Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2174

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-05-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
C/13/674519 / FA RK 19-6681
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

fiscale en andere financiële keuzes die de man zelf vrijwillig maakt met als gevolg een lager inkomen en een hogere woonlast leveren geen wijziging van omstandigheden op; reële proceskostenveroordeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd

zaaknummer / rekestnummer: C/13/674519 / FA RK 19-6681

Beschikking van 28 april 2021 betreffende wijziging van alimentatie

in de zaak van:

[de man] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.M. Wigman te 's-Gravenhage,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. P. Crans te Utrecht.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift van de man, ingekomen op 21 oktober 2019;

  • -

    het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken van de vrouw van 28 januari 2020;

  • -

    het verweerschrift op de zelfstandige verzoeken van de man van 26 februari 2020;

  • -

    een brief met bijlagen van de vrouw van 16 september 2020;

  • -

    een brief met bijlagen van de man van 12 maart 2021;

  • -

    een brief met bijlagen van de vrouw van 17 maart 2021;

  • -

    een brief met bijlagen van de man van 22 maart 2021;

  • -

    een fax van de man van 29 maart 2021.

1.2.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 maart 2021.

Bij die gelegenheid zijn partijen verschenen, bijgestaan door hun advocaten. De vrouw heeft pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

2 De feiten

2.1.

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad, welke relatie is beëindigd in februari 2016.

2.2.

Uit de relatie is geboren:

- [minderjarige 1], geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2013.

2.3.

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit. [minderjarige 1] verblijft sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw.

2.4.

De vrouw heeft daarnaast een dochter uit een eerder huwelijk, [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2005 te [geboorteplaats 2] . [minderjarige 2] verblijft eveneens bij de vrouw.

2.5.

Bij beschikking van 25 september 2018 van het gerechtshof Amsterdam is voor zover hier van belang bepaald dat de man van 1 maart 2016 tot 1 januari 2017 een bedrag van € 317,- per maand aan de vrouw dient te betalen als bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en vanaf 1 januari 2017 een bedrag van € 316,- per maand.

Daarnaast dient de man over de periode 1 maart 2016 tot 1 januari 2017 72% van de kosten van de kinderopvang ad € 387,- te voldoen, hetgeen neerkomt op een bedrag van € 279,- per maand. Van 1 januari 2017 tot november 2017 is de bijdrage van de man vastgesteld op 71% over € 387,-, zijnde € 275,- per maand. Vanaf 1 november 2017 dient de man 71% over € 372,- te betalen hetgeen neerkomt op € 264,- per maand.

3 De verzoeken

3.1.

De man heeft zijn inleidende verzoeken gewijzigd en verzoekt thans de kinderalimentatie te wijzigen met ingang van 1 april 2021 en opnieuw vast te stellen op een bedrag van € 250,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, waarbij partijen over en weer verklaren tot en met maart 2021 niets meer van elkaar te vorderen hebben.

3.2.

Hij legt aan zijn verzoek ten grondslag dat de in de beschikking van het hof van 25 september 2018 vastgestelde kinderalimentatie door een aantal wijzigingen in de omstandigheden niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

3.3.

De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring danwel afwijzing van het verzoek van de man en verzoekt bij wege van zelfstandig tegenverzoek overlegging van financiële stukken door de man op grond van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) alsmede een veroordeling van de man in de reële kosten van de onderhavige procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna ingegaan.

4 De beoordeling

Ontvankelijkheid

4.1.

Ingevolge artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

4.2.

Het enkele beroep van de man op het feit dat de beschikking van het hof van 25 september 2018 niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet op grond van gewijzigde omstandigheden maakt dat hij naar het oordeel van de rechtbank in zijn verzoek kan worden ontvangen.

4.3.

Beoordeeld dient te worden of er ook daadwerkelijk sprake is van rechtens relevante wijzigingen op grond waarvan de beschikking van het hof niet langer in stand kan blijven.

Gewijzigde omstandigheden

4.4.

