is te zien dat [medeverdachte 2] aan het bureau zit en dat zij handelingen uitvoert op een PGP-toestel. Dan haalt [verdachte] uit zijn linker binnenzak een witte envelop. [verdachte] haalt uit de envelop een stapel briefjes waarvan er meerdere een paarse kleur hebben. Vervolgens telt [verdachte] de briefjes terwijl [medeverdachte 2] toekijkt. Te zien is dat er in totaal tien briefjes worden geteld en dat [verdachte] de stapel daarna weer terug stopt in de envelop.

Rond 17:48 uur komt [medeverdachte 1] de woonkamer binnenlopen. Vervolgens pakt [medeverdachte 2] van het bureau een aantal briefjes waarvan zij er één openvouwt dat lijkt op een vijfeurobiljet. Daarna ontvangt [medeverdachte 2] een briefje van [medeverdachte 1] . Vervolgens is te zien dat [medeverdachte 2] de envelop die [verdachte] eerder uit zijn binnenzak had gehaald, in de richting van [medeverdachte 1] schuift. Ook is te zien dat [medeverdachte 1] de telefoon overneemt van [medeverdachte 2] en dat hij hieraan handelingen verricht. Dan pakt [medeverdachte 1] het briefje dat hij daarvoor van [medeverdachte 2] heeft gekregen en legt deze op de armleuning van de bank. Omdat hij het PGP-toestel daarna dicht in de buurt van het briefje houdt en te zien is dat het scherm gedurende enkele seconden verandert, denken de verbalisanten dat [medeverdachte 1] op dat moment een foto heeft gemaakt van het briefje.15

Camerabeelden en doorzoeking [BRP-adres]

Er zijn verschillende andere momenten beschreven die de verbalisanten zijn opgevallen bij het uitkijken van de beelden van het beveiligingscamerasysteem in de woning aan de [BRP-adres] .

Zo is op 23 september 2018 rond 12:24 uur te zien dat [medeverdachte 1] een foto maakt van een bankbiljet en dat hij het biljet daarna in zijn broekzak stopt. Op basis van het scherm van het telefoontoestel, bestaat bij de verbalisanten het sterke vermoeden dat het hier gaat om het PGP-toestel dat is voorzien van [bedrijf 1] software. Later die dag, om 13:54 uur, is te zien dat [medeverdachte 2] binnenkomt en een handtas uit een kast haalt waar een lange portemonnee in blijkt te zitten. [medeverdachte 2] pakt daaruit een bankbiljet van € 5,-, stopt het in een envelop en schrijft er iets op. [medeverdachte 2] stopt de envelop in haar handtas en vervolgens wordt gezien dat een onbekende man ook iets in de handtas stopt. Daarna loopt [medeverdachte 2] met [medeverdachte 1] en de onbekende man in de richting van de uitgang.16

Op 23 oktober 2018 is op de beelden te zien dat [medeverdachte 1] rond 09:29 uur de woning uitloopt zonder tas en wegrijdt in de Volkswagen Golf. Ongeveer een kwartier later is te zien dat [medeverdachte 2] handelingen verricht aan haar telefoon. Rond 10:11 uur komt [medeverdachte 1] weer terug, nu met een gevulde plastic tas. Op de bovenkant is zwart plastic te zien. Om 09:34 uur is te zien dat [medeverdachte 2] met een gevulde sporttas buiten richting de achterdeur loopt en de tas aan iemand anders geeft, van wie alleen de handen zijn te zien.17

Ook is op de beelden te zien dat [medeverdachte 2] op 24 oktober 2018 rond 12:20 uur een pakje bankbiljetten uit een lade haalt en openvouwt. Vervolgens telt ze de bankbiljetten en stopt deze in haar portemonnee. Rond 15:32 uur is te zien dat [medeverdachte 1] met verschillende plastic tasjes de woning binnenkomt. Later die dag, rond 20:17 uur, is te zien dat [medeverdachte 1] een stapel bankbiljetten in zijn hand heeft, hier één uitpakt en daar vervolgens vermoedelijk een foto van maakt.18

Tijdens de doorzoeking van de woning aan de [BRP-adres] zijn op verschillende plaatsen vijfeurobiljetten aangetroffen, soms samengebonden in bundels. In een keukenkastje is een glas aangetroffen met daarin drie biljetten van € 5,- en één biljet van € 10,-. In de biljetten waren notitiepapiertjes opgevouwen met daarop een getal, een letter cijfercombinatie en de mogelijke (bij)namen ‘ [naam 3] ', ' [naam 4] ', ' [naam 5] ' en ' [naam 6] '.19 Verder zijn er in een nachtkastje in de slaapkamer van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] twee PGP-telefoons aangetroffen. Gezien de goederen die verder op het nachtkastje stonden, wordt aangenomen dat de telefoons zijn aangetroffen aan de kant waar [medeverdachte 2] zou slapen. Ook is er een geldtelmachine gevonden in de woning.20 Op de kast in de slaapkamer van [medeverdachte 3] een zwart doosje met daarin een vuurwapen aangetroffen met vier patronen en in een kast in de woonkamer een stroomstootwapen.21

