Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2195

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
19-05-2021
Zaaknummer
13/997012-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Hawala-bankieren. Veroordeling voor witwassen, voorhanden hebben van een vuurwapen, munitie en een stroomstootwapen en deelname aan criminele organisatie. Gedeeltelijk OVAR. Deel is opbrengst van eigen misdrijf en geen verhullingshullingshandelingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997012-18

Datum uitspraak: 3 mei 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1958,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 25 januari 2019, 22 maart 2021, 23 maart 2021 en 3 mei 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. E. van Doorn en van wat verdachte en zijn raadsman mr. M.L. van Gessel naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding

Op 26 februari 2018 is er informatie binnengekomen afkomstig van een Amerikaanse liaison officier, dat [verdachte] (hierna: [verdachte] ) betrokken zou zijn bij het witwassen van drugsgeld. Hierop is het onderzoek Glendora gestart, waarbij onder andere telefoontaps zijn aangesloten, observaties zijn uitgevoerd en camera’s zijn geplaatst bij het perceel aan de [adres 2] . Hier bevindt zich de woning waar [verdachte] , zijn vrouw [vrouw] (hierna: [vrouw] ) en zijn kinderen [kind 1] en [kind 2] (hierna onderscheidenlijk: [kind 1] en [kind 2] ) verblijven. Vanaf 1 maart 2018 zijn er processen-verbaal binnengekomen van het Team Criminele Inlichtingen (TCI), die informatie bevatten over [verdachte] . Hij zou, samen met zijn kinderen, betrokken zijn bij activiteiten met betrekking tot ondergronds bankieren en het versturen van drugsgeld naar Zuid-Amerika.

Op 19 juni 2018 zijn [kind 1] en zijn vriend [vriend] (hierna: [vriend] ) aangehouden in Rotterdam waarbij een geldbedrag van ruim vijf ton is aangetroffen in de auto. Nadat [kind 1] en [vriend] zijn heengezonden, is het onderzoek voortgezet.

Op 6 november 2018 is de woning aan de [adres 3] doorzocht. Daarbij zijn onder andere een vuurwapen met munitie en een stroomstootwapen aangetroffen. Ook is tijdens de doorzoeking een beveiligingscamerasysteem in beslag genomen. De opgeslagen camerabeelden van dat systeem zijn uitgekeken door het onderzoeksteam. Daarnaast is er onderzoek gedaan naar de contante uitgaven en stortingen van de familie [naam 1] .

Op 6 november 2018 is op basis van de onderzoeksresultaten besloten over te gaan tot de aanhouding van [verdachte] , [vrouw] , [kind 1] en [kind 2] . De zaken van [verdachte] , [vrouw] , [kind 1] , [kind 2] en [vriend] zijn gezamenlijk (maar niet gevoegd) behandeld op zitting. De rechtbank doet vandaag uitspraak in de zaken van genoemde vijf verdachten.

3 De beschuldiging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen is vermeld in de nadere vordering omschrijving tenlastelegging, waarbij de oorspronkelijke opgave van de feiten als bedoeld in artikel 261, derde lid van het Wetboek van Strafvordering op vordering van de officier van justitie is aangepast op de terechtzitting van 22 maart 2021.

Aan verdachte is samengevat ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

1. het (mede)plegen van (gewoonte)witwassen of schuldwitwassen in de periode van 1 maart 2018 tot en met 6 november 2018 van

  1. een geldbedrag van € 500.050,- (op 19 juni 2018)

  2. een onbekend geldbedrag (op 10 april 2018)

  3. een geldbedrag van € 55.000,- (op 16 mei 2018)

  4. een geldbedrag van € 257.000,- of € 357.000,- (in oktober 2018)

  5. een geldbedrag van € 5.000,- (op 18 oktober 2018)

  6. een geldbedrag van € 80.000,- (zie tokens, p. 84 ZD01)

  7. een geldbedrag van € 102.800,- (zie tokens, p. 84 ZD01)

  8. een geldbedrag van € 83.400,- (zie tokens, p. 84 ZD01)

  9. een geldbedrag van € 126.300,- (zie tokens, p. 84 ZD01);

2. het (mede)plegen van (gewoonte)witwassen of schuldwitwassen in de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 november 2018 van

  1. een geldbedrag van € 78.610,- (46 contante stortingen)

  2. een geldbedrag van € 2.600,- en/of een Volkswagen Lupo

  3. een geldbedrag van € 6.061,94 (contante uitgaven Mediamarkt)

  4. een geldbedrag van € 10.268,- (contante uitgaven aan reizen);

3. het (mede)plegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen, een hoeveelheid munitie en een elektrisch stroomstootwapen op 6 november 2018;

4. deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het medeplegen van (gewoonte)witwassen of schuldwitwassen;

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis

4 Ontvankelijkheid van de officier van justitie

ten aanzien van feit 1 (een geldbedrag van € 55.000,- op 16 mei 2018)

In het dossier Glendora zijn gegevens opgenomen die het resultaat zijn van een Australisch rechtshulpverzoek.

Dit verzoek hield in het in ontvangst nemen van een geldbedrag van een nog onbekende persoon, deze geldoverdracht waar te nemen en dit geld over te boeken naar een bankrekening van de Australische overheid.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdediging onvoldoende inzage heeft kunnen krijgen in het Australische rechtshulpverzoek dat aan de pseudodienstverlening is voorafgegaan.

Daardoor heeft de verdediging niet kunnen toetsen of de door de Australiërs gehanteerde opsporingsmethode voldoet aan het Tallon-criterium. Mocht de inzet van deze opsporingsmethode al rechtmatig zijn, dan kan de verdediging ook niet toetsen of deze voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit. Bovendien kan de raadsman niet uitsluiten dat het rechtshulpverzoek van 23 februari 2018 betrekking heeft op verdachte, nu de informatie over verdachte uit de Verenigde Staten op dezelfde datum is binnengekomen als het Australische rechtshulpverzoek. Dit dient tot gevolg te hebben dat de officier van justitie, wat betreft dit onderdeel van de tenlastelegging, niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

De rechtbank oordeelt als volgt. Ter zitting hebben de rechtbank en de verdediging inzage gekregen in het deels zwart gelakte rechtshulpverzoek uit Australië van 23 februari 2018. De rechtbank leidt uit het rechtshulpverzoek af dat de Australische autoriteiten hebben verzocht een pseudokoop op te zetten in het kader van een onderzoek naar een Australische verdachte. De officier van justitie heeft op de zitting bevestigd dat haar uit eigen wetenschap bekend is dat het rechtshulpverzoek geen betrekking had op verdachte. De rechtbank mag uitgaan van de juistheid van deze mededeling.

Nu het rechtshulpverzoek geen betrekking had op verdachte, is geen sprake van een tegen verdachte ingezet middel van pseudokoop.

Het tegen hem en [kind 1] verkregen bewijs is aan te merken als bijvangst van een tegen een andere verdachte in een ander onderzoek ingezet opsporingsmiddel op basis van een internationaal rechtshulpverzoek. Het vertrouwensbeginsel brengt mee dat de rechtmatigheid van het rechtshulpverzoek niet getoetst wordt door de Nederlands rechter. Hoe uitvoering aan de verzochte pseudokoop is gegeven waarbij verdachte in beeld is gekomen, is neergelegd in de processen-verbaal die zijn opgemaakt door de undercover agenten en dat is dus te toetsen door de verdediging. Dat verdachte of [kind 1] daarbij op onrechtmatige wijze tot hun handelingen zouden zijn bewogen heeft de verdediging niet aangevoerd en is de rechtbank evenmin gebleken.

Dit verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Standpunten van het Openbaar Ministerie en de verdediging

Hier worden slechts de conclusies van het Openbaar Ministerie en de verdediging weergegeven. Voor zover de inhoudelijk ingenomen standpunten nader besproken moeten worden, komen die hierna bij de beoordeling door de rechtbank aan bod.

De officier van justitie vindt dat de feiten bewezen kunnen worden.

De verdediging heeft zich ten aanzien van het geldbedrag van € 500.050,- onder feit 1 en ten aanzien van de contante uitgaven van € 2.600,-, € 6.061,94 en € 10.286,- onder feit 2 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ook heeft de verdediging zich ten aanzien van feit 3, met uitzondering van het medeplegen, gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van de overige tenlastegelegde feiten vindt de verdediging dat verdachte moet worden vrijgesproken.

5.2.

