Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2113

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
C/13/681533 / HA ZA 20-326
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Uitleg van de ter zitting bij het hof gemaakte afspraak over de tenuitvoerlegging en de executie van het vonnis van de rechtbank. Redelijke uitleg brengt mee dat eiser geen aanspraak kan maken op verbeurde dwangsommen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/681533 / HA ZA 20-326

Vonnis van 14 april 2021 (bij vervroeging)

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [eiser 2],

mede in hun hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige [minderjarige] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

eisers,

advocaat mr. M.M.P.M. Lousberg te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde,

advocaat mr. A.C. de Die te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser 1] en [eiser 2] (tezamen [eiser] in mannelijk enkelvoud) en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 17 maart 2020, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 11 november 2020, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    de akte overlegging nadere productie 10 van [eiser] ,

  • -

    het proces-verbaal van de op 19 maart 2021 gehouden mondelinge behandeling.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

1.3.

[eiser] heeft de procedure tegen [gedaagde] aanhangig gemaakt mede in zijn hoedanigheid als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige [minderjarige] . Aangezien het een executiegeschil betreft waarin [eiser] niet als persoon maar uitsluitend in zijn hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger heeft geprocedeerd, verstaat de rechtbank het aldus dat uitsluitend de ouders in hun hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger optreden.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] en [eiser 2] zijn de ouders van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2004 (hierna: [minderjarige] ). [minderjarige] was begin 2010 onder behandeling bij kindertherapeute [gedaagde] , die toen een praktijk had waarbij zij onder meer kinderen behandelde met speltherapie. Na een aantal behandelsessies hebben [eiser 1] en [eiser 2] de behandeling van [minderjarige] bij [gedaagde] beëindigd.

2.2.

[gedaagde] heeft begin april 2010 een melding gedaan bij het toenmalige Advies en Meldpunt Kindermishandeling (AMK). De toenmalige school van [minderjarige] heeft ook een melding gedaan bij het AMK. Gedurende de periode van 9 april 2010 tot en met 30 juni 2011 is [minderjarige] onder toezicht gesteld.

2.3.

Na deze periode hebben [eiser 1] en [eiser 2] [gedaagde] herhaaldelijk verzocht om inzage in het medisch dossier van [minderjarige] (hierna: dossier). [gedaagde] verzette zich daartegen vanwege het belang van [minderjarige] , haar geheimhoudingsplicht en haar verantwoordelijkheid als goed hulpverlener. [eiser 1] en [eiser 2] hebben daarop [gedaagde] gedagvaard. Bij vonnis van 3 mei 2017 heeft deze rechtbank de vordering van [eiser] toegewezen (hierna: vonnis). De beslissing van de rechtbank luidt, voor zover hier van belang:

“De rechtbank

3.1.

veroordeelt [gedaagde] om binnen 5 werkdagen na betekening van dit vonnis afschrift te verstrekken aan [eiser 1] en [eiser 2] , in hun hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van hun dochter [minderjarige] , van alle bescheiden deel uitmakend van het dossier van [minderjarige] middels het bezorgen van die afschriften op het kantooradres van hun advocaat,

3.2.

bepaalt dat [gedaagde] voor iedere dag dat zij nalaat geheel aan de veroordeling onder 3.1 te voldoen aan [eiser 1] en [eiser 2] een dwangsom verbeurt van € 250,--, met een maximum van € 25.000,--, (…)”

2.4.

Op 8 mei 2017 heeft [eiser] het vonnis laten betekenen aan [gedaagde] .

2.5.

Op dezelfde dag, 8 mei 2017, heeft [gedaagde] spoedappel ingesteld bij het hof Amsterdam, alsmede een vordering in incident ex artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 mei 2017.

2.6.

Bij brief van 9 mei 2017 heeft [gedaagde] het hof verzocht uiterlijk 15 mei 2017 bij wege van voorlopige maatregel te bepalen dat de veroordeling tot het voldoen van dwangsommen wordt opgeschort totdat in het incident is beslist.

2.7.

Het hof heeft ter zitting van 1 juni 2017 het incident behandeld waarvan proces-verbaal is opgemaakt en waarin het volgende is vermeld, voor zover hier van belang:

“Op de vraag van de advocaat van [eiser] antwoordt de voorzitter dat indien partijen instemmen met de benoeming van een bijzonder curator, de behandeling van de zaak inderdaad zal worden aangehouden, met dien verstande dat vanwege dat onderzoek het verbeuren van dwangsommen op grond van het vonnis van 3 mei 2017 dient te worden geschorst.”