Onderzoek contante stortingen en uitgaven [verdachte]

Binnen het onderzoek Glendora is ook onderzoek gedaan naar de inkomsten en bankrekeningen van [verdachte] . Daaruit blijkt dat er in de periode van 1 januari 2016 tot 13 november 2018 28 contante stortingen van in totaal € 22.448,60,- zijn gedaan op drie verschillende rekeningen op naam van [verdachte] althans op naam van zijn eenmanszaak [eenmanszaak] .22

Verder blijkt uit onderzoek dat [verdachte] € 6.000,- contant heeft betaald ten behoeve van de aankoop van zijn BMW.23 Ook is de aankoopfactuur opgevraagd van de Yamaha motor van [verdachte] . Op de factuur en de koopovereenkomst is te zien dat het voertuig op 10 augustus 2017 is verkocht en geleverd aan de eenmanszaak [eenmanszaak] , waar [verdachte] de eigenaar van is. In de koopovereenkomst staat dat er een aanbetaling van € 2.000,- is geweest, waarvan € 1.900,- contant is betaald.24 Tot slot blijkt uit de opgevraagde aankoopfactuur van de Piaggio Vespa scooter van [verdachte] dat deze op 27 augustus 2016 door [bedrijf 2] is verkocht aan [verdachte] voor een totaalbedrag van € 3.690,-. Uit het proces-verbaal blijkt dat in de e-mail van een medewerker van [bedrijf 2] waarbij deze aankoopfactuur is toegezonden, staat vermeld dat de factuur contant is betaald. 25

Onderzoek naar de legale inkomsten over de periode van 2013 tot en met 2016 wijst uit dat [verdachte] in 2016 een netto inkomen genoot van in totaal € 3.225,-.26 In 2017 heeft [verdachte] de onderneming [eenmanszaak] als eenmanszaak opgericht. Op basis van de financiële gegevens kan worden gesteld dat [eenmanszaak] in 2017 en 2018 een negatief resultaat heeft behaald en dus verlies heeft geleden. Uit onderzoek naar de administratie van [eenmanszaak] is af te leiden dat er uit de geregistreerde bedrijfsvoering maximaal een contant geldbedrag kan zijn overgehouden van € 2.479,44 en dat dit door [verdachte] kan zijn aangewend om op één van zijn drie bankrekeningen te storten.27

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1.

Vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde

[medeverdachte 1] heeft bekend dat het aangetroffen wapen, de munitie en het stroomstootwapen van hem zijn. Door [verdachte] is ontkend dat hij wist dat deze voorwerpen zich in de woning bevonden.

Dat het vuurwapen en de munitie op de kast van [medeverdachte 3] werden aangetroffen, is onvoldoende om aan te nemen dat zij, of één van de andere gezinsleden, ook wetenschap en beschikkingsmacht hadden over het vuurwapen en de munitie. Het koffertje waarin het wapen zat, was daar door [medeverdachte 1] neergelegd en was vanwege de hoogte van de kast niet zichtbaar als je in de kamer staat. Ook ten aanzien van het stroomstootwapen kan de rechtbank op grond van het dossier niet vaststellen dat iemand anders dan [medeverdachte 1] hiervan wist en hierover kon beschikken. Het enkele feit dat dit stroomstootwapen in een kast in de woonkamer lag is niet voldoende voor het bewijs dat de medebewoners daar wetenschap van hadden. Daarbij komt dat zelfs als een medebewoner dit voorwerp in de kast zou hebben zien liggen, niet geoordeeld kan worden dat diegene ook wist dat dit een stroomstootwapen betrof nu [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het de vorm had van een zaklamp. Ook de verbalisant die het voorwerp in de kast heeft aangetroffen herkende het niet aanstonds als een stroomstootwapen, maar heeft een collega gevraagd het voorwerp te identificeren.

Omdat de rechtbank op basis van het dossier niet kan vaststellen dat [verdachte] wist van de aanwezigheid van deze voorwerpen en daarover kon beschikken, wordt hij van het voorhanden hebben hiervan vrijgesproken.

5.3.2.

Witwassen (feit 1 en 2)

Voor een veroordeling voor medeplegen van witwassen zoals hier bedoeld is vereist dat verdachte

  • -

    de bedragen in de tenlastelegging heeft verworven, overgedragen, omgezet, gebruikt, voorhanden heeft gehad dan wel dat hij de herkomst van dit geld heeft verhuld, en

  • -

    die bedragen van misdrijf afkomstig zijn, en

  • -

    wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die bedragen van misdrijf afkomstig waren, en

  • -

    dat hij daarin heeft samengewerkt met een of meer medeverdachten.