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Geldbedrag op 19 juni 2018

Op dinsdag 19 juni 2018 vinden via het getapte mobiele telefoonnummer in gebruik bij [verdachte] telefoongesprekken plaats die het onderzoeksteam doen vermoeden dat er die avond een belangrijke afspraak gaat plaatsvinden. [vrouw] geeft aan [verdachte] door dat er is gebeld door een “ [bijnaam] ” en dat daar naartoe moet worden gegaan.2 Ook krijgt de landelijke recherche een TCI proces-verbaal waaruit blijkt dat uit een lopend strafrechtelijk onderzoek is gebleken dat de bestuurder van het voertuig voorzien van het kenteken [kenteken 1] op dinsdag 19 juni 2018 in de directe omgeving van de [naam 2] te Rotterdam hoogst waarschijnlijk een groot contant geldbedrag in ontvangst zal nemen. Door leden van het onderzoeksteam is daarom de directe omgeving van de [naam 2] te Rotterdam onder observatie genomen.3 Door het observatieteam is om 19:50 uur waargenomen dat de BMW (met kenteken [kenteken 1] ) met twee inzittenden parkeert op de [naam 2] ter hoogte van de snackbar. Zij zien dat de bestuurder vanuit de BMW contact maakt met een man met een hondje en dat de bestuurder vervolgens iets aan deze man overhandigt. Het observatieteam ziet dan dat, nadat deze man is weggelopen bij de BMW, een andere man met een blauwe Albert Heijn tas in zijn hand in de richting van de BMW loopt. De deur aan de bijrijderszijde wordt geopend, de man hurkt bij het bijrijdersportier en loopt kort daarop weg, zonder nog iets in zijn handen. Daarna is gezien dat de BMW weer wegrijdt over de Rijksweg A4 en in de richting van Amsterdam. Uiteindelijk is om 20:53 uur ter hoogte van Schiphol door een herkenbaar politievoertuig een stopteken gegeven aan de BMW. 4

De verbalisanten zien twee inzittenden. Dit blijken [kind 1] (bestuurder) en [vriend] (bijrijder) te zijn. Vervolgens doorzoeken zij de BMW en vinden zij een Albert Heijn tas onder een jas bij de passagiersstoel met daarin € 500.030,-.5 Uit nader onderzoek aan de boord computer taxi (BCT) van de BMW blijkt dat de taximeter tijdens de rit van Amsterdam naar Rotterdam en van Rotterdam tot aan de aanhouding had aangestaan.6

Uit de telefoontaps blijkt dat er tussen 18:49 uur en 20:18 uur een aantal telefoongesprekken heeft plaatsgevonden tussen [kind 1] en [verdachte] , waarin [verdachte] zegt dat de afspraak om acht uur is en waarin hij beschrijft dat het de man met een zwarte pet en een hond zal zijn. Ook zegt hij dat [kind 1] het briefje niet vooruit mag overhandigen. Later, nadat het observatieteam de overdracht van de Albert Heijn tas had gezien, zegt [verdachte] tegen [kind 1] dat hij er € 10,- of € 20,- uit kan halen om te tanken.7

Op de zitting heeft [verdachte] verklaard dat hij geld zou ophalen in Rotterdam, maar dat hij ziek was geworden en daarom [kind 1] heeft gevraagd om dat te doen. [verdachte] heeft ook verklaard dat hij wel eens vaker geld vervoerde en dat hij hier een half procent van het totaalbedrag voor ontving.8

Geldbedrag 16 mei 2018

Ter uitvoering van een rechtshulpverzoek uit Australië in het kader van een ander onderzoek krijgen twee pseudodienstverleners de opdracht om een afspraak te maken met een voor hen onbekend persoon om een geldbedrag in ontvangst te nemen. Dit resulteert in een ontmoeting op woensdag 16 mei 2018 op het adres [adres 4] met de bestuurder en bijrijder van een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 2] . Bij deze afspraak laten de pseudokopers een biljet van € 5,- zien, waarop zij een plastic tas overhandigd krijgen waarin later een geldbedrag van € 55.000,- blijkt te zitten. De pseudokopers herkennen [verdachte] en [kind 1] als de bestuurder en de inzittende van de Volkswagen Golf.9 Deze overdracht is eveneens waargenomen door het observatieteam.10

Geldbedragen oktober 2018

Uit nader onderzoek aan de telefoon van [verdachte] blijkt dat er op 17 en 18 oktober 2018 spraakberichten zijn gestuurd tussen [verdachte] en een persoon die in zijn telefoon staat opgeslagen onder de naam ‘ [naam 3] ’. In deze gesprekken laat [verdachte] op 17 oktober 2018 om 19:36 uur weten dat hij beledigd is voor vijfduizend waarop [naam 3] antwoordt “Ik heb al driehonderd tweeënzestig (362) aan hem bevestigd. En als ik nu tegen hem ga zeggen dat er vijfduizend (5000) minder is (…) Wat zullen die mensen tegen mij zeggen”. Een minuut later laat [naam 3] weten dat “het” in de machine is gegaan en vraagt hij aan [verdachte] hoe het kan dat hij 100 bankbiljetten heeft geteld, terwijl er maar 90 bankbiljetten zijn. [naam 3] geeft [verdachte] daarop de opdracht om het geld te gaan zoeken. Om 19:49 uur vraagt [naam 3] “Is het misschien mogelijk dat er één honderd achtenvijftig (158) papieren zijn overhandigd, misschien is er per vergissing aan hem vijf (5) teveel gegeven. Omdat er iemand fout kan maken of er een pakket van vijftig extra daar is gegaan?”. [verdachte] antwoordt daarop dat er geen fout is gemaakt en dat hij het in zijn eigen handen heeft meegenomen en zelf heeft overhandigd. [naam 3] vraagt waar het dan fout is gegaan als [verdachte] de tweehonderdtweeënzestig (262) volledig heeft gecheckt en geeft aan dat hij niet gelooft dat “die man het geld heeft uitgehaald en gezegd heeft dat hij minder heeft ontvangen”.

De volgende dag op 18 oktober 2018 om 14:52 uur zegt [naam 3] dat hij het adres gaat geven aan [verdachte] . Hij moet niet zelf gaan, maar iemand anders sturen. [naam 3] zegt tegen [verdachte] “U mag iemand anders in een taxi enzo sturen, begrijpt u het? En u mag tegen hem zeggen dat hij vijfduizend (5000) bij hem op kan halen”.11

Op de camerabeelden van het camerabeveiligingssysteem dat tijdens de doorzoeking in beslag is genomen is op 18 oktober 2018 het volgende te zien. Om 15:53 uur ligt er een door de verbalisanten als PGP-toestel herkende12 telefoon op de armleuning van de bank, met daarnaast een opgevouwen briefje. [verdachte] loopt ondertussen heen en weer in de woonkamer. Vanaf 15:59 uur komt ook [kind 1] regelmatig in beeld en is te zien dat [kind 1] op aanwijzing van [verdachte] een briefje pakt en in zijn broekzak stopt. Vervolgens loopt [kind 1] de woonkamer uit en blijft [verdachte] aan zijn bureau zitten met vermoedelijk een PGP-toestel in zijn handen. Kort daarna komt [kind 1] terug in de woonkamer, waarna hij het PGP-toestel van [verdachte] vasthoudt en handelingen verricht. Rond 16:05 uur is waargenomen dat [verdachte] een briefje overhandigt aan [kind 1] . [kind 1] neemt dit briefje aan en stopt het in zijn tas. Omstreeks 16:11 uur verlaat [kind 1] de woning en stapt hij in de Volkswagen Up (kenteken [kenteken 3] ). Dan rijdt [kind 1] weg bij de woning.13

Vanaf 16:30 uur is er meermaals telefonisch contact tussen [verdachte] en [kind 1] . Om 16:58 uur geeft [verdachte] door aan [kind 1] dat “het op de hoek is, waar hij de Sun Studio ziet”. [kind 1] geeft aan dat hij geen zonnestudio heeft gevonden, waarop [verdachte] aangeeft dat [kind 1] aan de overkant kan gaan staan en dat iemand zelf met hem komt praten. Om 17:21 uur belt [kind 1] opnieuw met [verdachte] . [kind 1] zegt “er waren de blanke. (…) Ik bedoel niet die blanken. Hij was wel een zwarte”. Vervolgens geeft [kind 1] aan dat hij vindt dat er iets niet in orde is. [verdachte] antwoordt daarop “Goed zoon, je hebt alleen maar 5000 roepies bij jou”.14

Om 17:44 uur is op de beveiligingsbeelden van de [straatnaam] te zien dat de Volkswagen Up het hofje voor de woning op komt rijden. Op het moment dat [kind 1] de woonkamer binnenkomt, is te zien dat [vrouw] aan het bureau zit en dat zij handelingen uitvoert op een PGP-toestel. Dan haalt [kind 1] uit zijn linker binnenzak een witte envelop. [kind 1] haalt uit de envelop een stapel briefjes waarvan er meerdere een paarse kleur hebben. Vervolgens telt [kind 1] de briefjes terwijl [vrouw] toekijkt. Te zien is dat er in totaal tien briefjes worden geteld en dat [kind 1] de stapel daarna weer terug stopt in de envelop.