(…)

“De voorzitter wil met partijen afspreken dat in afwachting van de verdere behandeling van de uitkomsten van het onderzoek de tenuitvoerlegging van dwangsommen wordt geschorst. (…) De voorzitter vraagt partijen of zij tevens kunnen afspreken dat de dwangsommen niet zullen worden geëxecuteerd totdat het hof een arrest zal hebben gewezen waarin een bijzondere curator wordt benoemd en waarbij de tenuitvoerlegging van het bestreden vonnis van 3 mei 2017 wordt geschorst.

mr. Hendriks [advocaat [eiser] , rb]:

Akkoord.

mr. De Die [advocaat [gedaagde] , rb]:

Akkoord, met dien verstande dat er niet wordt geëxecuteerd met ingang van de vijfde dag na betekening van het vonnis van 3 mei 2017. Aangezien het vonnis op 8 mei 2017 is betekend en 16 mei 2017 de zesde werkdag is na 8 mei 2017, verzoek ik in het proces-verbaal te vermelden dat er niet wordt geëxecuteerd vanaf 16 mei 2017.”

2.8.

Bij arrest van 4 juli 2017 heeft het hof de tenuitvoerlegging van het vonnis geschorst.

2.9.

Op 20 maart 2018 heeft een voortzetting van het pleidooi bij het hof plaatsgevonden.

2.10.

Op 27 maart 2018 (met nog enkele nagekomen stukken op 30 maart 2018) heeft [gedaagde] het dossier afgegeven aan het kantooradres van de raadsvrouw van [eiser]

2.11.

Op 3 april 2018 heeft [eiser] een akte houdende verzoek uitspraak over verschuldigdheid dwangsommen genomen bij het hof. Daarop heeft [gedaagde] op 1 mei 2018 gereageerd bij antwoordakte verschuldigdheid dwangsommen. Bij arrest van 18 december 2018 heeft het hof [eiser] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. Het hof heeft overwogen dat de vraag of [gedaagde] dwangsommen is verschuldigd aan [eiser] dient te worden voorgelegd aan de executierechter en niet aan de orde kan komen in de appelprocedure.

2.12.

Op 10 september 2019 heeft het hof eindarrest gewezen en het vonnis bekrachtigd.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank de door het hof bij arrest van 4 juli 2017 uitgesproken schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis opheft en voor recht verklaart dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan haar verplichtingen uit het vonnis en als gevolg daarvan dwangsommen verschuldigd is aan [eiser] ter hoogte van € 4.000,-.

3.2.

[eiser] legt - samengevat - aan zijn vordering ten grondslag de stelling dat het dossier zoals door [gedaagde] verstrekt nog niet volledig is en [gedaagde] daarmee niet aan het vonnis heeft voldaan. Op grond van het vonnis heeft [gedaagde] dwangsommen verbeurd. Ten aanzien van de verbeurde dwangsommen stelt [eiser] dat hij akkoord is gegaan met het verzoek tot schorsing gedurende de procedure bij het hof, maar niet met het verzoek van [gedaagde] dat de dwangsommen na 16 mei 2017 niet geëxecuteerd zullen worden. Nu het hof het vonnis niet met terugwerkende kracht heeft geschorst of bepaald dat er tot aan de zitting bij het hof (1 juni 2017) geen dwangsommen zouden zijn verbeurd, is [gedaagde] over de periode van 16 mei 2017 tot 1 juni 2017 dwangsommen verschuldigd aan [eiser] , aldus [eiser]

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Primair voert [gedaagde] aan dat zij geen dwangsommen is verschuldigd omdat het dossier zoals verstrekt volledig is. Subsidiair voert [gedaagde] aan dat beide partijen akkoord zijn gegaan met het verzoek van het hof dat de dwangsommen niet geëxecuteerd zullen worden. Deze afspraak staat executie, ook van de dwangsommen die eventueel verbeurd zijn in de periode van 16 mei 2017 tot 1 juni 2017, in de weg. Meer subsidiair betoogt [gedaagde] dat het onredelijk is als zij wordt veroordeeld tot betaling van dwangsommen, omdat zij op 8 mei 2017 spoedappel heeft ingesteld en daardoor voor [eiser] direct duidelijk was dat [gedaagde] bezwaren had tegen het vonnis. Tot slot voert [gedaagde] aan dat [eiser] geen belang meer heeft bij de vordering tot opheffing van de schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis van 3 mei 2017.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Uitgangspunt in dit geschil is het vonnis. [eiser] maakt op grond daarvan aanspraak op betaling van verbeurde dwangsommen over de periode 16 mei 2017 tot 1 juni 2017.