Beoordelingskader van het bestanddeel afkomstig van misdrijf

In het dossier zitten geen aanknopingspunten voor een specifiek misdrijf waaruit het aangetroffen geld of het geld waarmee de goederen zijn aangeschaft, afkomstig zou zijn. Uit vaste rechtspraak volgt, dat ook als niet duidelijk is uit welk specifiek misdrijf de voorwerpen afkomstig zijn, in sommige gevallen toch witwassen bewezen kan worden. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat de voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Zo’n verklaring moet concreet zijn, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Vervolgens ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de alternatieve herkomst van de voorwerpen uit de verklaring van verdachte. Alleen als vervolgens uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, kan het witwassen van die voorwerpen bewezen worden.

5.3.1.1. Partiële vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde

Een onbekend geldbedrag (op 10 april 2018)

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 4] een onbekend geldbedrag hebben overgedragen of ontvangen op 10 april 2018. De officier van justitie voert daartoe aan dat uit het dossier blijkt dat [verdachte] , net als op 19 juni 2018, in opdracht van [medeverdachte 1] in de BMW met [medeverdachte 4] naar Rotterdam is gereden waarbij hij de taximeter heeft aangezet. Ook zijn er telefoongesprekken gevoerd tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] die gelijkenissen vertonen met de gesprekken die zij op 19 juni 2018 hebben gevoerd. Gelet op al deze overeenkomsten met de geldoverdracht van 19 juni 2018 en het feit dat de verdachten hiervoor geen verklaring geven, kan het volgens de officier van justitie niet anders dan dat ook hier een geldoverdracht heeft plaatsgevonden.

De verdediging heeft aangevoerd dat het dossier onvoldoende informatie bevat om vast te stellen dat de ontmoeting op 18 april 2018 in het teken zou hebben gestaan van een geldoverdracht. Zo blijkt volgens de verdediging niet met wie [verdachte] een ontmoeting zou hebben, laat staan waar deze ontmoeting over zou gaan.

De rechtbank vindt dat niet bewezen kan worden dat er op 10 april 2018 geld is ontvangen of overgedragen. De rechtbank overweegt daartoe dat er weliswaar overeenkomsten zijn met de geldoverdracht van 19 juni 2018, maar dat er ook belangrijke verschillen zijn. Zo is er op 10 april 2018, in tegenstelling tot 19 juni 2018, geen geldbedrag aangetroffen en wordt er in de tapgesprekken, ook niet in versluierde taal, op geen enkel moment gesproken over geld. Dat [verdachte] die dag met [medeverdachte 4] in zijn taxi naar Rotterdam is gereden in opdracht van [medeverdachte 1] , is onvoldoende om te concluderen dat het niet anders kan dan dat daar een geldbedrag is opgehaald of is overgedragen.

De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van dit onderdeel van het onder 1 tenlastegelegde.

5.3.2.1. Het oordeel ten aanzien van het overige onder 1 tenlastegelegde

Een geldbedrag van € 500.050,- (op 19 juni 2018)

De rechtbank vindt op grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van [verdachte] , bewezen dat er een geldoverdracht heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018. [verdachte] is die dag in opdracht van [medeverdachte 1] naar Rotterdam gereden om een geldbedrag op te halen bij een onbekend gebleven man. Na de inbeslagname blijkt het te gaan om een geldbedrag van € 500.030,- euro. Daarnaast blijkt uit de tapgesprekken dat [verdachte] van het oorspronkelijk overgedragen bedrag € 20,- heeft gepakt om te tanken. De rechtbank acht daarom bewezen dat [verdachte] op 19 juni 2018 een geldbedrag van € 500.050,- heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

Nu [verdachte] het geld is gaan ophalen in opdracht van [medeverdachte 1] , uit de tapgesprekken blijkt dat [medeverdachte 1] met [verdachte] belt over het tijdstip van de afspraak en dat de afspraak met een man met een zwarte pet en een hond zal zijn, vindt de rechtbank bewezen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . De rechtbank acht daarmee bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] tezamen en in vereniging het geldbedrag van € 500.050,- hebben verworven en voorhanden hebben gehad. De rechtbank vindt ook bewezen dat [medeverdachte 4] als dekmantel heeft gefungeerd door zogenaamd als passagier mee te rijden in de taxi, maar kan niet vaststellen dat zijn rol van voldoende gewicht is geweest voor het aannemen van mededaderschap.

Een geldbedrag van € 55.000,- (op 16 mei 2018)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het in rubriek 4 gevoerde verweer subsidiair tot gevolg moet hebben dat de bevindingen die naar aanleiding van de pseudodienstverlening zijn gedaan, worden uitgesloten van het bewijs.

Dit verweer van de verdediging ten aanzien van de onrechtmatigheid van de (inzet van de) pseudokoop is door de rechtbank in rubriek 4 verworpen. Het subsidiaire verzoek van de verdediging behoeft daarom geen verdere bespreking.

De rechtbank vindt op grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen bewezen dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op 16 mei 2018 tezamen en in vereniging een geldbedrag van € 55.000,- voorhanden hebben gehad en hebben overgedragen aan de twee pseudokopers.