Rond 17:48 uur komt [verdachte] de woonkamer binnenlopen. Vervolgens pakt [vrouw] van het bureau een aantal briefjes waarvan zij er één openvouwt dat lijkt op een vijfeurobiljet. Daarna ontvangt [vrouw] een briefje van [verdachte] . Vervolgens is te zien dat [vrouw] de envelop die [kind 1] eerder uit zijn binnenzak had gehaald, in de richting van [verdachte] schuift. Ook is te zien dat [verdachte] de telefoon overneemt van [vrouw] en dat hij hieraan handelingen verricht. Dan pakt [verdachte] het briefje dat hij daarvoor van [vrouw] heeft gekregen en legt dit op de armleuning van de bank. Omdat hij het PGP-toestel daarna dicht in de buurt van het briefje houdt en te zien is dat het scherm gedurende enkele seconden verandert, denken de verbalisanten dat [verdachte] op dat moment een foto heeft gemaakt van het briefje.15

Camerabeelden en doorzoeking [adres 2]

Er zijn verschillende andere momenten beschreven die de verbalisanten zijn opgevallen bij het uitkijken van de beelden van het beveiligingscamerasysteem in de woning aan de [adres 2] .

Zo is op 23 september 2018 rond 12:24 uur te zien dat [verdachte] een foto maakt van een bankbiljet en dat hij het biljet daarna in zijn broekzak stopt. Op basis van het scherm van het telefoontoestel, bestaat bij de verbalisanten het sterke vermoeden dat het hier gaat om het PGP-toestel dat is voorzien van Encrochat software. Later die dag, om 13:54 uur, is te zien dat [vrouw] binnenkomt en een handtas uit een kast haalt waar een lange portemonnee in blijkt te zitten. [vrouw] pakt daaruit een bankbiljet van € 5,-, stopt het in een envelop en schrijft er iets op. [vrouw] stopt de envelop in haar handtas en vervolgens wordt gezien dat een onbekende man ook iets in de handtas stopt. Daarna loopt [vrouw] met [verdachte] en de onbekende man in de richting van de uitgang.16

Op 23 oktober 2018 is op de beelden te zien dat [verdachte] rond 09:29 uur de woning uitloopt zonder tas en wegrijdt in de Volkswagen Golf. Ongeveer een kwartier later is te zien dat [vrouw] handelingen verricht aan haar telefoon. Rond 10:11 uur komt [verdachte] weer terug, nu met een gevulde plastic tas. Op de bovenkant is zwart plastic te zien. Om 09:34 uur is te zien dat [vrouw] met een gevulde sporttas buiten richting de achterdeur loopt en de tas aan iemand anders geeft, van wie alleen de handen zijn te zien.17

Ook is op de beelden te zien dat [vrouw] op 24 oktober 2018 rond 12:20 uur een pakje bankbiljetten uit een lade haalt en openvouwt. Vervolgens telt ze de bankbiljetten en stopt deze in haar portemonnee. Rond 15:32 uur is te zien dat [verdachte] met verschillende plastic tasjes de woning binnenkomt. Later die dag, rond 20:17 uur, is te zien dat [verdachte] een stapel bankbiljetten in zijn hand heeft, hier één uitpakt en daar vervolgens vermoedelijk een foto van maakt.18

Tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 2] zijn op verschillende plaatsen vijfeurobiljetten aangetroffen, soms samengebonden in bundels. In een keukenkastje is een glas aangetroffen met daarin drie biljetten van € 5,- en één biljet van € 10,-. In de biljetten waren notitiepapiertjes opgevouwen met daarop een getal, een letter cijfercombinatie en de mogelijke (bij)namen ‘ [naam 4] ', ' [naam 5] ', ' [naam 6] ' en ' [naam 7] '.19 Verder zijn er in een nachtkastje in de slaapkamer van [verdachte] en [vrouw] twee PGP-telefoons aangetroffen. Gezien de goederen die verder op het nachtkastje stonden, wordt aangenomen dat de telefoons zijn aangetroffen aan de kant waar [vrouw] zou slapen. Ook is er een geldtelmachine gevonden in de woning.20

Onderzoek stortingen en uitgaven [verdachte] en [vrouw]

Binnen het onderzoek Glendora is ook onderzoek gedaan naar de inkomsten, uitgaven en bankrekeningen van [verdachte] en [vrouw] . Daaruit blijkt dat er in de periode van 1 januari 2016 tot 23 november 2018 vijf contante stortingen van in totaal € 6.100,- zijn gedaan op een rekening van [verdachte] en 41 contante stortingen van in totaal € 72.510,- op een rekening van [vrouw] . Dit geld is vervolgens onder meer uitgegeven aan vaste lasten van de woning aan de [adres 2] , de woning aan de [adres 1] , belastingen voor verschillende voertuigen en zorgpremies en is gebruikt voor consumptieve uitgaven.21

Verder blijkt uit onderzoek dat [vrouw] op 1 mei 2017 een Volkswagen Lupo heeft gekocht en daar € 2.600,- contant voor heeft betaald.22 Daarnaast is er bij de doorzoeking van de woning aan de [adres 2] in een map een aantal aankoopbonnen aangetroffen van de Mediamarkt waaruit blijkt dat deze aankopen voor een totaalbedrag van € 6.061,94 contant zijn betaald.23 Uit onderzoek aan de iMac van de familie [naam 1] blijkt dat er tevens diverse reizen zijn geboekt bij een reisbureau met de naam [naam 8] uit Amsterdam. Uit analyse van de gegevens die door het reisbureau zijn uitgeleverd blijkt dat het totaalbedrag van deze reizen € 24.903,00 was. Omdat aan de reizen ook leden van de familie [vrouw] hebben deelgenomen, zijn de bedragen uitgesplitst naar de verschillende leden van de familie [naam 1] . Daaruit blijkt dat er € 10.268,- zou zijn betaald voor de leden van het gezin van [verdachte] en [vrouw] .24

Onderzoek naar de legale inkomsten over de periode van 2013 tot 2018 wijst uit dat er van [verdachte] en [vrouw] , naast de WAO-uitkering die [vrouw] ontving, geen structurele inkomsten bekend zijn.25 Uit camerabeelden van de Bruna en ING blijkt dat [vrouw] in ieder geval op 23 juli 2018 en 28 juli 2018 contante stortingen van maximaal € 1.500,- per storting heeft verricht op haar eigen bankrekening en op de bankrekening van [verdachte] .26

Aantreffen vuurwapen, munitie en stroomstootwapen

Tijdens de doorzoeking van de woning aan de [adres 2] is op de kast in de slaapkamer van [kind 2] een zwart doosje met daarin een vuurwapen aangetroffen. In het vuurwapen zat een houder met vier patronen.27 Uit nader onderzoek blijkt dat het gaat om een tot een vuurwapen geschikt voor het afvuren van projectielen omgebouwd gaspistool van het merk Ekol Volga, waarmee met succes proefschoten zijn afgevuurd. De bijbehorende munitie blijken vier tot kogelpatronen getransformeerde knalpatronen te zijn van het kaliber 9 mm P.A.K. die geschikt zijn om met het hiervoor genoemde pistool te worden verschoten.28

Daarnaast is in een kast in de woonkamer een zwart voorwerp gevonden dat de verbalisant herkent als stroomstootwapen. Bij het verschuiven van de schuifschakelaar ziet hij een rood led oplichten bij de schakelaar. Als hij vervolgens de knop aan de bovenzijde indrukt, hoort hij het knetterende geluid van een stroomstootwapen.29 Op basis van deze bevindingen komt de politie tot de conclusie dat het gaat om een stroomstootwapen dat naar behoren functioneert.30

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat het wapen in het koffertje van hem is. Hij heeft dit van een vriend gekregen, omdat hij zich na de overval op zijn woning in 2016 onveilig voelde. Hij bewaarde het wapen op de kast van [kind 2] uit het zicht van de rest van zijn gezin. Ten aanzien van het stroomstootwapen verklaart verdachte dat hij deze heeft gekocht op Koningsdag en dat hij in de veronderstelling verkeerde dat deze niet meer werkte. Ook dit stroomstootwapen heeft hij gekocht omdat hij zich na de woningoverval in 2016 onveilig voelde.31

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

5.3.1.

