Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2197

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
13/997086-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Witwassen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997086-18

Datum uitspraak: 3 mei 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 22 maart 2021, 23 maart 2021 en 3 mei 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. van Doorn en van wat verdachte en haar raadsvrouw mr. S. Plas naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding

Op 26 februari 2018 is er informatie binnengekomen afkomstig van een Amerikaanse liaison officier, dat [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) betrokken zou zijn bij het witwassen van drugsgeld. Hierop is het onderzoek Glendora gestart, waarbij onder andere telefoontaps zijn aangesloten, observaties zijn uitgevoerd en camera’s zijn geplaatst bij het perceel aan de [BRP-adres] . Hier bevindt zich de woning waar [medeverdachte 1] , zijn vrouw [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) en zijn kinderen [medeverdachte 3] en [verdachte] (hierna onderscheidenlijk: [medeverdachte 3] en [verdachte] ) verblijven. Vanaf 1 maart 2018 zijn er processen-verbaal binnengekomen van het Team Criminele Inlichtingen (TCI), die informatie bevatten over [medeverdachte 1] . Hij zou, samen met zijn kinderen, betrokken zijn bij activiteiten met betrekking tot ondergronds bankieren en het versturen van drugsgeld naar Zuid-Amerika.

Op 19 juni 2018 zijn [medeverdachte 3] en zijn vriend [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) aangehouden in Rotterdam waarbij een geldbedrag van ruim vijf ton is aangetroffen in de auto. Nadat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] zijn heengezonden, is het onderzoek voortgezet.

Op 6 november 2018 is de woning aan de [BRP-adres] doorzocht. Daarbij zijn onder andere een vuurwapen met munitie en een stroomstootwapen aangetroffen. Ook is tijdens de doorzoeking een beveiligingscamerasysteem in beslag genomen. De opgeslagen camerabeelden van dat systeem zijn uitgekeken door het onderzoeksteam. Daarnaast is er onderzoek gedaan naar de contante uitgaven en stortingen van de familie [familienaam] .

Op 6 november 2018 is op basis van de onderzoeksresultaten besloten over te gaan tot de aanhouding van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] . De zaken van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [verdachte] en [medeverdachte 4] zijn gezamenlijk (maar niet gevoegd) behandeld op zitting. De rechtbank doet vandaag uitspraak in de zaken van genoemde vijf verdachten.

3 De beschuldiging

Aan verdachte is samengevat tenlastegelegd dat zij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. het (mede)plegen van (gewoonte)witwassen of schuldwitwassen in de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 november 2018 van een geldbedrag van € 20.900,- (18 contante stortingen);

2. het (mede)plegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen, een hoeveelheid munitie en een elektrisch stroomstootwapen op 6 november 2018.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in de bijlage bij dit vonnis

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging

Hier worden slechts de conclusies van het Openbaar Ministerie en de verdediging weergegeven. Voor zover de inhoudelijk ingenomen standpunten nader besproken moeten worden, komen ze hierna bij de beoordeling door de rechtbank aan bod.

De officier van justitie vindt dat de feiten bewezen kunnen worden.

De verdediging vindt dat verdachte van beide feiten moet worden vrijgesproken.

4.2.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Binnen het onderzoek Glendora is onderzoek gedaan naar de inkomsten en bankrekeningen van [verdachte] . Daaruit blijkt dat er in de periode van 1 januari 2016 tot 23 november 2018 achttien contante stortingen van in totaal € 20.900,- zijn gedaan op twee verschillende rekeningen op naam van [verdachte] , althans op naam van haar eenmanszaak “ [eenmanszaak] ”.2

Onderzoek naar de legale inkomsten over de periode van 2013 tot 2018 wijst uit dat [verdachte] in 2016 een netto inkomen uit loon genoot van in totaal €6.736-. In 2017 bedraagt haar inkomen € 13.877,- aan nettoloon en in 2018 € 1.979,- aan nettoloon. Daarnaast heeft [verdachte] in deze periode zorgtoeslag ontvangen. Vanaf februari 2017 heeft [verdachte] een eigen onderneming, maar uit de aangifte omzetbelasting blijkt dat er met deze onderneming in 2017 en 2018 geen inkomsten zijn gegenereerd.3

Bij een doorzoeking in de woning is op de kast in de slaapkamer van [verdachte] een zwart doosje met daarin een vuurwapen aangetroffen met vier patronen en in een kast in de woonkamer een stroomstootwapen.4

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1.

Vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde

[medeverdachte 1] heeft bekend dat het aangetroffen wapen, de munitie en het stroomstootwapen van hem zijn. De rechtbank vindt dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten bevat om vast te stellen dat [verdachte] van het vuurwapen en de munitie wist en daarover kon beschikken. Het feit dat het vuurwapen en de munitie bovenop de kast in de slaapkamer van [verdachte] zijn aangetroffen, is daarvoor onvoldoende. Het koffertje waarin het wapen zat, was daar door [medeverdachte 1] neergelegd en was vanwege de hoogte van de kast niet zichtbaar als je in de kamer staat. Ook ten aanzien van het stroomstootwapen kan de rechtbank op grond van het dossier niet vaststellen dat iemand anders dan [medeverdachte 1] hiervan wist en hierover kon beschikken. Het enkele feit dat dit stroomstootwapen in een kast in de woonkamer lag is niet voldoende voor het bewijs dat de medebewoners daar wetenschap van hadden. Daarbij komt dat zelfs als zou [verdachte] dit voorwerp in de kast zou hebben zien liggen, niet geoordeeld kan worden dat zij ook wist dat dit een stroomstootwapen betrof nu [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het de vorm had van een zaklamp. Ook de verbalisant die het voorwerp in de kast heeft aangetroffen herkende het niet aanstonds als een stroomstootwapen, maar heeft een collega gevraagd het voorwerp te identificeren.

[verdachte] wordt daarom vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde.

4.3.2.

Het oordeel over het onder 1 tenlastegelegde

Voor een veroordeling voor medeplegen van witwassen zoals hier bedoeld is vereist dat verdachte:

  • -

    de bedragen in de tenlastelegging heeft verworven, overgedragen, omgezet, gebruikt, voorhanden heeft gehad dan wel dat zij de herkomst van dit geld heeft verhuld, en

  • -

    die bedragen van misdrijf afkomstig zijn, en

  • -

    wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die bedragen van misdrijf afkomstig waren, en

  • -

    dat zij daarin heeft samengewerkt met een of meer medeverdachten.

Beoordelingskader van het bestanddeel afkomstig van misdrijf

In het dossier zitten geen aanknopingspunten voor een specifiek misdrijf waaruit het aangetroffen geld of het geld waarmee de goederen zijn aangeschaft, afkomstig zou zijn. Uit vaste rechtspraak volgt, dat ook als niet duidelijk is uit welk specifiek misdrijf de voorwerpen afkomstig zijn, in sommige gevallen toch witwassen bewezen kan worden. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat de voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Zo’n verklaring moet concreet zijn, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Vervolgens ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de alternatieve herkomst van de voorwerpen uit de verklaring van verdachte. Alleen als vervolgens uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, kan het witwassen van die voorwerpen bewezen worden.

De contante stortingen

De rechtbank overweegt dat uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden blijkt dat in de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 november 2018 in totaal achttien contante stortingen hebben plaatsgevonden ten gunste van twee rekeningnummers die op naam staan van verdachte althans van haar eenmanszaak. In totaal komt dit neer op een bedrag van € 20.900,-. Verdachte heeft deze bedragen daarmee op enig moment verworven en voorhanden gehad.

Van misdrijf afkomstig

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de herkomst van deze contante stortingen onbekend is gebleven en dat dit bedrag niet uit de legale inkomsten van verdachte kan worden verklaard. Ook duidt het doen van contante stortingen van grote bedragen op eigen rekeningen, op het witwassen van geld dat door misdrijf is verkregen. Dit alles is voldoende verdacht om het vermoeden van witwassen te rechtvaardigen.

Van verdachte mag dan worden verlangd dat zij een verklaring geeft voor de herkomst van voornoemd geldbedrag en dat deze verklaring concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Verdachte heeft op de zitting van 22 maart 2021 verklaard dat zij eigen kleding die zij niet meer droeg verkocht aan vriendinnen, dat zij geld had gekregen voor haar verjaardag, dat zij geld kreeg van haar opa en ex-vriend en dat zij klanten had geholpen via haar eigen onderneming, maar dat zij deze inkomsten niet heeft opgegeven bij de Belastingdienst.

De rechtbank vindt dat de omstandigheden dat verdachte pas op de zitting met deze verklaring komt terwijl enige onderbouwing ontbreekt en verdachte haar verklaring niet op andere wijze concreet heeft kunnen maken, ertoe leiden dat haar verklaring niet verifieerbaar is. Gelet op het voorgaande, hoeft en kan het Openbaar Ministerie geen onderzoek doen naar de alternatieve herkomst van het geldbedrag.

Nu voor de legale herkomst van dit bedrag een concrete en verifieerbare verklaring ontbreekt en de stukken in het dossier geen enkele aanwijzing opleveren voor een mogelijke legale herkomst van de gelden, stelt de rechtbank vast dat het geldbedrag van € 20.900,- een criminele herkomst heeft en dat verdachte wist dat het om uit misdrijf verkregen geld ging, zodat zij dat geld heeft witgewassen.