4.2.

Een debiteur verbeurt de door de rechter opgelegde dwangsom indien hij - na betekening van het vonnis waarbij de dwangsom is vastgesteld - de veroordeling niet of niet tijdig nakomt. Het opleggen van een dwangsom is daarmee een geldelijke prikkel ter verzekering van de nakoming van de veroordeling. Als de uitspraak uitvoerbaar bij voorraad is verklaard kan de debiteur onder meer schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis vorderen indien hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis (artikel 351 Rv).

4.3.

[gedaagde] heeft op 8 mei 2017, vijf dagen nadat het vonnis was uitgesproken en op de dag waarop het vonnis aan haar is betekend, hoger beroep ingesteld met daarbij een vordering ex artikel 351 Rv tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis. Voorts heeft [gedaagde] op 9 mei 2017 het hof bij wege van voorlopige maatregel verzocht te bepalen dat de dwangsomveroordeling wordt opgeschort totdat in het incident is beslist. Vastgesteld kan daarmee worden dat [gedaagde] dus direct actie heeft ondernomen om het verbeuren van dwangsommen te voorkomen.

4.4.

Verder kan vastgesteld worden dat partijen ter zitting bij het hof op 1 juni 2017 afspraken hebben gemaakt over de tenuitvoerlegging en de executie van het vonnis. Uit het proces-verbaal van die zitting maakt de rechtbank op dat de voorzitter eerst met partijen heeft afgesproken dat - in afwachting van de verdere behandeling van de procedure - de “tenuitvoerlegging van dwangsommen” wordt geschorst. Daarnaast is te lezen dat de voorzitter vraagt of partijen “tevens” een afspraak kunnen maken over de executie van de dwangsommen. Deze afspraak houdt volgens het proces-verbaal in dat de dwangsommen niet zullen worden geëxecuteerd totdat het hof een arrest heeft gewezen.

opheffing schorsing

4.5.

Met het wijzen van het eindarrest door het hof op 10 september 2019 is de eerder door het hof bij arrest van 4 juli 2017 uitgesproken schorsing van de tenuitvoerlegging van het vonnis geëindigd. Dit volgt uit de wijze waarop de vordering in het incident was ingesteld (primair schorsing totdat op het hoger beroep is beslist) maar ook uit artikel 351 Rv zelf. Dit artikel voorziet in de mogelijkheid om een specifiek onderdeel van een vonnis (namelijk de uitvoerbaar bij voorraad verklaring) te schorsen met als gevolg dat het vonnis niet langer ten uitvoer kan worden gelegd als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Nu het hof eindarrest heeft gewezen waarbij het vonnis is bekrachtigd, inclusief de in het vonnis opgenomen uitvoerbaar bij voorraad verklaring, is de schorsing geëindigd. [eiser] heeft derhalve geen belang bij de gevorderde opheffing van de schorsing zodat dit deel van de vordering wordt afgewezen.

executie dwangsommen

4.6.

Gedurende de procedure bij het hof is de vraag aan de orde geweest - in samenspraak met een door het hof benoemde bijzonder curator - of het in het belang van [minderjarige] is als [gedaagde] het dossier aan de ouders van [minderjarige] verstrekt, zoals in het vonnis is beslist. Na advies van de bijzonder curator hebben partijen uiteindelijk nadere afspraken gemaakt op basis waarvan [gedaagde] het dossier kort na het pleidooi van 20 maart 2018 bij het hof aan [eiser] heeft verstrekt. [eiser] heeft in onderhavige procedure weliswaar gesteld dat er meer stukken zouden zijn dan [gedaagde] heeft verstrekt maar daar verder geen gevolgen aan verbonden zodat de juistheid van deze stelling - die [gedaagde] ook heeft betwist - in het midden kan blijven.

4.7.

De vraag die in deze procedure overblijft is of [eiser] nog aanspraak kan maken op verbeurde dwangsommen over de periode 16 mei 2017 tot 1 juni 2017. Dat het dossier gedurende deze periode nog niet verstrekt was is niet in geschil. [eiser] stelt dat hij tijdens de mondelinge behandeling bij het hof (1 juni 2017) weliswaar afspraken heeft gemaakt met [gedaagde] over executie van het vonnis, maar dat hij niet akkoord is gegaan met de ‘wens’ van [gedaagde] om niet te executeren vanaf 16 mei 2017 (de rechtbank neemt aan dat steeds bedoeld is executie van dwangsommen die vanaf 16 mei 2017 tot 1 juni 2017 verbeurd zijn). [gedaagde] voert aan dat het voor haar juist een uitdrukkelijke voorwaarde was dat niet geëxecuteerd zou worden vanaf 16 mei 2017 en dat tegen de vastlegging daarvan in het proces-verbaal geen bezwaar is gemaakt zodat daaruit volgt dat dit een onderdeel is van de gemaakte afspraken.