Witwassen (feiten 1 en 2):

Voor een veroordeling voor medeplegen van witwassen zoals hier bedoeld is vereist dat verdachte

  • -

    de bedragen in de tenlastelegging heeft verworven, overgedragen, omgezet, gebruikt, voorhanden heeft gehad dan wel dat hij de herkomst van dit geld heeft verhuld, en

  • -

    die bedragen van misdrijf afkomstig zijn, en

  • -

    wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat die bedragen van misdrijf afkomstig waren, en

  • -

    dat hij daarin heeft samengewerkt met een of meer medeverdachten.

Beoordelingskader van het bestanddeel afkomstig van misdrijf

In het dossier zitten geen aanknopingspunten voor een specifiek misdrijf waaruit het aangetroffen geld of het geld waarmee de goederen zijn aangeschaft, afkomstig zou zijn. Uit vaste rechtspraak volgt, dat ook als niet duidelijk is uit welk specifiek misdrijf de voorwerpen afkomstig zijn, in sommige gevallen toch witwassen bewezen kan worden. Het gaat dan om gevallen waarbij het op grond van de feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat de voorwerpen van misdrijf afkomstig zijn. Als de feiten en omstandigheden in het dossier zodanig zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen mag van verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Zo’n verklaring moet concreet zijn, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Vervolgens ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar de alternatieve herkomst van de voorwerpen uit de verklaring van verdachte. Alleen als vervolgens uit dit onderzoek blijkt dat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de voorwerpen een legale herkomst hebben en dat dus een criminele herkomst de enige aanvaardbare verklaring is, kan het witwassen van die voorwerpen bewezen worden.

5.3.1.1. Partiële vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde

Een onbekend geldbedrag (op 10 april 2018)

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden bewezen dat [verdachte] , [kind 1] en [vriend] een onbekend geldbedrag hebben overgedragen of ontvangen op 10 april 2018. De officier van justitie voert daartoe aan dat uit het dossier blijkt dat [kind 1] , net als op 19 juni 2018, in opdracht van [verdachte] in de BMW met [vriend] naar Rotterdam is gereden waarbij hij de taximeter heeft aangezet. Ook zijn er telefoongesprekken gevoerd tussen [kind 1] en [verdachte] die gelijkenissen vertonen met de gesprekken die zij op 19 juni 2018 hebben gevoerd. Gelet op al deze overeenkomsten met de geldoverdracht van 19 juni 2018 en het feit dat de verdachten hiervoor geen verklaring hebben geven, kan het volgens de officier van justitie niet anders dan dat ook hier een geldoverdracht heeft plaatsgevonden.

De verdediging heeft aangevoerd dat het dossier onvoldoende informatie bevat om vast te stellen dat de ontmoeting op 18 april 2018 in het teken zou hebben gestaan van een geldoverdracht. Zo blijkt volgens de verdediging niet met wie [kind 1] een ontmoeting zou hebben, laat staan waar deze ontmoeting over zou gaan.

De rechtbank vindt dat niet bewezen kan worden dat er op 10 april 2018 geld is ontvangen of overgedragen. De rechtbank overweegt daartoe dat er weliswaar overeenkomsten zijn met de geldoverdracht van 19 juni 2018, maar dat er ook belangrijke verschillen zijn. Zo is er op 10 april 2018, in tegenstelling tot 19 juni 2018, geen geldbedrag aangetroffen en is er in de tapgesprekken, ook niet in versluierde taal, op geen enkel moment gesproken over geld. Dat [kind 1] die dag met [vriend] in zijn taxi naar Rotterdam is gereden in opdracht van [verdachte] , is onvoldoende om te concluderen dat het niet anders kan dan dat daar een geldbedrag is opgehaald of is overgedragen.

De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van dit onderdeel van het onder 1 tenlastegelegde.

De vier geldbedragen op de tokens

In één glas dat in een kastje in de (bij)keuken stond zaten 3 biljetten van € 5,- en één biljet van € 10,- In deze biljetten waren notitieblokpapiertjes gevouwen waarop getallen en vermoedelijke (bij)namen staan. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het hier gaat om tokens die worden gebruikt voor het ondergronds bankieren. De getallen op de notities zijn volgens de officier van justitie de bedragen die [verdachte] in dat kader voorhanden heeft gehad. Nu de tokens bij hem zijn aangetroffen, moet hij deze bedragen ook hebben overgedragen. De officier van justitie heeft zich daarom op het standpunt gesteld dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het witwassen van deze bedragen.

De verdediging heeft aangevoerd dat, enkel op basis van de aangetroffen briefjes waarop een getal is geschreven, niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] deze bedragen voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen. Zo is het volgens de verdediging ook mogelijk dat degene bij wie een token wordt aangetroffen, de toekomstige ontvanger van het geld zal zijn en daarmee op dat moment het te ontvangen geld (nog) niet voorhanden heeft gehad. Daar komt bij dat uit niets blijkt dat deze getallen ook daadwerkelijk bedragen representeren, laat staan bedragen in euro’s.

De rechtbank vindt niet bewezen dat [verdachte] deze geldbedragen heeft witgewassen. Hoewel de rechtbank er niet aan twijfelt dat hier sprake is van tokens die worden gebruikt voor het ondergronds bankieren, kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] deze bedragen heeft ontvangen, laat staan dat dit in de tenlastegelegde periode is geweest. Uit het dossier kan niet worden opgemaakt of deze tokens een bewijs zijn voor reeds afgegeven geldbedragen of dat deze als bewijs dienen van nog te ontvangen geldbedragen.

De rechtbank spreekt verdachte daarom vrij van het witwassen van de onder 1 tenlastegelegde geldbedragen van € 80.000,-, € 102.800,-, € 83.400,- en € 126.300,-.

5.3.1.2. Het oordeel ten aanzien van het overige onder 1 tenlastegelegde

Een geldbedrag van € 500.050,- (op 19 juni 2018)

De rechtbank vindt op grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van [verdachte] , bewezen dat er een geldoverdracht heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018. [kind 1] is die dag in opdracht van [verdachte] naar Rotterdam gereden om een geldbedrag op te halen bij een onbekend gebleven man. Na de inbeslagname blijkt het te gaan om een geldbedrag van € 500.030,- euro. Daarnaast blijkt uit de tapgesprekken dat [kind 1] van het oorspronkelijk overgedragen bedrag € 20,- heeft gepakt om te tanken. De rechtbank acht daarom bewezen dat [kind 1] op 19 juni 2018 een geldbedrag van € 500.050,- heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

Nu [kind 1] het geld is gaan ophalen in opdracht van [verdachte] , uit de tapgesprekken blijkt dat [verdachte] met [kind 1] belt over het tijdstip van de afspraak en dat de afspraak met een man met een zwarte pet en een hond zal zijn, vindt de rechtbank bewezen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [kind 1] en [verdachte] . De rechtbank acht daarmee bewezen dat [verdachte] en [kind 1] tezamen en in vereniging het geldbedrag van € 500.050,- hebben verworven en voorhanden hebben gehad. De rechtbank vindt ook bewezen dat [vriend] als dekmantel heeft gefungeerd door zogenaamd als passagier mee te rijden in de taxi, maar kan niet vaststellen dat zijn rol van voldoende gewicht is geweest voor het aannemen van mededaderschap.

Een geldbedrag van € 55.000,- (op 16 mei 2018)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het in rubriek 4 gevoerde verweer subsidiair tot gevolg moet hebben dat de bevindingen die naar aanleiding van de pseudodienstverlening zijn gedaan, worden uitgesloten van het bewijs.

Dit verweer van de verdediging ten aanzien van de onrechtmatigheid van de (inzet van de) pseudokoop is door de rechtbank in rubriek 4 verworpen. Het subsidiaire verzoek van de verdediging behoeft daarom geen verdere bespreking.

De rechtbank vindt op grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen bewezen dat [kind 1] en [verdachte] op 16 mei 2018 tezamen en in vereniging een geldbedrag van € 55.000,- voorhanden hebben gehad en hebben overgedragen aan de twee pseudokopers.