De man legt aan zijn beroep op artikel 1:401 lid 1 BW ten grondslag dat de beschikking van het hof niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet omdat de volgende omstandigheden zijn gewijzigd: de actuele netto kosten van de kinderopvang, het inkomen van de vrouw, de woonlasten van de man en tot slot zijn eigen inkomen. De rechtbank zal eerst ingaan op het inkomen van de man.

Wijziging inkomen man

4.5.

De man stelt dat hij sinds de dag dat het hof uitspraak heeft gedaan op 25 september 2018 geen dividenduitkeringen meer heeft genoten. Dit is volgens hem een relevante wijziging van omstandigheden. Ook vóór de uitspraak van het hof genoot hij overigens geen dividenduitkeringen. Het hof is er ten onrechte vanuit gegaan dat dit wel zo was. Daarvan ook uitgaande is er nu dus sprake van een wijziging van omstandigheden, aldus de man. Zijn inkomen bedraagt € 3.500,-- bruto per maand vermeerderd met vakantietoeslag en zonder dividenduitkering. Ter onderbouwing van zijn standpunt legt de man aangiftes, aanslagen, jaaropgaves en jaarverslagen van [naam bv] BV over betrekking hebbend op de jaren 2018, 2019 en 2020.

4.6.

De vrouw stelt dat er sinds de uitspraak van het hof in september 2018 niets gewijzigd is in het inkomen van de man zodat niet op deze grond sprake kan zijn van gewijzigde omstandigheden. De man gaf tijdens de procedure bij het hof al geen openheid van zaken op grond waarvan de hof tot dit inkomen is gekomen en de man geeft nog steeds geen openheid van zaken. Om deze reden moet nog steeds van dit inkomen uit worden gegaan, aldus de vrouw.

4.7.

De rechtbank overweegt dat uit de stukken is gebleken dat tijdens de procedure bij het hof in de periode tussen de mondelinge behandeling en de pro forma datum waarop de man door het hof in de gelegenheid werd gesteld alsnog financiële openheid van zaken te geven, de juridische structuur van voorheen aan de man gelieerde vennootschappen zodanig is gewijzigd dat op papier alle banden zijn doorgesneden. Ook is gebleken dat de man in diezelfde periode, dus na de mondelinge behandeling bij het hof, als werknemer in dienst is getreden bij [naam werkgever] waar hij een bruto maandinkomen geniet van € 3.500,- exclusief vakantietoeslag. Het hof heeft hierop geconcludeerd dat zij bij deze gang van zaken niet in staat is de (werkelijke) draagkracht van de man te bepalen en heeft om die reden in redelijkheid een inkomen aan de zijde van de man vastgesteld waarbij rekening is gehouden met een (fictieve) dividenduitkering van € 15.000,- bruto per jaar.

4.8.

Ook in deze procedure is de man niet bereid gebleken de gewijzigde juridische structuur van aan hem gelieerde vennootschappen nader te verklaren. Wel heeft de man ter zitting meermaals verklaard dat hij weliswaar afgestudeerd econoom en jurist is maar dat hij er bewust voor heeft gekozen om het “rustig aan te doen” en dat hij zich dit kan permitteren omdat hij over voldoende vermogen beschikt. Ook heeft hij verklaard dat hij zelf kan bepalen welke fiscale constructie hij kiest en dat hij bewust de keuze heeft gemaakt om zichzelf geen dividend uit te keren omdat dit fiscaal ongunstig voor hem zou zijn.

4.9.

De rechtbank stelt voorop dat de fiscale en eventueel andere financiële keuzes die de man zelf vrijwillig maakt geen wijziging van omstandigheden kunnen opleveren als gevolg waarvan de kinderalimentatie opnieuw moet worden vastgesteld. Het spreekt voor zich dat deze keuzes niet ten koste mogen gaan van zijn onderhoudsplicht jegens [minderjarige 1] . Gelet hierop als ook gelet op het feit dat uit de uitspraken die de man zelf ter zitting heeft gedaan afgeleid kan worden dat de man over meer (inkomen uit) vermogen kan beschikken dan blijkt uit de aangiftes IB en de jaarstukken van [naam bv] BV, terwijl de man blijft weigeren inzichtelijk te maken welke vermogensbestanddelen hij verder nog heeft en in hoeverre hij zelf invloed kan uitoefenen op het inkomen dat hij daaruit eventueel kan genieten, ziet de rechtbank geen aanleiding om op deze grond te concluderen dat de beschikking van het hof van 25 september 2018 niet langer in stand kan blijven.