Een geldbedrag van € 5.000,- (op 18 oktober 2018)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de inhoud van de spraakberichten niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte deze geldbedragen in de tenlastegelegde periode voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen. De verdediging voert daartoe aan dat uit de spraakberichten niet kan worden afgeleid wanneer de overdracht zou hebben plaatsgevonden. Daar komt bij dat op basis van de getallen die worden genoemd in de spraakberichten, niet kan worden vastgesteld om welke bedragen of valuta het gaat.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de tapgesprekken van 18 oktober 2018 blijkt dat [verdachte] in opdracht van [medeverdachte 1] naar een afspraak gaat. [medeverdachte 1] geeft aan waar [verdachte] moet zijn en zegt dat er vanzelf iemand met hem komt praten. Wanneer [verdachte] aangeeft dat hij vindt dat er iets niet in orde is, zegt [medeverdachte 1] dat hij “maar 5000 roepies bij zich heeft”.

Uit de spraakberichten tussen [medeverdachte 1] en [naam 2] die daarvoor hebben plaatsgevonden blijkt dat dat er een fout is gemaakt. Iemand zou “362” of “262” krijgen, maar heeft “5000” te weinig gekregen. Nadat de fout is ontdekt, geeft [naam 2] aan [medeverdachte 1] de opdracht om de “5000” te gaan halen. [naam 2] laat weten dat [medeverdachte 1] niet zelf moet gaan, maar iemand anders in een taxi moet sturen. [naam 2] vraagt in deze gesprekken ook hoe het kan dat [medeverdachte 1] 100 bankbiljetten heeft geteld, terwijl er maar 90 bankbiljetten zijn. De rechtbank concludeert dat er dus tien biljetten te weinig zijn gegeven en dat dit samen “5000” moest zijn.

Op de camerabeelden van 18 oktober 2018 is te zien dat [verdachte] nadat hij bij de afspraak is geweest terug komt met een envelop. [verdachte] maakt de envelop open en te zien is dat hij tien paarse briefjes telt. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het niet anders kan dan dat dit tien briefjes van € 500,- waren en dat [verdachte] , in overeenstemming met de tapgesprekken, een geldbedrag van € 5.000,- is gaan ophalen bij een onbekend gebleven persoon. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] dit geldbedrag op 18 oktober 2018 heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

Uit de tapgesprekken blijkt duidelijk dat [verdachte] dit geldbedrag is gaan ophalen in opdracht van [medeverdachte 1] en dat de rol van [medeverdachte 1] daarin substantieel is geweest. De rechtbank acht daarom bewezen dat [medeverdachte 1] en [verdachte] tezamen en in vereniging het geldbedrag van € 5.000,- hebben verworven en voorhanden hebben gehad. Gelet op de handelingen die [medeverdachte 2] verricht, haar aanwezigheid bij het tellen van het geld en het feit dat zij de envelop aan [medeverdachte 1] geeft, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 1] en [verdachte] het geldbedrag tezamen en in vereniging met [medeverdachte 2] voorhanden hebben gehad.

Van misdrijf afkomstig

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier voldoende feiten en omstandigheden naar voren komen om een vermoeden van witwassen te rechtvaardigen. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat diverse zogenoemde witwastypologieën (algemene ervaringsregels die een aanwijzing vormen dat mogelijk sprake is van witwassen) zich in deze zaak voordoen. Het gaat immers telkens om een groot contant geldbedrag dat is overgedragen of ontvangen, in deels grote coupures waarvan algemeen bekend is dat deze nagenoeg uitsluitend in het criminele circuit worden gebruikt. Voorts zijn de geldbedragen op 16 mei 2018 en 19 juni 2018 vervoerd in de auto in respectievelijk een plastic tas en een big shopper en overgedragen op de openbare weg, terwijl dit niet gangbaar is in het normale economische verkeer en aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich brengt. Ten aanzien van de transactie in oktober 2018 ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat het daar anders is gegaan. Ook is er in de woning een aantal tokens aangetroffen die duiden op ondergronds bankieren. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden geven samen een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Van verdachte mag dan worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van voornoemde geldbedragen, die concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de herkomst van de geldbedragen. De rechtbank stelt daarom vast dat deze geldbedragen een criminele herkomst hebben.

Gezien de omstandigheden waaronder het geld werd vervoerd en overgedragen, het feit dat er in versluierde taal werd gesproken, het gebruik van PGP-toestellen, de (deels) grote coupures en bij gebrek aan aanknopingspunten voor het tegendeel, moet verdachte hebben geweten dat het om uit misdrijf verkregen geld ging. De rechtbank vindt dan ook bewezen dat verdachte deze geldbedragen heeft witgewassen.

Medeplegen

Uit het hiervoor overwogene blijkt voldoende dat sprake was van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking tussen de [medeverdachte 1] en [verdachte] en – ten aanzien van het bedrag van € 5.000 – [medeverdachte 2] en dat de rol van [verdachte] daarin zodanig substantieel is geweest dat sprake was van medeplegen.