Een geldbedrag van € 257.000,- of € 357.000,- (in oktober 2018) en van € 5.000,- (op 18 oktober 2018)

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat op basis van de inhoud van de spraakberichten niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat verdachte deze geldbedragen in de tenlastegelegde periode voorhanden heeft gehad of heeft overgedragen. De verdediging voert daartoe aan dat uit de spraakberichten niet kan worden afgeleid wanneer de overdracht zou hebben plaatsgevonden. Daar komt bij dat op basis van de getallen die worden genoemd in de spraakberichten, niet kan worden vastgesteld om welke bedragen of valuta het gaat.

De rechtbank overweegt als volgt. Uit de tapgesprekken van 18 oktober 2018 blijkt dat [kind 1] in opdracht van [verdachte] naar een afspraak gaat. [verdachte] geeft aan waar [kind 1] moet zijn en zegt dat er vanzelf iemand met hem komt praten. Wanneer [kind 1] aangeeft dat hij vindt dat er iets niet in orde is, zegt [verdachte] dat hij “maar 5000 roepies bij zich heeft”.

Uit de spraakberichten tussen [verdachte] en [naam 3] die daarvoor hebben plaatsgevonden blijkt dat er een fout is gemaakt. Iemand zou “362” of “262” krijgen, maar heeft “5000” te weinig gekregen. Nadat de fout is ontdekt, geeft [naam 3] aan [verdachte] de opdracht om de “5000” te gaan halen. [naam 3] laat weten dat [verdachte] niet zelf moet gaan, maar iemand anders in een taxi moet sturen. [naam 3] vraagt in deze gesprekken ook hoe het kan dat [verdachte] 100 bankbiljetten heeft geteld, terwijl er maar 90 bankbiljetten zijn. De rechtbank concludeert dat er dus tien biljetten te weinig zijn gegeven en dat dit samen “5000” moest zijn.

Op de camerabeelden van 18 oktober 2018 is te zien dat [kind 1] nadat hij bij de afspraak is geweest terug komt met een envelop. [kind 1] maakt de envelop open en te zien is dat hij tien paarse briefjes telt. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat het niet anders kan dan dat dit tien briefjes van € 500,- waren en dat [kind 1] , in overeenstemming met de spraakberichten en tapgesprekken, een geldbedrag van € 5.000,- is gaan ophalen bij een onbekend gebleven persoon. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat [kind 1] dit geldbedrag op 18 oktober 2018 heeft verworven en voorhanden heeft gehad.

Uit de tapgesprekken blijkt duidelijk dat [kind 1] dit geldbedrag is gaan ophalen in opdracht van [verdachte] en dat de rol van [verdachte] bij deze overdacht dus substantieel is geweest. De rechtbank acht daarom bewezen dat [verdachte] en [kind 1] tezamen en in vereniging het geldbedrag van € 5.000,- hebben verworven en voorhanden hebben gehad. Gelet op de handelingen die [vrouw] verricht, haar aanwezigheid bij het tellen van het geld en het feit dat zij de envelop aan [verdachte] geeft, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] en [kind 1] het geldbedrag tezamen en in vereniging met [vrouw] voorhanden hebben gehad.

Uit het hiervoor overwogene leidt de rechtbank ook af dat [verdachte] op enig moment een geldbedrag van € 257.000,- of € 357.000,- voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen. Immers was de € 5.000,- op 18 oktober 2018 opgehaald door [kind 1] , omdat de klant waaraan “262” of “362” moest worden overgedragen, € 5.000,- te weinig had ontvangen. Uit de spraakberichten blijkt ook dat [verdachte] zegt dat hij de “262” zelf heeft gecontroleerd. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat er pas weken later zou worden geklaagd door de ontvanger over een tekort van € 5.000,-. De rechtbank vindt daarom bewezen dat [verdachte] het geldbedrag van € 257.000,- of € 357.000,- korte tijd daarvoor voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en acht dan ook bewezen dat dit in oktober 2018 is geweest. Uit de spraakberichten komt niet duidelijk naar voren of het gaat om een geldbedrag van € 257.000,- dan wel € 357.000,-, maar vast staat dat het tenminste om een bedrag van € 257.000,- gaat.

Van misdrijf afkomstig

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het dossier voldoende feiten en omstandigheden naar voren komen om een vermoeden van witwassen te rechtvaardigen. Uit de inhoud van het dossier blijkt dat diverse zogenoemde witwastypologieën (algemene ervaringsregels die een aanwijzing vormen dat mogelijk sprake is van witwassen) zich in deze zaak voordoen. Het gaat immers telkens om een groot contant geldbedrag dat is overgedragen of ontvangen, in deels grote coupures waarvan algemeen bekend is dat deze nagenoeg uitsluitend in het criminele circuit worden gebruikt. Voorts zijn de geldbedragen op 16 mei 2018 en 19 juni 2018 vervoerd in de auto in respectievelijk een plastic tas en een big shopper en overgedragen op de openbare weg, terwijl dit niet gangbaar is in het normale economische verkeer en aanzienlijke veiligheidsrisico’s met zich brengt. Ten aanzien van de andere twee transacties ziet de rechtbank geen aanleiding om aan te nemen dat de overdracht daar anders is gegaan. Ook is er in de woning een aantal tokens aangetroffen die duiden op ondergronds bankieren. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden geven samen een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. Van verdachte mag dan worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van voornoemde geldbedragen, die concreet verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Verdachte heeft geen verklaring gegeven voor de herkomst van de geldbedragen. De rechtbank stelt daarom vast dat deze geldbedragen een criminele herkomst hebben.

Gezien de omstandigheden waaronder het geld werd vervoerd en overgedragen, het feit dat er in versluierde taal werd gesproken, het gebruik van PGP-toestellen, de (deels) grote coupures en bij gebrek aan aanknopingspunten voor het tegendeel, moet verdachte hebben geweten dat het om uit misdrijf verkregen geld ging. De rechtbank vindt dan ook bewezen dat verdachte deze geldbedragen heeft witgewassen.

Medeplegen

Ten aanzien van het geldbedrag van € 500.050,- op 18 juni 2018, het geldbedrag van € 55.000,- op 16 mei 2018 en het geldbedrag van € 5.000,- op 18 oktober 2018 blijkt uit het hiervoor overwogene voldoende dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] en [kind 1] en – ten aanzien van het bedrag van € 5.000 – [vrouw] en dat de rol van [verdachte] daarin zodanig substantieel is geweest dat sprake is van medeplegen.

Ten aanzien van het geldbedrag van € 257.000,- is rechtbank van oordeel dat geen sprake is van medeplegen, nu dit niet uit het dossier volgt.

Gewoontewitwassen

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de frequentie van de witwashandelingen, bewezen kan worden dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

5.3.1.3. Het oordeel ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De contante stortingen (van in totaal € 78.610,-)

De rechtbank overweegt dat uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden blijkt dat in de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 november 2018 in totaal 46 contante stortingen hebben plaatsgevonden ten gunste van een rekeningnummer dat op naam staat van [verdachte] en een rekeningnummer op naam van [vrouw] . In totaal komt dit neer op een bedrag van € 78.610,-.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [vrouw] verantwoordelijk was voor de financiën en contante stortingen en dat [verdachte] hier niets van wist.

De rechtbank overweegt als volgt. Het dossier beschrijft dat sprake is van een gemeenschappelijk huishouden en dat [verdachte] en [vrouw] een economische eenheid vormen. Uit de camerabeelden van de Bruna blijkt dat [vrouw] ook contante kasstortingen heeft verricht op de bankrekening van [verdachte] en zij dus toegang had tot zijn bankrekening. Van al het gestorte geld zijn vervolgens huishoudkosten voor de kinderen en henzelf betaald, waaronder de vaste lasten voor de woning aan de [adres 2] . Verdachte heeft op de zitting verklaard dat [adres 2] ook zijn woonadres is. Uit het voorgaande blijkt dan ook voldoende dat sprake was van een gemeenschappelijk huishouden en dat het niet anders kan dan dat zowel [verdachte] als [vrouw] in voldoende mate op de hoogte waren van alle financiële middelen die er binnen hun gemeenschappelijke huishouding voorhanden waren. Het primaire verweer van de verdediging wordt daarom verworpen. [verdachte] en [vrouw] hebben dit geldbedrag daarmee op enig moment verworven en voorhanden gehad.

De contante uitgaven (aan de Volkswagen Lupo, bij Mediamarkt en aan reizen)

De rechtbank overweegt dat uit de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden blijkt dat in de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 november 2018 door of ten behoeve van [verdachte] en [vrouw] € 2.600,- contant is betaald voor een Volkswagen Lupo, € 6.061,94 contant is betaald bij de Mediamarkt en € 10.268,- contant is betaald aan reizen van verschillende gezinsleden. [verdachte] en [vrouw] hebben deze bedragen daarmee op enig moment verworven, voorhanden gehad en gebruikt.