4.8.

De rechtbank is van oordeel dat een redelijke uitleg van de afspraken die partijen op 1 juni 2017 bij en met het hof hebben gemaakt en wat daarna heeft plaatsgevonden meebrengt dat [eiser] geen aanspraak kan maken op de dwangsommen die vanaf 16 mei 2017 zijn verbeurd. Daartoe overweegt zij als volgt.

4.9.

In aanloop naar de zitting van 1 juni 2017 bij het hof moet het voor [eiser] duidelijk zijn geweest dat [gedaagde] bezwaar maakte tegen de veroordeling in het vonnis met de daaraan verbonden dwangsom. [gedaagde] had immers direct hoger beroep ingesteld, een incident geopend tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij voorraad en het hof om een voorlopige maatregel verzocht. Als vervolgens binnen een maand nadat het vonnis was gewezen afspraken worden gemaakt over schorsing van de executie van dat vonnis is het redelijk om aan te nemen dat die afspraken op de gehele executie van het vonnis zien en dat geen – subtiel – onderscheid is bedoeld te maken tussen de periode voorafgaand aan de zitting bij het hof en de periode daarna. Daarbij komt dat uit het proces-verbaal van die zitting volgt dat [gedaagde] expliciet heeft aangegeven dat voor haar de periode vanaf 16 mei 2017 onderdeel uitmaakt van de gemaakte afspraken. Dat dit slechts een voorstel is waar [eiser] niet mee heeft ingestemd of waartegen [eiser] bezwaar heeft gemaakt, zoals [eiser] aanvoert blijkt op geen enkele wijze uit het proces-verbaal (of ergens anders uit) zodat dit als onvoldoende onderbouwd wordt gepasseerd.

4.10.

[eiser] heeft nog gesteld, samengevat, dat los van de gemaakte afspraken heeft te gelden dat, nu het hof geen oordeel heeft gegeven over de status van de verbeurde dwangsommen vanaf 16 mei 2017 en het vonnis bij eindarrest is bekrachtigd, hij recht heeft op betaling van de verbeurde dwangsommen. De rechtbank volgt [eiser] niet in deze stelling. De op 1 juni 2017 bij en met het hof gemaakte afspraken voorzagen in een oplossing gedurende de periode van het hoger beroep. Zoals hiervoor overwogen (4.6) hebben partijen tijdens dit hoger beroep nadere afspraken gemaakt die ertoe geleid hebben dat het dossier aan [eiser] is afgegeven. Daarmee is het doel waarvoor de dwangsom in het vonnis was opgelegd, een geldelijke prikkel om afgifte van het dossier te bewerkstelligen, bereikt. Niet is gesteld of gebleken dat partijen bij de afgifte van het dossier in 2018 nadere afspraken hebben gemaakt over (verbeurde) dwangsommen. Uit de eigen verklaring van [eiser] ter zitting in onderhavige procedure volgt dat zijn voornaamste belang bij het thans nog vorderen van de in het verleden verbeurde dwangsommen is om [gedaagde] financieel te laten voelen wat [eiser] heeft doorstaan. Daarvoor was en is een dwangsom niet bedoeld.

4.11.

Hieruit volgt dat de vorderingen van [eiser] worden afgewezen.

4.12.

De rechtbank voegt hier nog het volgende aan toe. [eiser] heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat na het wijzen van dit vonnis, ongeacht de uitkomst, het geschil met [gedaagde] ook voor hem na 11 jaar tot een einde komt. De rechtbank spreekt haar hoop en vertrouwen uit - mede met het oog op het belang van [minderjarige] met wie het volgens [eiser] gelukkig goed gaat - dat met dit vonnis het geschil tussen partijen voorgoed is afgesloten.

4.13.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:

- griffierecht 937,00

- salaris advocaat 956,00 (2,0 punten × tarief € 478,00)

Totaal € 1.893,00

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.893,00,

5.3.

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiser] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 85,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, rechter, bijgestaan door mr. M. Sahin, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2021.