Gewoontewitwassen

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de frequentie van de witwashandelingen, bewezen kan worden dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

5.3.1.3. Het oordeel over het onder 2 tenlastegelegde

De contante stortingen

De rechtbank overweegt dat uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden blijkt dat in de periode van 1 januari 2016 tot en met 13 november 2018 in totaal 28 contante stortingen hebben plaatsgevonden ten gunste van drie rekeningnummers die op naam staan van verdachte. In totaal komt dit neer op een bedrag van € 22.448,60,-. Verdachte heeft deze bedragen daarmee op enig moment verworven en voorhanden gehad. Uit de opgegeven omzet van [verdachte] blijkt dat er binnen zijn onderneming maximaal een contant geldbedrag kan zijn overgehouden van € 2.479,44 om op zijn rekeningen te storten. De rechtbank gaat daarom uit van een bedrag van € 19.969,16 aan contante stortingen dat niet uit de opgegeven inkomsten van [verdachte] is te verklaren.

De contante uitgaven (aan de BMW, de Yamaha motor en de Vespa scooter)

De verdediging heeft zich ten aanzien van de Vespa scooter op het standpunt gesteld dat er onvoldoende bewijs is dat een contante betaling heeft plaatsgevonden, nu de e-mail waar naar wordt verwezen in het dossier ontbreekt. De rechtbank is van oordeel dat het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal waaruit blijkt dat de verbalisant in de e-mail van een medewerker van [bedrijf 2] heeft gelezen dat de scooter contant is betaald, voldoende is om aan te nemen dat er een contante betaling heeft plaatsgevonden. Dit verweer wordt daarom verworpen.

De rechtbank overweegt dat uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden blijkt dat in de periode van 1 januari 2016 tot en met 13 november 2018 door [verdachte] een geldbedrag van € 6.000,- contant is betaald ten behoeve van de BMW, dat een geldbedrag van € 1.900,- contant is betaald voor de Yamaha motor en dat een geldbedrag van € 3.690,- contant is betaald voor de Vespa scooter. [verdachte] heeft deze bedragen daarmee op enig moment verworven, voorhanden gehad en gebruikt.

Van misdrijf afkomstig

Hiervoor is reeds overwogen dat uit de inhoud van het dossier blijkt dat zich in deze zaak diverse zogenoemde witwastypologieën voordoen. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de herkomst van deze contante stortingen en uitgaven onbekend is gebleven en dat deze bedragen niet uit de legale inkomsten van [verdachte] kunnen worden verklaard. Ook duidt het doen van contante stortingen van grote bedragen op eigen rekeningen en het doen van grote contante uitgaven, naar het oordeel van de rechtbank, op het witwassen van geld dat door misdrijf is verkregen. Bovendien blijkt uit de bankafschriften niet van geldopnamen die deze uitgaven verantwoorden. Daarmee is sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

Van verdachte mag dan worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van voornoemde geldbedragen en dat deze verklaring concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Verdachte heeft op de zitting van 22 maart 2021 verklaard dat hij contante inkomsten genereerde doordat hij veel taxiritten heeft uitgevoerd die hij niet heeft opgegeven bij de Belastingdienst en ook niet uit de taximeter blijken. De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het witwassen. Uit deze verklaring van verdachte kan worden opgemaakt dat dit fiscale delict door verdachte zelf is begaan en er geen sprake is van een misdrijf gepleegd voorafgaand aan één van de in artikel 420bis genoemde delictsgedragingen. Eerst door het doen van de contante uitgaven zonder over de bedragen belasting af te dragen maakt [verdachte] zich schuldig aan belastingontduiking en dit gaat dus niet aan het witwassen vooraf, aldus de raadsman.

De rechtbank vindt de omstandigheid dat verdachte pas op de zitting met deze verklaring komt terwijl enige onderbouwing ontbreekt en verdachte zijn verklaring niet op andere wijze concreet heeft kunnen maken, ertoe leidt dat zijn verklaring niet verifieerbaar is. Gelet op het voorgaande, hoeft en kan het Openbaar Ministerie geen onderzoek doen naar de alternatieve herkomst van het geldbedrag. Nu deze verklaring van verdachte buiten beschouwing zal worden gelaten, behoeft het verweer van de raadsman geen bespreking.

Nu voor de legale herkomst van deze geldbedragen een concrete en verifieerbare verklaring ontbreekt en de stukken in het dossier geen enkele aanwijzing opleveren voor een mogelijke legale herkomst van de gelden, stelt de rechtbank vast dat het niet anders kan dan dat de gestorte en uitgegeven contante geldbedragen een criminele herkomst hebben en dat verdachte wist dat het om uit misdrijf verkregen geld ging, zodat hij dat geld heeft witgewassen.