Verbergen of verhullen

Ten aanzien van het contant gestorte bedrag van € 20.900,- heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geldbedrag. De rechtbank is van oordeel dat het storten van contante geldbedragen op Nederlandse bankrekeningen op naam van verdachte zelf (althans haar eenmanszaak), niet kan worden aangemerkt als een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het contante geldbedrag gericht karakter heeft. Van dat onderdeel van de tenlastelegging zal de verdachte worden vrijgesproken.

Medeplegen

Het dossier geeft geen aanknopingspunten voor het samen met een ander witwassen van dit geldbedrag. Verdachte wordt van dat onderdeel vrijgesproken.

Gewoontewitwassen

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de frequentie van de witwashandelingen, bewezen kan worden dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Feit 1:

in de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 november 2018 te Amsterdam van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft zij toen en daar, in voormelde periode, een geldbedrag, te weten:

in totaal 20.900,- euro (18 stortingen op eigen rekening)

verworven en voorhanden gehad, terwijl zij wist dat dit geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit misdrijf.

6 Motivering van de straffen en maatregelen

6.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1 en 2 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf maanden, met aftrek van voorarrest.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om, in het geval van een bewezenverklaring, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Verdachte is niet eerder voor een strafbaar feit veroordeeld en werkt op dit moment fulltime bij de [organisatie] . Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 20.900,- Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd.

De rechtbank slaat voor de strafmaat acht op de oriëntatiepunten die de rechtbanken hebben vastgesteld. Hierin zijn geen specifieke uitgangspunten opgenomen voor witwassen. In de oriëntatiepunten is als uitgangspunt voor fraudedelicten bij een benadelingsbedrag van € 10.000,00 tot € 70.000,00 een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de twee en vijf maanden genoemd. De rechtbank ziet in de persoonlijke omstandigheden van verdachte aanleiding om hiervan af te wijken.

De rechtbank heeft kennis genomen van het strafblad van verdachte van 25 februari 2021, waaruit blijkt dat zij niet eerder veroordeeld is voor witwassen of voor iets anders. Ook houdt de rechtbank er in het voordeel van verdachte rekening mee dat zij sinds het onderhavige feit niet meer in aanraking is geweest met politie en justitie en op dit moment voltijds werkt in een reguliere baan. De rechtbank is daarom van oordeel dat onder die omstandigheden een taakstraf voor de duur van 100 uur waarvan 40 uur voorwaardelijk passend en geboden zou zijn.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte ook rekening met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verdachte is op 6 november 2018 in verzekering gesteld. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden, dat de zaak in beginsel had moeten zijn afgedaan met een eindvonnis binnen een termijn binnen twee jaren vanaf de inverzekeringstelling (zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Nu in deze zaak pas op 3 mei 2021 vonnis wordt gewezen, is de redelijke termijn met bijna zes maanden overschreden. In de overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank aanleiding om de op te leggen straf met vijf procent te verminderen.

Alles afwegende komt de rechtbank tot oplegging van een taakstraf van 95 uur waarvan 40 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

7 Beslag

Onder verdachte is in beslag genomen: een pistool Ekol Volga 9mm + munitie (SL706.05.01.001)

Vast staat dat deze voorwerpen toebehoren aan [medeverdachte 1] . Nu deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar het misdrijf waarvan verdachte wordt verdacht, terwijl deze kunnen dienen tot het begaan van een soortgelijk misdrijf en van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang, worden deze voorwerpen onttrokken aan het verkeer.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36b, 36d, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

gewoontewitwassen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 95 (vijfennegentig) uur.

Beveelt, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 47 (zevenenveertig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uur per dag.

Beveelt dat een gedeelte, groot 40 (veertig) uur, van deze taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Beveelt dat, als de verdachte het voorwaardelijk deel van de taakstraf bij tenuitvoerlegging niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

een pistool Ekol Volga 9mm + munitie (SL706.05.01.001)

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. B.M. Visser en A.H.E. van der Pol, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Leenstra, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 mei 2021.

[(...)]

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen en verstrekking gegevens ING-bank, ZD02 p. 100-101 en proces-verbaal van bevindingen onderzoek bankrekeningen ABN AMRO Bank, ZD02 p. 219-220

3 Proces-verbaal van vertrekking en bevindingen van de informatie verstrekt door het iCOV op familieleden/huisgenoten van [naam] , ZD02 p.82 en Proces-verbaal van bevindingen inkomensgegevens 2017/2018

4 Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname, ZD03 p. 26 en proces-verbaal aantreffen vuurwapen, ZD03 p. 35-36 en proces-verbaal aantreffen taser op de [BRP-adres] , ZD03 p. 115-116