Wijziging inkomen vrouw

4.10.

De man stelt dat uit de door de vrouw overgelegde stukken blijkt dat de vrouw met ingang van 1 maart 2021 een nieuwe baan heeft waarmee zij significant meer is gaan verdienen. Haar bruto maandinkomen is verhoogd van € 3.840,- tot € 5.280,- te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. Dit is volgens de man een significante wijziging van omstandigheden die aanleiding geeft tot het opnieuw vaststellen van zijn bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] . De man verzoekt de vrouw inzage te geven in haar arbeidsovereenkomst zodat kan worden vastgesteld of de vrouw naast vakantietoeslag ook aanspraak kan maken op een bonus en/of een dertiende maand.

4.11.

De vrouw beaamt dat zij per 1 maart 2021 een nieuwe baan met een gewijzigd salaris heeft. Met ingang van deze datum gaat zij € 5.280,- per maand verdienen exclusief 8% vakantietoeslag. De man heeft echter zijn verzoekschrift ingediend op 21 oktober 2019. Op dat moment was er geen sprake van een wijziging van omstandigheden. Om die reden dient volgens haar de man niet ontvankelijk verklaard te worden in zijn verzoek, danwel dient zijn verzoek te worden afgewezen. Daar komt bij dat zij de man direct over haar nieuwe baan heeft geïnformeerd, dit ook in verband met de verdeling van de kosten van de kinderopvang. Het probleem is echter dat de man blijft weigeren openheid van zaken te geven over zijn financiële situatie. Om die reden is het voor haar niet mogelijk om vast te stellen of de draagkrachtverhouding voor de kinderalimentatie is gewijzigd en gaat zij er noodgedwongen vanuit dat de draagkrachtverhouding voor de kinderalimentatie gelijk is gebleven.

4.12.

De rechtbank overweegt als volgt. Of er sprake is van gewijzigde omstandigheden dient te worden beoordeeld naar het moment van indiening van het onderhavige verzoekschrift. Op dat moment had de vrouw nog geen nieuwe baan en was er dus op deze grond geen sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Nu duidelijk is dat er inmiddels wel sprake is van gewijzigde omstandigheden wegens een gewijzigd inkomen aan de zijde van de vrouw is de rechtbank om proces-economische redenen bereid om alsnog op deze basis te beoordelen of de beschikking van het hof niet langer in stand kan blijven. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.

4.13.

Vaststaat dat de vrouw met ingang van 1 maart 2021 een significant meer is gaan verdienen. Daar staat echter tegenover dat de vrouw de man hierover terstond heeft geïnformeerd en hem heeft verzocht van zijn kant volledige inzage te geven in zijn financiële situatie. De man blijft zich echter verschuilen achter zijn papieren juridische constructie en weigert volledige financiële openheid van zaken te geven. Nu de man hier bewust voor kiest is noch de vrouw noch de rechtbank in staat om te beoordelen of door de salarisverhoging van de vrouw de draagkrachtverhouding tussen partijen ook is gewijzigd en kan dus niet worden vastgesteld dat de beschikking van het hof van 25 september 2018 niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Ook op deze grond kan het verzoek van de man niet worden toegewezen.

Actuele netto kosten kinderopvang

4.14.

De man stelt dat de vrouw een maandfactuur van maart 2021 van de kinderopvang heeft overgelegd waaruit blijkt dat de kosten voor die maand € 446,- zijn. Ook blijkt uit de door haar overgelegde stukken dat de vrouw maandelijks een kindertoeslag ontvangt van € 233,-. Dat betekent volgens de man dat de netto kosten kinderopvang € 213,- per maand bedragen in plaats van € 387,- waar het hof vanuit is gegaan. Dit levert volgens hem een significante wijziging van omstandigheden op.