Verbergen of verhullen

Ten aanzien van de contant gestorte bedragen van in totaal € 19.969,16 heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geldbedrag. De rechtbank is van oordeel dat het storten van contante geldbedragen op Nederlandse bankrekeningen niet kan worden aangemerkt als een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het contante geldbedrag gericht karakter heeft. De rechtbank vindt dat de geldbedragen hierdoor juist zichtbaar zijn geworden

Ten aanzien van de contante geldbedragen waarmee [verdachte] aankopen heeft gedaan, ligt dat anders. Door het uitgeven van contant geld met een criminele herkomst, is sprake van een omzettingshandeling bij de verwerving van de goederen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het gebruiken van de uit misdrijf afkomstige contante geldbedragen kan worden aangemerkt als een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het contante geldbedrag gericht karakter heeft.

Medeplegen

Het dossier geeft geen aanknopingspunten voor het samen met een ander witwassen van deze geldbedragen. Verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

Gewoontewitwassen

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de frequentie van de witwashandelingen, bewezen is dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

5.3.3.

Deelname aan een criminele organisatie (feit 4)

Beoordelingskader criminele organisatie

Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet sprake zijn (geweest) van een organisatie, die als doel het plegen van misdrijven had, waaraan verdachte heeft deelgenomen. Om van een organisatie als hier bedoeld te spreken, moet het gaan om een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen twee of meer personen. Daarbij is niet vereist dat vast komt te staan dat een persoon om als deelnemer van die organisatie te worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt of bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Ook is niet vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is.

Voor de deelneming aan die organisatie is van belang dat verdachte bij de organisatie hoort en een bijdrage levert aan het verwezenlijken van het doel van de organisatie. De verdachte moet in zijn algemeenheid weten dat het doel van de organisatie het plegen van misdrijven is en moet opzet hebben op het deelnemen aan die organisatie. Als uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van het doel van de organisatie of een aan die organisatie ondersteunende handeling heeft verricht, dan volgt daaruit zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk.

De organisatie

De rechtbank vindt dat sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband tussen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . Dit samenwerkingsverband blijkt uit de tapgesprekken over geldoverdrachten, en de gezamenlijke handelingen aan PGP-toestellen en tokens die te zien zijn op de camerabeelden. Een voorbeeld van de samenwerking is de onder 1 bewezenverklaarde geldoverdracht van € 5.000,- op 18 oktober 2018, waarin [medeverdachte 1] de opdracht krijgt om door iemand anders een geldbedrag van € 5.000,- op te laten halen. Uiteindelijk is het [verdachte] die naar de afspraak gaat en het geldbedrag ophaalt. Terwijl [verdachte] naar de afspraak gaat, houdt hij telefonisch contact met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] laat [verdachte] weten waar hij moet zijn en geeft de instructie dat [verdachte] moet wachten tot er iemand naar hem toekomt. Als [verdachte] daarna thuiskomst, telt hij in het bijzijn van [medeverdachte 2] het geldbedrag. [medeverdachte 2] verricht vlak daarvoor handelingen op de PGP-telefoon. Even later komt [medeverdachte 1] binnen en krijgt hij van [medeverdachte 2] de envelop waar het geld in zit. [medeverdachte 2] geeft hem tevens een vijfeurobiljet, waarna [medeverdachte 1] handelingen verricht aan het PGP-toestel en uiteindelijk een foto maakt van het vijfeurobiljet.

Dat de verdachten vaker een vergelijkbare taak vervulden blijkt uit de tapgesprekken en camerabeelden van andere dagen in de tenlastegelegde periode. Zo zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] ook betrokken bij de geldoverdrachten op 16 mei 2018 en op 18 juni 2018, zijn er meerdere tapgesprekken waarin [verdachte] wordt aangestuurd door [medeverdachte 1] en is op de beelden vaker te zien dat [medeverdachte 2] handelingen verricht aan de PGP-telefoon en bankbiljetten telt. De rechtbank weegt ook mee dat uit de camerabeelden blijkt dat de verdachten zich in de woning open en bloot bezig hielden met het verrichten van dergelijke activiteiten.

Dit duurzame samenwerkingsverband waarin ieder zijn eigen rol had, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). [medeverdachte 1] maakte de afspraken, had contact met de opdrachtgever en fungeerde soms zelf als koerier om geld op te halen of af te leveren. Ook [verdachte] vervulde wel eens de rol van koerier en werd hierbij aangestuurd door [medeverdachte 1] , terwijl [medeverdachte 2] zich voornamelijk bezig hield met het verrichten van administratieve handelingen, het overdragen van tokens aan [medeverdachte 1] en het in ontvangst nemen van geld. Ook het gebruiken van versluierde taal tijdens tapgesprekken door verdachten duidt op een gestructureerde samenwerking. Door de verdediging is aangevoerd dat de culturele (Pakistaanse) achtergrond van de familie een verklaring is voor de eventuele gezagsverhoudingen. Dat zou zo kunnen zijn, maar de rechtbank vindt dat dat niet uitsluit dat in dit geval sprake is van een criminele organisatie.

