Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2165

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
17-05-2021
Zaaknummer
13/136776-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding door het slachtoffer over haar kleding bij haar borst en haar vagina vast te pakken. Voorwaardelijke taakstraf van 40 uren opgelegd. Schadevergoeding € 300,00 toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/136776-20 (Promis)

Datum uitspraak: 28 april 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1967 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

opgegeven verblijfadres ter terechtzitting:

[adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.M. van Ditzhuyzen en van wat verdachte en zijn raadsvrouw mr. T. de Wit naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – kort gezegd – beschuldig van aanranding van [aangeefster] op 13 maart 2020 te Amsterdam door haar onverhoeds (over haar kleding) vast te pakken bij haar borst en/of vagina.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I van dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

3.2

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van het ten laste gelegde moet worden vrijgesproken. De verklaring van verdachte – dat hij aangeefster per ongeluk heeft aangeraakt aan de onderkant – wordt ondersteund door de verklaring van de leidinggevende, terwijl de verklaring van aangeefster geen steun vindt in andere bewijsmiddelen.

3.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank leidt uit het dossier af dat verdachte en aangeefster op 13 maart 2020 aanwezig waren in restaurant [naam] te Amsterdam, waar zij beiden werkzaam waren. Verdachte liep in een kleine ruimte langs aangeefster en heeft haar toen aangeraakt. Volgens aangeefster klopte verdachte op haar schouder, waarna hij haar ineens tegelijkertijd bij haar borst en vagina pakte. Uit de verklaringen van de leidinggevende en de moeder van aangeefster volgt dat aangeefster kort daarna aan hen heeft verteld wat er was voorgevallen. Zij zagen dat aangeefster emotioneel was.

Volgens artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering kan enkel op basis van de verklaring van aangeefster niet worden bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde moet de verklaring van aangeefster voldoende steun vinden in andere bewijsmiddelen. Daarnaast moet de rechtbank de betrouwbaarheid van de aangifte beoordelen. Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad hoeft het steunbewijs niet te zien op de ontuchtige handelingen zelf.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van aangeefster in voldoende mate steun vindt in de verklaringen van haar leidinggevende en haar moeder, nu zij kort na het incident hebben waargenomen dat aangeefster emotioneel was en aan hen heeft verteld wat haar was overkomen. Daarnaast acht de rechtbank de verklaring van aangeefster betrouwbaar, nu zij geen wisselende verklaringen heeft afgelegd. Aangeefster heeft steeds verklaard dat zij plotseling tegelijkertijd bij haar borst en haar vagina is gegrepen door verdachte. De verklaring van verdachte, dat hij aangeefster niet bij haar borst heeft gepakt en haar slechts per ongeluk bij haar onderkant heeft aangeraakt, is daarmee niet aannemelijk geworden.

De rechtbank acht op basis van voornoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft aangerand door haar onverhoeds vast te pakken bij haar borst en haar vagina.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte:

op 13 maart 2020 te Amsterdam, door een andere feitelijkheid, [aangeefster] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, die [aangeefster] onverhoeds en staande in een kleine ruimte over haar kleding bij haar borst en bij haar vagina gepakt.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straf

7.1

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 70 uren. Zij heeft bij het bepalen van haar strafeis de Richtlijnen van het Openbaar Ministerie als uitgangspunt genomen en ziet geen reden om daarvan af te wijken.

7.2

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft verzocht, gelet op de omstandigheden dat verdachte een blanco strafblad heeft en al genoeg is gestraft, een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.

7.3

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan aanranding door het slachtoffer over haar kleding bij haar borst en haar vagina vast te pakken. Het slachtoffer was toen pas zestien jaar oud. Uit de voorgelezen slachtofferverklaring ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de gebeurtenis emotioneel gezien impact heeft gehad op het leven van het slachtoffer. Het slachtoffer heeft na de gebeurtenis slaapproblemen gehad en zij is een paar dagen ziek geweest. Verdachte heeft haar vertrouwen beschaamd, omdat hij in hetzelfde restaurant werkte en de vader is van een andere collega. Bovendien heeft verdachte met zijn handelen een inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de (hoogte van de) op te leggen straf gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de gebeurtenis ook voor verdachte grote gevolgen heeft gehad. Hij werd na het plegen van het strafbare feit op staande voet ontslagen, zijn relatie is onder druk komen te staan en zijn vrouw heeft een echtscheidingsprocedure aangekondigd. Deze omstandigheden weegt de rechtbank in het voordeel van verdachte mee. Daarnaast houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat hij zich nooit eerder heeft schuldig gemaakt aan het plegen van strafbare feiten.

Alles overwegende zal de rechtbank aan verdachte een voorwaardelijke taakstraf van 40 uren, met een proeftijd van twee jaren opleggen. Met oplegging van een voorwaardelijke straf wil de rechtbank voorkomen dat verdachte zich in de toekomst opnieuw schuldig zal maken aan het plegen van strafbare feiten.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [aangeefster] vordert € 500,00 aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde schade kan worden toegewezen tot een bedrag van € 300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2

Standpunt van de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering.

8.3

Oordeel van de rechtbank

Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade als de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In het geval dat een benadeelde aangeeft dat sprake is van een aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’, zal diegene met concrete gegevens deze aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ moeten onderbouwen. Hiervan is in ieder geval sprake in het geval dat de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen in de vorm van een medisch erkend ziektebeeld.

In dat verband is van belang dat niet is uitgesloten dat de aard en ernst van het strafbare feit en de daaruit voortvloeiende nadelige gevolgen voor de benadeelde grond kunnen bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Ook in het geval dat geen sprake is van een medisch erkend ziektebeeld is dat mogelijk. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan.

De rechtbank is van oordeel dat de inbreuk op de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij kan worden aangemerkt als een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’, zodat de benadeelde partij vergoeding van immateriële schade toekomt. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, zoals genoemd onder 7.3, en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schade naar billijkheid op € 300,00. Deze schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum waarop het strafbare feit is gepleegd (13 maart 2020).

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, omdat behandeling van de overige schade een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opgelegd, zodat de benadeelde partij de opgelopen schade niet zelf hoeft te innen en de schade ook vergoed krijgt als verdachte die niet kan betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast van maximaal 6 dagen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f en 246 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

feitelijke aanranding van de eerbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 40 (veertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 (twintig) dagen.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [aangeefster] toe tot een bedrag van € 300 (driehonderd euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [aangeefster] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [aangeefster] aan de Staat € 300 (driehonderd euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (13 maart 2020) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 6 (zes) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. J.G. Vegter en J. van Zijl, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.P.M. Smeets, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 april 2021.

[...]