4.15.

De vrouw voert verweer en stelt dat zij de man steeds direct van iedere wijziging in de kosten van de kinderopvang op de hoogte heeft gesteld en hem steeds direct de voorlopige/definitieve beschikkingen kinderopvangtoeslag van de belastingdienst en de facturen van de kinderopvang heeft toegestuurd. Ook heeft zij de man direct geïnformeerd toen zij een nieuwe baan kreeg per 1 maart 2021. Per die datum heeft zij ook een lange middag opvang gewisseld in een korte middag opvang. Per 1 maart 2021 bedragen de kinderopvangkosten € 476,18 bruto per maand en bedraagt de kinderopvangtoeslag € 233,- per maand. De netto kinderopvangkosten voor [minderjarige 1] bedragen aldus € 243,18 per maand. De man is hiervan door haar op de hoogte gesteld. De man dient genoegen te nemen met het deze informatie en kan niet van haar verlangen dat zij op afroep van de man steeds opnieuw al haar inkomensgegevens overlegt terwijl hij zelf geen openheid van zaken geeft.

4.16.

De rechtbank overweegt als volgt. Ook hier geldt weer dat op de datum van indiening van het verzoekschrift, 21 oktober 2019, de genoemde omstandigheden (het wisselen van de middagen en de nieuwe baan van de vrouw) nog niet waren gewijzigd. Om proces-economische redenen zal de rechtbank echter op basis van de met ingang van 1 maart 2021 gewijzigde omstandigheden beoordelen of de beschikking van het hof niet langer in stand kan blijven. Daarbij overweegt de rechtbank het volgende.

4.17.

In de beschikking van 25 september 2018 heeft het hof overwogen dat partijen met ingang van 2017 in een draagkrachtverhouding van 71% voor de man en 29% voor de vrouw dienen bij te dragen in zowel de behoefte van [minderjarige 1] als in de kosten van haar kinderopvang. Partijen dienen steeds aan de hand van de facturen en beschikkingen kinderopvangtoeslag zelf te bepalen welk netto bedrag de man in deze verhouding dient bij te dragen. Op basis van de huidige netto kosten van de kinderopvang bedraagt de bijdrage van de man 71% van € 243,18 per maand, zijnde € 173,- netto per maand.

4.18.

Wijziging van het netto bedrag betekent niet dat de beschikking van het hof gewijzigd dient te worden omdat deze niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet op grond van gewijzigde omstandigheden. Daarvan kan pas sprake zijn indien de draagkrachtverhouding wijzigt. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen ten aanzien van de inkomens van partijen en hun draagkrachtverhouding volgt dat niet kan worden vastgesteld of de draagkrachtverhouding is gewijzigd. Om deze reden ziet de rechtbank derhalve ook op deze grond geen aanleiding te concluderen dat de beschikking van het hof niet langer in stand kan blijven.

Wijziging woonlasten man

4.19.

De man stelt dat na de beschikking van het hof van 25 september 2018 zijn woonlasten ingrijpend zijn gewijzigd als gevolg waarvan er sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden op grond waarvan de beschikking van het hof ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen. Ter onderbouwing voert de man aan dat hij een nieuwe woning heeft gekocht voor een bedrag van € 475.000,- waarvoor hij een annuïtaire hypotheek van € 300.000,- heeft moeten afsluiten waar hij maandelijks een bedrag van € 1.057,09 op aflost. De vorige woning had de man snel gekocht na de echtscheiding om een dak boven zijn hoofd te hebben. De huidige woning acht de man meer passend bij zijn status.

4.20.