Uit de tapgesprekken, de camerabeelden en het feit dat er daadwerkelijk geldleveringen hebben plaatsgevonden, blijkt dat de criminele organisatie als gezamenlijk doel het plegen van witwassen had.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 5.2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

feit 1:

in de periode van 1 maart 2018 tot en met 6 november 2018, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), op hierna te noemen tijdstippen telkens een geldbedrag, te weten:

1) 500.050,- euro op 19 juni 2018

verworven en voorhanden gehad en

3) 55.000,- euro op 16 mei 2018

voorhanden gehad en overgedragen en

5) 5.000,- euro op 18 oktober 2018

verworven en voorhanden gehad

terwijl hij en zijn mededader(s) wisten dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf;

feit 2:

in de periode van 1 januari 2016 tot en met 13 november 2018 te Amsterdam, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij toen en daar, in voormelde periode, een geldbedrag, te weten:

1) in totaal 19.969,16 euro

verworven en voorhanden gehad,

en van

2) 6.000 euro (contante betaling ten behoeve van BMW [kenteken 4] ) en

3) 1.900 euro en

4) 3.690 euro

de herkomst verhuld en voornoemde geldbedragen verworven, voorhanden gehad, en gebruikt,

terwijl hij wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit misdrijf;

feit 4:

in de periode van 1 maart 2018 tot en met 6 november 2018 te Amsterdam, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 420ter Wetboek van Strafrecht en artikel 420bis Wetboek van Strafrecht, te weten het plegen van (gewoonte)witwassen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van het feit

Beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond – ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is. Uit het dossier kan worden opgemaakt dat de politie zich op het standpunt stelt dat de gestorte bedragen op de rekeningen van verdachte en de contante aankoop van verschillende goederen afkomstig zijn van een door hem zelf gepleegd misdrijf, namelijk de hennepteelt. Het betreft hier dan geld afkomstig uit eigen misdrijf terwijl er geen sprake is van enige verhullingshandeling.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat door verdachte niet concreet is aangevoerd dat de contante geldbedragen afkomstig zijn uit een eigen misdrijf. Het is aan verdachte om dit te verklaren. Gelet hierop heeft de officier van justitie verzocht om het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond te verwerpen.

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de bewijsmiddelen of uit de verklaring van verdachte volgt onvoldoende dat het aangetroffen geld afkomstig is van een door de verdachte zelf begaan misdrijf. Verdachte heeft niets aangevoerd en niet verklaard dat de contant gestorte geldbedragen afkomstig zijn uit hennepteelt. Het beroep van de verdediging op de kwalificatie-uitsluitingsgrond wordt dan ook afgewezen.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straffen en maatregelen

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om, in het geval van een bewezenverklaring, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en om aan hem geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de tijd die hij reeds in voorlopige hechtenis heeft verbleven.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van in totaal € 591.609,16. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Verdachte heeft zich kennelijk lange tijd bezig gehouden met het plegen van witwassen en heeft daar een gewoonte van gemaakt.

Daarnaast heeft verdachte deelgenomen aan een criminele organisatie. Verdachte heeft een belangrijke rol vervuld binnen de organisatie door het vervoeren en leveren van geld. Daarmee heeft hij de witwasactiviteiten van de criminele organisatie gefaciliteerd en een bijdrage geleverd aan het witwassen.

De rechtbank slaat voor de strafmaat acht op de oriëntatiepunten die de rechtbanken hebben vastgesteld. Hierin zijn geen specifieke uitgangspunten opgenomen voor witwassen. In de oriëntatiepunten is als uitgangspunt voor fraudedelicten bij een benadelingsbedrag van € 500.000,- tot € 1.000.000,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de achttien tot vierentwintig maanden genoemd. De rechtbank zal hierbij aansluiting zoeken. In beginsel is een straf van overeenkomstige aard en duur dan ook passend

In het voordeel van verdachte werkt dat hij blijkens zijn strafblad van 25 februari 2021 niet eerder schuldig heeft gemaakt aan vergelijkbare strafbare feiten.

De rechtbank is daarom van oordeel dat onder die omstandigheden een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk passend en geboden zou zijn.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte ook rekening met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verdachte is op 19 juni 2018 in verzekering gesteld. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden, dat de zaak in beginsel had moeten zijn afgedaan met een eindvonnis binnen een termijn binnen twee jaren vanaf de inverzekeringstelling (zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Nu in deze zaak pas op 3 mei 2021 vonnis wordt gewezen, is de redelijke termijn met ruim tien maanden overschreden. In de overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank aanleiding om de op te leggen straf met tien procent te verminderen.

Alles afwegende komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

10 Beslag

Onder verdachte is in beslag genomen:

1. een bromfiets, merk Piaggio, type Vespa ( [kenteken 5] .01);

2. een motorfiets, merk Yamaha ( [kenteken 6] .01);

3. een geldbedrag van € 500.030,- ( [kenteken 1] .02).