Van misdrijf afkomstig

Hiervoor is reeds overwogen dat uit de inhoud van het dossier blijkt dat zich in deze zaak diverse zogenoemde witwastypologieën voordoen. De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat de herkomst van deze contante stortingen en uitgaven onbekend is gebleven en dat deze bedragen niet uit de legale inkomsten van [verdachte] en [vrouw] kunnen worden verklaard. Ook duidt het doen van contante stortingen van grote bedragen op eigen rekeningen en het doen van grote contante uitgaven op het witwassen van geld dat door misdrijf is verkregen. Bovendien blijkt uit de bankafschriften niet van geldopnamen die deze uitgaven verantwoorden. Daarmee is sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

Van verdachte mag dan worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van voornoemde geldbedragen en dat deze verklaring concreet, verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is.

Verdachte heeft op 9 november 2018 bij de rechter-commissaris en op de zitting van 25 januari 2019 verklaard dat hij geld verdiende door kleding te verkopen op Marktplaats. De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat deze verklaring van verdachte nader is onderzocht, maar dat uit dit onderzoek niets naar voren is gekomen. Deze verklaring van verdachte is verder op geen enkele wijze onderbouwd en vindt geen steun in het dossier. Dit is dan ook geen aannemelijke verklaring die de herkomst van de contante stortingen verklaart.

Op de zitting van 22 maart 2021 heeft verdachte verklaard dat hij een contant geldbedrag van in totaal tussen de € 60.000,- en € 70.000,- van zijn (inmiddels overleden) vader heeft gekregen. De rechtbank vindt dat de omstandigheden dat verdachte pas op de zitting met deze verklaring komt terwijl enige onderbouwing ontbreekt en dat verdachte zijn verklaring niet op andere wijze concreet heeft kunnen maken, ertoe leiden dat zijn verklaring niet verifieerbaar is. Gelet op het voorgaande, hoeft en kan het Openbaar Ministerie geen onderzoek doen naar deze gestelde alternatieve herkomst van het geldbedrag.

Ten aanzien van de contante stortingen heeft de raadsman verwezen naar de verklaring van [vrouw] die zij tegenover de ING-bank heeft afgelegd waaruit zou blijken dat een gedeelte van de contante stortingen, te weten € 22.000,-, afkomstig is uit twee leenovereenkomsten. De rechtbank overweegt daarover dat dit niet een verklaring betreft, die is afgelegd tegenover opsporingsautoriteiten in het kader van deze witwasverdenking. Toen door de verbalisanten naar de herkomst van het contante geld waarover [vrouw] kon beschikken is gevraagd, heeft zij niets willen verklaren. Het Openbaar Ministerie was in deze omstandigheden niet gehouden uit eigen beweging onderzoek te verrichten naar de verklaring die [vrouw] eerder in het kader van het onderzoek van ING heeft gegeven. Ook de rechtbank gaat aan die verklaring, die overigens de nodige vragen oproept, voorbij.

Tot slot heeft verdachte op de zitting van 25 januari 2019 verklaard dat zijn zoon [kind 1] werkte als taxichauffeur en zijn dochter [kind 2] als visagiste en dat zij met deze inkomsten samen rond konden komen. Gelet op de minimale legale inkomsten van zijn zoon en dochter, vindt de rechtbank deze verklaring niet geloofwaardig.

Daartegenover staat dat de rechtbank op grond van wat hiervoor ten aanzien van feit 1 is overwogen bewezen acht dat verdachte geld witwast voor anderen. Verdachte heeft op de zitting van 22 maart 2021 ook verklaard dat hij wel eens geld vervoerde voor anderen en dat hij hier een half procent voor ontving. Het dossier bevat geen enkele aanwijzing dat de gestorte en uitgegeven geldbedragen iets anders zijn dan een beloning voor het witwassen. Dit brengt mee dat deze geldbedragen onmiddellijk afkomstig zijn uit een door de verdachte zelf begaan misdrijf. De rechtbank stelt dan ook vast dat het gestorte geldbedrag van € 78.610,- en de uitgegeven geldbedragen van € 2.600,-, € 6.061,94 en € 10.268,- een criminele herkomst hebben en dat verdachte wist dat het om uit misdrijf verkregen geld ging, zodat hij dat geld heeft witgewassen.

Verbergen of verhullen

Ten aanzien van de contant gestorte bedragen van in totaal € 78.610,- heeft de rechtbank niet kunnen vaststellen dat verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geldbedrag. Dit geld, dat verdachte uit eigen misdrijf heeft verkregen, is op de bankrekeningen van hem en [vrouw] gestort. De rechtbank vindt dat de geldbedragen hierdoor juist zichtbaar zijn geworden. Ook in het gesplitst storten van de contante geldbedragen op de rekening van [vrouw] en een minuut later op de rekening van [verdachte] , ziet de rechtbank geen handeling die gericht is geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geldbedrag. Zelfs al zou deze splitsing tot doel hebben de meldgrens te ontduiken die voor banken op grond van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme geldt bij contante storingen van een bepaalde omvang, dan doet dat niet af aan het feit dat ook die geldbedragen door het storten van contant geld op de bankrekeningen juist zichtbaar zijn geworden als giraal banktegoed.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het op deze manier storten van contante geldbedragen op Nederlandse bankrekeningen niet kan worden aangemerkt als een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het contante geldbedrag gericht karakter heeft.

Ten aanzien van de contante geldbedragen waarmee [verdachte] en [vrouw] aankopen hebben gedaan, ligt dat anders. Door het uitgeven van contant geld met een criminele herkomst, geldt dat sprake is van een omzettingshandeling bij de verwerving van de goederen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het gebruiken van de uit misdrijf afkomstige contante geldbedragen kan worden aangemerkt als een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het contante geldbedrag gericht karakter heeft.

Medeplegen

Uit het hiervoor overwogene ten aanzien van de gemeenschappelijke huishouding concludeert de rechtbank dat zowel [verdachte] als [vrouw] wetenschap hadden van de contante stortingen en uitgaven, dat deze geldbedragen zich ook in hun beider machtssfeer bevonden en dat zij deze bedragen dus tezamen en in vereniging hebben witgewassen.

Gewoontewitwassen

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de frequentie van de witwashandelingen, bewezen kan worden dat verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

5.3.2.

Voorhanden hebben van een vuurwapen, munitie en een stroomstootwapen (feit 3)

De rechtbank vindt op grond van de hiervoor besproken bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van [verdachte] , bewezen dat hij het aangetroffen wapen, de munitie en het stroomstootwapen op 6 november 2018 voorhanden heeft gehad.

De verklaring van verdachte dat hij niet wist dat het een werkend stroomstootwapen betrof, vindt de rechtbank ongeloofwaardig nu uit de bewijsmiddelen blijkt dat er bij het indrukken van de knop een knetterende geluid te horen was. Het betrof dan ook een werkend stroomstootwapen en verdachte had daar wetenschap van en beschikkingsmacht over.

Medeplegen

Het dossier geeft onvoldoende aanknopingspunten voor het medeplegen van het voorhanden hebben van het vuurwapen, de munitie en het stroomstootwapen. Door de andere gezinsleden is ontkend dat zij wisten dat deze voorwerpen zich in de woning bevonden. Dat het vuurwapen en de munitie op de kast van [kind 2] werden aangetroffen, is onvoldoende om aan te nemen dat zij, of één van de andere gezinsleden, ook wetenschap en beschikkingsmacht hadden over het vuurwapen en de munitie. Het koffertje waarin het wapen zat, was daar door verdachte neergelegd en was vanwege de hoogte van de kast niet zichtbaar als je in de kamer staat. Ook ten aanzien van het stroomstootwapen kan de rechtbank op grond van het dossier niet vaststellen dat iemand anders dan [verdachte] hiervan wist en hierover kon beschikken. Het enkele feit dat dit stroomstootwapen in een kast in de woonkamer lag is niet voldoende voor het bewijs dat de medebewoners daar wetenschap van hadden. Daarbij komt dat zelfs als zou een medebewoner dit voorwerp in de kast hebben zien liggen, niet geoordeeld kan worden dat diegene ook wist dat dit een stroomstootwapen betrof nu verdachte heeft verklaard dat het de vorm had van een zaklamp. Ook de verbalisant die het voorwerp in de kast heeft aangetroffen herkende het niet aanstonds als een stroomstootwapen, maar heeft een collega gevraagd het voorwerp te identificeren.