De vrouw betwist dat de man opgevoerde woonlasten. Volgens haar heeft de man geen annuïtaire hypotheek afgesloten. Dit blijkt in elk geval niet uit het kadaster. De man legt weliswaar een door hemzelf opgestelde en ondertekende eigenwoningregeling over maar hij legt geen betaalbewijzen of andere stukken over waaruit blijkt dat hij ook daadwerkelijk aflost. Eerder bewijst de overeenkomst eigenwoninglening volgens haar dat de man vrijelijk over zijn vermogen in [naam bv] BV kan beschikken. De man moet deze woning, net als ten tijde van de procedure bij het hof uit zijn eigen liquide middelen kunnen financieren. Het is volgens haar dan ook niet zonder reden dat de man geen betaalbewijzen overlegt. Daarnaast is de man gaan samenwonen en kan hij eventuele woonlasten dus delen. Volgens de vrouw heeft de man al met al niet aangetoond dat zijn woonlasten zijn gestegen en aannemelijk is dat ze ook niet zijn gestegen. Tot slot merkt de vrouw nog op dat de hoogte van de woonlast ook niet zodanig mag worden gewijzigd dat dit ten kosten van zijn draagkracht voor kinderalimentatie gaat.

4.21.

De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft zowel zijn vorige woning als zijn huidige woning zelf gefinancierd. De vorige woning was betaald uit dividend. Het hof heeft toen geoordeeld dat om die reden geen rekening zou worden gehouden met de forfaitaire woonlast. In plaats daarvan achtte het hof het redelijk om rekening te houden met een netto woonlast van € 200,-. Ten aanzien van de huidige woning heeft de man een andere keuze gemaakt en heeft hij de woning gefinancierd middels een lening van zijn BV. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij de woning makkelijk zelf kan betalen en dat de BV wederom voldoende liquide middelen bevat om de woning uit dividend te betalen maar dat hij uit fiscale overwegingen een andere keuze heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat het de man’s goed recht is om fiscale motieven te betrekken bij de financieringswijze van zijn woning. Dit is alleen niet zo als een dergelijke keuze ten koste gaat van zijn bijdrage in de kosten van [minderjarige 1] . Het betreft immers een vrijwillige keuze. Het is niet zo dat een vrijwillig gemaakte fiscale keuze leidt tot een wijziging van omstandigheden op grond waarvan zijn bijdrage naar beneden toe moet worden bijgesteld. Daar komt bij dat ook de eigenwoninglening een papieren constructie zou kunnen zijn. Indien er namelijk daadwerkelijk door de man op wordt afgelost, had het op zijn weg gelegen om nadat de vrouw de aflossingen had betwist, op zijn minst bankafschriften over te leggen waaruit deze aflossingen blijken. Dit nalaten komt voor zijn rekening en risico en in geen geval kan op deze grond geconcludeerd worden dat de beschikking van het hof van 25 september 2018 niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

Conclusie

4.22.

Uit het vorenstaande volgt dat de man onvoldoende heeft gesteld om aan te nemen dat er sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat de beschikking van het hof van 25 september 2018 niet langer in stand kan blijven. De rechtbank zal de verzoeken van de man dan ook afwijzen.

Overleggen stukken ex artikel 843a Rv

4.23.

De vrouw verzoekt de rechtbank bij tussenbeschikking te veroordelen om binnen twee weken na die te geven beschikking de door haar verzochte financiële stukken te overleggen.

De rechtbank overweegt dat nu de verzoeken van de man worden afgewezen, de vrouw geen belang meer heeft bij dit verzoek. Ook dit verzoek zal derhalve worden afgewezen.

Proceskostenveroordeling

4.24.

De vrouw verzoekt de rechtbank de man te veroordelen in de reële kosten van deze procedure, te betalen binnen veertien dagen na de ten deze te wijzen beschikking bij gebreke de man in verzuim zal zijn en vanaf dat moment de wettelijke rente verschuldigd zal zijn tot aan de dag der algehele voldoening.

4.25.