10.1.

De standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging

De officier van justitie heeft ten aanzien van de voorwerpen 1, 2 en 3 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen verbeurdverklaring gevorderd.

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om teruggave aan verdachte van de voorwerpen 1 en 2 van de lijst met inbeslaggenomen voorwerpen. Ten aanzien van voorwerp 3 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

10.2.

Het oordeel van de rechtbank

De voorwerpen 1 en 2 behoren aan verdachte toe. Deze voorwerpen worden verbeurd verklaard omdat het voorwerpen betreffen met betrekking waartoe het strafbare feit is begaan.

Voorwerp 3, het witgewassen bedrag van € 500.030,-, is eveneens een voorwerp met betrekking waartoe het strafbare feit is begaan. Weliswaar kan niet worden vastgesteld dat dit voorwerp aan verdachte toebehoorde, maar evenmin kan worden vastgesteld aan wie het wel toebehoort, zodat het voor verbeurdverklaring in aanmerking komt.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 140, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van gewoontewitwassen;

ten aanzien van feit 2:

gewoontewitwassen;

ten aanzien van feit 4:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes), van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Verklaart verbeurd:

1. een bromfiets, merk Piaggio, type Vespa ( [kenteken 5] .01);

2. een motorfiets, merk Yamaha ( [kenteken 6] .01);

3. een geldbedrag van € 500.030,-.( [kenteken 1] .02)

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. B.M. Visser en A.H.E. van der Pol, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Leenstra, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 mei 2021.

[(...)]

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen betreffende de identificatie van de gebruiker van het mobiele nummer [telefoonnummer] , p. 161-166 en bijlage met alle relevante telefoongesprekken, ZD01 pag. 118-119

3 Proces-verbaal aanhouding verdachte [medeverdachte 4] en [verdachte] , ZD01 p. 209

4 Proces-verbaal van observatie juni 2018, ZD01 p. 191-193

5 Proces-verbaal aanhouding verdachte [medeverdachte 4] en [verdachte] , p. 209 en proces-verbaal van geld tellen ZD01 p. 211-212

6 Proces-verbaal van bevindingen gegevens Boord Computer Taxi van BMW [kenteken 1] , ZD01, p. 207

7 Bijlage met alle relevante telefoongesprekken, ZD01 p. 119-124

8 Proces-verbaal ter terechtzitting 22 en 23 maart 2021

9 Processen-verbaal van bevindingen m.b.t. een pseudodienstverlening (money-pickup), ZD01 p. 247-A- 247-E

10 Proces-verbaal van observatie d.d. 16 mei 2018, ZD01 p. 249-250

11 Proces-verbaal van veiligstellen data GSM met simkaart, ZD01 p. 252 en Proces-verbaal van bevindingen m.b.t. aangetroffen voice-bestanden in het toestel [naam 7] .02, ZD01 p. 253-262

12 Proces-verbaal van bevindingen herkenning [bedrijf 1] ZD01 p. 252

13 Proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden 18 oktober 2018, ZD01 p. 320-332

14 Een geschift, te weten de bijlage met alle relevante telefoongesprekken, ZD01 p. 140-146

15 Proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden, ZD01 p. 336-347

16 Proces-verbaal uitkijken beveiligingscamera 23 september 2018, ZD01 p. 445-450

17 Proces-verbaal uitkijken beveiligingscamera 23 oktober 2018, ZD01 p. 460-465

18 Proces-verbaal uitkijken beveiligingscamera 24 oktober 2018, ZD01 p. 482-485

19 Proces-verbaal aantreffen vermoedelijke tokens doorzoeking [BRP-adres] , ZD01 p. 498-508

20 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, ZD03 p. 26

21 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname, ZD03 p. 26 en proces-verbaal aantreffen vuurwapen, ZD03 p. 35-36 en proces-verbaal aantreffen taser op de [BRP-adres] , ZD03 p. 115-116

22 Proces-verbaal van bevindingen ING bankrekeningen [verdachte] , ZD02 p. 96-99 en proces-verbaal van verstrekking en bevindingen ING-bank (aanvulling), ZD02 p. 214

23 Proces-verbaal van bevindingen aankoop/lease van de BMW, voorzien van kenteken [kenteken 1] , ZD02 p. 259

24 Proces-verbaal van bevindingen. Aankoop van de Yamaha motor, voorzien van kenteken [kenteken 6] , ZD02 p. 273-276 (inclusief bijlage)

25 Proces-verbaal van bevindingen. Aankoop van de Verspa Sprint voorzien van kenteken [kenteken 5] , ZD02 p. 277-278 (inclusief bijlage)

26 Proces-verbaal van verstrekking en bevindingen van de informatie verstrekt door het iCOV op familieleden/huisgenoten van [naam 7] , ZD02, p. 81

27 Proces-verbaal van bevindingen administratie [eenmanszaak] , ZD02, p. 105 en Proces-verbaal van bevindingen inkomensgegevens 2017/2018