Verdachte wordt daarom vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.

5.3.3.

Deelname aan een criminele organisatie (feit 4)

Beoordelingskader criminele organisatie

Voor een veroordeling voor deelneming aan een criminele organisatie moet sprake zijn (geweest) van een organisatie, die als doel het plegen van misdrijven had, waaraan verdachte heeft deelgenomen. Om van een organisatie als hier bedoeld te spreken, moet het gaan om een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen twee of meer personen. Daarbij is niet vereist dat vast komt te staan dat een persoon om als deelnemer van die organisatie te worden aangemerkt, moet hebben samengewerkt of bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Ook is niet vereist dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is.

Voor de deelneming aan die organisatie is van belang dat verdachte bij de organisatie hoort en een bijdrage levert aan het verwezenlijken van het doel van de organisatie. De verdachte moet in zijn algemeenheid weten dat het doel van de organisatie het plegen van misdrijven is en moet opzet hebben op het deelnemen aan die organisatie. Als uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van het doel van de organisatie of een aan die organisatie ondersteunende handeling heeft verricht, dan volgt daaruit zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk.

De organisatie

De rechtbank vindt dat sprake is geweest van een duurzaam samenwerkingsverband tussen [verdachte] , [vrouw] en [kind 1] . Dit samenwerkingsverband blijkt uit de tapgesprekken over geldoverdrachten en de gezamenlijke handelingen aan PGP-toestellen en tokens die te zien zijn op de camerabeelden. Een voorbeeld van de samenwerking is de onder 1 bewezenverklaarde geldoverdracht van € 5.000,- op 18 oktober 2018, waarin [verdachte] de opdracht krijgt om door iemand anders een geldbedrag van € 5.000,- op te laten halen. Uiteindelijk is het [kind 1] die naar de afspraak gaat en het geldbedrag ophaalt. Terwijl [kind 1] naar de afspraak gaat, houdt hij telefonisch contact met [verdachte] . [verdachte] laat [kind 1] weten waar hij moet zijn en geeft de instructie dat [kind 1] moet wachten tot er iemand naar hem toekomt. Als [kind 1] daarna thuiskomst, telt hij in het bijzijn van [vrouw] het geldbedrag. [vrouw] verricht vlak daarvoor handelingen op de PGP-telefoon. Even later komt [verdachte] binnen en krijgt hij van [vrouw] de envelop waar het geld in zit. [vrouw] geeft hem tevens een vijfeurobiljet, waarna [verdachte] handelingen verricht aan het PGP-toestel en uiteindelijk een foto maakt van het vijfeurobiljet.

Dat de verdachten vaker een vergelijkbare taak vervulden blijkt uit de tapgesprekken en camerabeelden van andere dagen in de tenlastegelegde periode. Zo zijn [kind 1] en [verdachte] ook betrokken bij de geldoverdrachten op 16 mei 2018 en op 18 juni 2018, zijn er meerdere tapgesprekken waarin [kind 1] wordt aangestuurd door [verdachte] en is op de beelden vaker te zien dat [vrouw] handelingen verricht aan de PGP-telefoon en bankbiljetten telt. De rechtbank weegt ook mee dat uit de camerabeelden blijkt dat de verdachten zich in de woning open en bloot bezig hielden met het verrichten van dergelijke activiteiten.

Dit duurzame samenwerkingsverband waarin ieder zijn eigen rol had, kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een criminele organisatie zoals bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). [verdachte] maakte de afspraken, had contact met de opdrachtgever en fungeerde soms zelf als koerier om geld op te halen of af te leveren. Ook [kind 1] vervulde wel eens de rol van koerier en werd hierbij aangestuurd door [verdachte] , terwijl [vrouw] zich bezig hield met het verrichten van administratieve handelingen, het overdragen van tokens aan [verdachte] en het in ontvangst nemen van geld. Ook het gebruiken van versluierde taal tijdens tapgesprekken door verdachten duidt op een gestructureerde samenwerking. Door de verdediging is aangevoerd dat de culturele ( [nationaliteit] ) achtergrond van de familie een verklaring is voor de eventuele gezagsverhoudingen. Dat zou zo kunnen zijn, maar de rechtbank vindt dat dat niet uitsluit dat in dit geval sprake is van een criminele organisatie.

Uit de tapgesprekken, de camerabeelden en het feit dat er daadwerkelijk geldleveringen hebben plaatsgevonden, blijkt dat de criminele organisatie als gezamenlijk doel het plegen van witwassen had.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 5.2 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

feit 1:

in de periode van 1 maart 2018 tot en met 6 november 2018, in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen en alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij verdachte, tezamen en in vereniging met zijn mededader(s), op hierna te noemen tijdstippen telkens een geldbedrag, te weten:

1) 500.050,- euro op 19 juni 2018

verworven en voorhanden gehad en

3) 55.000,- euro op 16 mei 2018 en

voorhanden gehad en overgedragen en

5) 5.000,- euro op 18 oktober 2018

verworven en voorhanden gehad

en

alleen een geldbedrag van

4) 257.000,- euro in oktober 2018

voorhanden gehad en overgedragen

terwijl hij wist dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf;

feit 2:

in de periode van 1 januari 2016 tot en met 23 november 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt,

immers heeft hij toen en daar in voormelde periode, geldbedragen, te weten:

1) in totaal 78.610,- euro (46 stortingen op de rekeningen van [verdachte] en [vrouw] )

verworven en voorhanden gehad

en van

2) 2.600 euro en

3) 6.061,94 euro (contante uitgaven bij Mediamarkt) en

4) 10.268,- euro (contante uitgaven aan reizen),

de herkomst verhuld en voornoemde geldbedragen verworven, voorhanden gehad en gebruikt,

terwijl hij en zijn mededader telkens wisten, dat die geldbedragen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit misdrijf;

feit 3:

op 6 november 2018 te Amsterdam,

- een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen, van het merk Ekol, type Volga , kaliber 9mm in de vorm van een pistool en

- munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 4 kogelpatronen van het kaliber 9mm en

- een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een elektrisch stroomstootwapen, een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht

voorhanden heeft gehad;

feit 4:

in de periode van 1 maart 2018 tot en met 6 november 2018 te Amsterdam, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband van natuurlijke personen, te weten verdachte en [verdachte] en [vrouw] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 420ter Wetboek van Strafrecht en artikel 420bis Wetboek van Strafrecht, te weten het plegen van (gewoonte)witwassen .

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7. De strafbaarheid van het feit

Beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond – ten aanzien van feit 2 (€ 78.610,-)

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde geldbedrag van € 78.610,- aan contante stortingen moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is, zoals door de Hoge Raad is genoemd in het arrest van 2 juli 2013 (ECLI:NL:HR:2013:150). Indien de rechtbank het Openbaar Ministerie volgt en ervan uitgaat dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van (alle) onder 1 genoemde geldbedragen, dat hij hiermee geld heeft verdiend en vervolgens dit verdiende geld op eigen rekening heeft gestort, moeten deze gestorte geldbedragen immers worden aangeduid als afkomstig uit eigen misdrijf terwijl er geen sprake is van enige verhullingshandeling, aldus de verdediging.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat rechtstreeks uit de bewijsmiddelen moet voortvloeien dat het voorwerp dat iemand voorhanden heeft afkomstig is uit een zelf begaan misdrijf. Bij feit 2 gaat het om een periode vanaf 2016, terwijl de tenlastegelegde pleegperiode voor feit 1 aanvangt in maart 2018. Mocht verdachte al inkomsten hebben verkregen uit dat ondergronds bankieren, dan kan hij die niet vanaf 2016 al hebben gestort. Daar komt bij dat door verdachte niet concreet is aangevoerd uit welk eigen misdrijf het contant gestorte geldbedrag afkomstig is. Het is aan verdachte om dit te verklaren. Gelet hierop heeft de officier van justitie verzocht om het beroep op de kwalificatie-uitsluitingsgrond te verwerpen.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het enkele verwerven en voorhanden hebben van uit enig misdrijf verkregen geld, zoals onder 2 ten aanzien van de contante stortingen bewezen is verklaard, is niet voldoende om van witwassen te kunnen spreken in de zin van artikel 420bis, eerste lid, aanhef en onder b van het Wetboek van Strafrecht. Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2021:321) wordt naast het voorhanden hebben een andere handeling van de witwasser gevergd die heeft bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geld. De rechtbank heeft hiervoor geoordeeld dat het aannemelijk is geworden dat het onder 2 bewezenverklaarde geldbedrag van € 78.610,- afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf en heeft bewezen verklaard dat verdachte het voorwerp heeft witgewassen door dit te verwerven en voorhanden te hebben gehad. De rechtbank heeft echter niet kunnen vaststellen dat verdachte één of meer handelingen heeft verricht die gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dit geldbedrag. Dat betekent dat het onder 2 bewezenverklaarde partieel niet kan worden gekwalificeerd en daarom, met betrekking tot dat gedeelte, geen strafbaar feit oplevert. Verdachte dient daarom, ter zake van dit bewezenverklaarde feit, in zoverre te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