De vrouw onderbouwt haar verzoek als volgt. De man heeft in deze procedure ongegronde verzoeken gedaan en de vrouw onnodig op kosten gejaagd. Sinds partijen in 2016 feitelijk uiteen zijn gegaan is de vrouw nu al 7 keer geconfronteerd met kostbare en tijdrovende procedures en heeft hij daarnaast nog drie keer middels zijn advocaat gedreigd met procedures ten gevolge waarvan de vrouw ook advocaatkosten heeft moeten maken. De vrouw meent dat de man zonder scrupules alles uit de kast haalt om onder zijn onderhoudsplicht jegens zijn dochter [minderjarige 1] uit te komen. Ook nu weer komt de man uit het niets met een verzoekschrift wijziging kinderalimentatie met geen ander doel dan met gekunstelde constructies en herstructureringen zijn onderhoudsplicht jegens [minderjarige 1] substantieel omlaag te brengen. In alle procedures weigert de man zijn eigen inkomenspositie te laten zien, hetgeen wel zijn plicht is. Om deze reden ziet de vrouw aanleiding om de rechtbank te verzoeken om in afwijking van hetgeen gebruikelijk is in familierechtprocedures af te zien van kostencompensatie en de man te veroordelen niet in de kosten volgens het liquidatietarief maar in de reële kosten van dit geding.

4.26.

De man voert verweer en stelt dat hij noch misbruik van recht maakt noch nodeloos procedeert zodat niet valt in te zien waarom een kostenveroordeling gerechtvaardigd is. De vrouw geeft immers zelf geen inzage in haar financiële situatie en heeft zelf misbruik gemaakt van een beschikking die niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet. Daarbij komt dat beide partijen debet zijn aan het feit dat zij in overleg niet tot afspraken hebben kunnen komen. Het kan dan niet zo zijn dat het de man in de schoenen wordt geschoven dat hij vervolgens als eerste een procedure begint.

4.27.

De rechtbank is het met de vrouw eens dat de man geen wijzigingsprocedure kan starten zonder zelf bereid te zijn volledige financiële openheid van zaken te geven. Deze bereidheid ontbrak ook in de eerder gevoerde alimentatieprocedure in twee instanties. Hij verschuilt zich achter juridische constructies die ertoe hebben geleid dat de man op papier een relatief laag inkomen heeft en een relatief hoge woonlast. Tegelijkertijd heeft de man ter zitting aangegeven geld genoeg te hebben en vrijwillig de keuze te hebben gemaakt om zijn financiële situatie op deze manier in te richten. Door aldus te handelen en te blijven vasthouden aan een werkelijkheid die door hemzelf geconstrueerd is met het kennelijke oogmerk om zijn alimentatieplicht naar beneden toe bij te laten stellen maakt de man naar het oordeel van de rechtbank misbruik van zijn procesrecht. De man kan de consequenties van zijn financiële keuzes niet op deze manier op de vrouw afwentelen en de advocaat van de man had op voorhand moeten begrijpen dat de onderhavige verzoeken van de man geen kans van slagen hadden. Door deze handelwijze is de vrouw (wederom) nodeloos op kosten gejaagd. Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank voldoende aanleiding ziet om af te wijken van compensatie van de proceskosten zoals gebruikelijk in familiezaken en zal het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de in de werkelijke proceskosten dan ook worden toegewezen.

4.28.

De man is de procedure begonnen op 21 oktober 2019. Door de vrouw zijn de advocaatkosten die zij sedert die datum gemaakt heeft begroot op € 7.950,- tot en met eind februari 2021. De vrouw heeft aangegeven zij ter zitting met een nieuwe aanvullende productie zal aangeven in welk opzicht dit bedrag nog zal worden verhoogd. Nu zij dit heeft nagelaten zal de rechtbank uitgaan van genoemd bedrag ad € 7.950,-. Het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen deze proceskosten binnen veertien dagen na dagtekening van deze beschikking te voldoen bij gebreke waarvan de man in verzuim is en de wettelijke rente verschuldigd wordt, zal de rechtbank afwijzen.

5 De beslissing

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt de man in de proceskosten voor een bedrag van € 7.950,-;

5.2.

verklaart deze beschikking voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

5.3.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.H.J. Evers, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. M. Overmars, griffier, op 28 april 20211

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.