De overige bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straffen en maatregelen

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden, met aftrek van voorarrest en een geldboete van € 50.000,-.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om, in het geval van een bewezenverklaring, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ten aanzien van het bezit van het vuurwapen en de munitie heeft de raadsman verzocht om de Amsterdamse oriëntatiepunten niet tot uitgangspunt te nemen, nu verdachte dit wapen heeft aangeschaft na de gewapende overval op zijn huis en nooit zou meenemen op straat. Ten aanzien van de criminele organisatie heeft de raadsman benadrukt dat het Openbaar Ministerie de keuze heeft gemaakt om naast de feiten onder 1, 2 en 3 tevens artikel 140 Sr ten laste te leggen, puur om de mogelijkheid tot een hogere straf te kunnen creëren. Tot slot heeft de raadsman verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van in totaal € 835.979,94,-. Witwassen vormt een ernstige bedreiging van de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Door het witwassen van crimineel vermogen wordt de onderliggende criminaliteit gefaciliteerd. Verdachte heeft zich kennelijk lange tijd bezig gehouden met het plegen van witwassen en heeft daar een gewoonte van gemaakt.

Daarnaast heeft verdachte deelgenomen aan een criminele organisatie en daar een leidinggevende rol in gehad; een grotere rol dus dan alleen maar die van geldkoerier. Verdachte heeft een belangrijke rol vervuld binnen de organisatie door het geven van opdrachten, het vervoeren en leveren van geld, het coördineren van geldoverdrachten die werden uitgevoerd door zijn zoon en het onderhouden van contact met mensen die geld wilden verplaatsen. Verdachte heeft daarmee de witwasactiviteiten van de criminele organisatie gefaciliteerd en een bijdrage geleverd aan het witwassen. Ook neemt de rechtbank het verdachte kwalijk dat hij zijn gezin heeft betrokken bij deze witwasactiviteiten.

Verder heeft verdachte een vuurwapen, munitie en een strommstootwapen voorhanden gehad. Dergelijke wapens zijn in handen van een daartoe niet bevoegde een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen. Verdachte heeft daarmee de veiligheid van mensen in gevaar gebracht. Tegen onbevoegd wapenbezit moet daarom streng worden opgetreden.

De rechtbank slaat voor de strafmaat acht op de oriëntatiepunten die de rechtbanken hebben vastgesteld. Hierin zijn geen specifieke uitgangspunten opgenomen voor witwassen. In de oriëntatiepunten is als uitgangspunt voor fraudedelicten bij een benadelingsbedrag van € 500.000,- tot € 1.000.000,- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf tussen de achttien tot vierentwintig maanden genoemd. De rechtbank zal hierbij aansluiting zoeken. In beginsel is een straf van overeenkomstige aard en duur dan ook passend. Het landelijke uitgangspunt bij het voorhanden hebben van een pistool is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. De rechtbank Amsterdam heeft eigen oriëntatiepunten voor wapenbezit vastgesteld, in verband met het feit dat in Amsterdam een onaanvaardbare stijging werd waargenomen van het bezit en het gebruik van vuurwapens, met alle gevolgen van dien. De Amsterdamse oriëntatiepunten hanteren een gevangenisstraf van 12 maanden als uitgangspunt. Ten aanzien van het voorhanden hebben van munitie en een stroomstootwapen geldt als uitgangspunt een geldboete van in totaal € 660,-.

De rechtbank heeft ook kennis genomen van het strafblad van verdachte van 25 februari 2021, waaruit blijkt dat verdachte op 23 augustus 2013 al eens een transactievoorstel heeft gehad in verband met witwassen.

Anderzijds heeft de rechtbank oog voor de impact die deze zaak op de familieverhoudingen binnen het gezin [naam 1] heeft gehad. Op zitting is duidelijk gewonden dat verdachte gebukt gaat onder schuldgevoelens ten opzichte van zijn vrouw, zoon en dochter die door zijn toedoen in de problemen zijn gekomen en zich voor de rechtbank moeten verantwoorden.

De rechtbank is daarom van oordeel dat onder alle voornoemde omstandigheden een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk passend en geboden zou zijn.

De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Verdachte is op 6 november 2018 in verzekering gesteld. Als uitgangspunt heeft hierbij te gelden, dat de zaak in beginsel had moeten zijn afgedaan met een eindvonnis binnen een termijn binnen twee jaren vanaf de inverzekeringstelling (zie HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578). Nu in deze zaak pas op 3 mei 2021 vonnis wordt gewezen, is de redelijke termijn met bijna zes maanden overschreden. In de overschrijding van de redelijke termijn ziet de rechtbank aanleiding om de op te leggen straf met twee maanden te verminderen.

Alles afwegende komt de rechtbank tot oplegging van een gevangenisstraf van 28 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

10 Beslag

In dit onderzoek zijn veel goederen in beslag genomen. Deze goederen hebben allemaal een itemnummer gekregen. Een kopie van de lijst met inbeslaggenomen goederen is als bijlage II aan dit vonnis gehecht.

10.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de voorwerpen 1, 2, 3, 14 t/m 25, 153 tot en met 156 en 165 (onder andere de woning, twee auto’s en een geldtelmachine) verbeurdverklaring gevorderd. Ten aanzien van de voorwerpen 4 (stroomstootwapen) en 166 tot en met 169 (PGP-telefoons) heeft de officier van justitie de onttrekking aan het verkeer gevraagd.

10.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om teruggave aan verdachte van de voorwerpen 2 en 3 (twee auto’s). Ten aanzien van voorwerp 1 (de woning), heeft de raadsman verzocht om deze niet verbeurd te verklaren. Ten aanzien van de overige voorwerpen op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

10.3.

Het oordeel van de rechtbank

10.3.1.

Ten aanzien van de woning

De rechtbank vindt de verbeurdverklaring van de woning een disproportionele sanctie en ziet geen aanleiding om over te gaan tot verbeurdverklaring van de woning zoals is gevraagd door de officier van justitie.

10.3.2.

Ten aanzien van de overige inbeslaggenomen goederen

Het inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerp, te weten nummer 165 op de beslaglijst (geldtelmachine) wordt verbeurd verklaard omdat met behulp daarvan het bewezen verklaarde is begaan.

De voorwerpen 4 (stroomstootwapen) en 166 tot en met 169 (PGP-telefoons) worden onttrokken aan het verkeer omdat zij aan de verdachte toebehoren en de strafbare feiten met betrekking tot onderscheidenlijk met behulp van deze goederen zijn begaan.

De voorwerpen 2, 3, 5 tot en met 25 en 153 tot en met 156 (onder meer twee auto’s en geldbedragen) moeten worden teruggeven aan verdachte.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 140, 420ter van het Wetboek van Strafrecht en 26 en 55 van de wet Wapens en Munitie.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van gewoontewitwassen

en

gewoontewitwassen;

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van gewoontewitwassen;

ten aanzien van feit 3:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

ten aanzien van feit 4:

deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

Verklaart het bewezene ten aanzien van feit 2 voor zover dat betrekking heeft op het witwassen van € 78.610 niet strafbaar en ontslaat verdachte ter zake daarvan van alle rechtsvervolging.

Verklaart het overigens bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 28 (achtentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Verklaart verbeurd:

- voorwerp 165 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer:

- de voorwerpen 4 en 166 tot en met 169 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- de voorwerpen 2, 3, 5 tot en met 25 en 153 tot en met 156 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. G.H. Marcus, voorzitter,

mrs. B.M. Visser en A.H.E. van der Pol, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Leenstra, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 mei 2021.

[...]

1 [...]

2 [...]

3 [...]

4 [...]

5 [...]

6 [...]

7 [...]

8 [...]

9 [...]

10 [...]

11 [...]

12 [...]

13 [...]

14 [...]

15 [...]

16 [...]

17 [...]

18 [...]

19 [...]

20 [...]

21 [...]

22 [...]

23 [...]

24 [...]

25 [...]

26 [...]

27 [...]

28 [...]

29 [...]

30 [...]

31 [...]