Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2095

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-04-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 3334
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenplicht door transacties met voertuigen niet te melden. Eisers hebben geen objectieve en verifieerbare gegevens van de transacties overgelegd waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Verjaringstermijn niet verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/3334

uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen

[eiser 1] en [eiser 2] , te Amsterdam, eisers

(gemachtigde: mr. drs. M.F. Achekar),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: A.A. Brouwer).

Procesverloop

Bij besluit van 26 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de uitkering van eisers op grond van de Participatiewet (PW) herzien en teruggevorderd.

Bij besluit van 6 mei 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld op een zitting van 12 maart 2021. Namens eisers is [eiser 1] verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft besloten de zaak aan te houden, omdat ter zitting bleek dat [eiser 1] de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om hetgeen wordt besproken voldoende te kunnen begrijpen. De behandeling is voortgezet op een zitting van 31 maart 2021 met behulp van een tolk in de Arabisch-Marokkaanse taal. De rechtbank heeft daarna het onderzoek gesloten en doet nu uitspraak.

Overwegingen

Aanleiding van deze procedure

1. Eisers (hierna ook: eiser of [eiser 1] ) ontvangen een bijstandsuitkering naar de norm van een gezin. Op 28 september 2014 heeft verweerder [eiser 1] gecontroleerd en de bijstandsgegevens naast de gegevens van de Dienst Wegverkeer (RDW) gelegd om de geregistreerde kentekens op naam van [eiser 1] met elkaar te vergelijken. Daaruit is gebleken dat [eiser 1] dertien voertuigen op zijn naam had staan in de periode 7 mei 2005 tot en met

27 februari 2014.

2. Eiser heeft op 16 oktober 2014 op het kantoor van verweerder in het bijzijn van zijn dochter vragen van verweerder beantwoord over de gegevens in het bestand van de RDW. Op basis van het onderzoek heeft verweerder geconcludeerd dat de transacties met de voertuigen zijn aan te merken als op geld waardeerbare activiteiten. Eisers hebben de transacties niet aan verweerder doorgegeven. Vervolgens heeft de afdeling Handhaving van verweerder nader onderzoek gedaan naar het recht op bijstand van eisers.

3. Omdat eisers geen gegevens betreffende (de aanschaf en verkoop van) de voertuigen hebben kunnen overleggen, is het recht op bijstand van eisers over de maanden waarin de voertuigen zijn verkocht, niet vast te stellen. Daarom heeft verweerder met het primaire besluit over de periode 1 december 2005 tot en met 30 april 2014 de bijstandsuitkering van eisers herzien (lees: ingetrokken) en de te veel betaalde bijstand over de maanden december 2005, juni 2006, juni 2007, september 2007, januari 2008, juni 2008, augustus 2010,

januari 2011, mei 2011, oktober 2013, november 2013 en april 2014 ter hoogte van €15.227,30 bruto teruggevorderd.

4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.

Standpunt van eisers

5. Eisers voeren aan dat zij de inlichtingenplicht niet hebben geschonden. [eiser 1] dacht dat hij de transacties van de voertuigen niet aan verweerder hoefde door te geven. Volgens [eiser 1] zijn de transacties geen op geld waardeerbare activiteiten. [eiser 1] erkent dat hij elf auto’s en twee aanhangwagens op zijn naam had staan. Dit is echter een beperkt aantal in negen jaar tijd en er is vrijwel geen overlapping van de registraties. Er is geen sprake van een doorlopende autohandel. Eiser wijst erop dat er zes voertuigen een langere periode op zijn naam geregistreerd stonden, maar dat deze waren bedoeld voor eigen gebruik. De voertuigen zijn door zijn zoon aangeschaft die in Italië woont. Zijn zoon mag in Nederland geen voertuigen op zijn naam zetten omdat hij in Italië woont. Zijn zoon heeft de auto’s naar Italië geëxporteerd. Eiser heeft gezorgd voor de export van de auto’s naar Italië. Voor de in- en verkoop en export heeft hij geen vergoeding ontvangen.

6. Als de rechtbank tot de conclusie komt dat de inlichtingenplicht wel is geschonden, stellen eisers zich op het standpunt dat het recht op bijstand in de periode 1 december 2005 tot en met 30 april 2014 wel is vast te stellen. Eiser heeft de transacties bijgehouden en heeft een bijlage uit zijn administratie overgelegd waaruit kan worden afgeleid wat de aan- en verkoopwaarden van de voertuigen zijn geweest.

Beoordeling door de rechtbank

7. Met ingang van 1 januari 2015 is de Wet Werk en Bijstand ingetrokken en vervangen door de PW. Op grond van het in artikel 78z, eerste lid, van de PW opgenomen overgangsrecht is in dit geval de PW van toepassing. De hier van belang zijnde bepalingen zijn niet veranderd. Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de PW, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

8. De rechtbank stelt voorts vast dat de periode in geding loopt van 1 december 2005 tot en met 30 april 2014. Verder is van belang om vast te stellen dat een intrekkingsbesluit een voor de betrokkene belastend besluit is, waarbij het volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te verzamelen. Het is aan verweerder om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan.1 Schending van de inlichtingenplicht als gevolg waarvan het recht op een bijstandsuitkering niet kan worden vastgesteld, is een grond voor intrekking van de uitkering.2

9. De rechtbank overweegt allereerst dat in zijn algemeenheid de aanschaf en verkoop van auto’s altijd bij het bijstandverlenend orgaan moet worden gemeld, zodat gecontroleerd kan worden in hoeverre deze activiteiten van invloed zijn op de vermogenspositie en daarmee op het recht op bijstand.3 Uit vaste rechtspraak volgt dat uit kentekenregistraties de directe betrokkenheid volgt van degene op wiens naam het voertuig geregistreerd staat of heeft gestaan. Als een persoon betrokken is geweest bij twee wijzigingen van de tenaamstelling van hetzelfde voertuig binnen een relatief korte periode en dit gebeurt bij verschillende auto’s, dan is het aannemelijk dat met betrekking tot die auto’s handelstransacties hebben plaatsgevonden. Daarbij wordt de datum van de tweede wijziging van de tenaamstelling, namelijk met ingang waarvan de kentekenregistratie op naam van betrokkene is geëindigd, als datum gehanteerd waarop de voor het recht op bijstand relevante transactie heeft plaatsgevonden.4 Mede gelet op de waarde die – ook oudere – voertuigen kunnen hebben, is in beginsel aannemelijk dat met deze transactie voor de persoon die hierbij betrokken was een onder omstandigheden aanzienlijk (financieel) belang gemoeid. Hierdoor rust er op eisers een inlichtingenverplichting tegenover het bijstandsverlenend orgaan. Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat hierbij niet alleen van belang is welke inkomsten daadwerkelijk zijn ontvangen, maar ook welke inkomsten redelijkerwijs hadden kunnen worden bedongen of ontvangen.5 De rechtbank oordeelt dan ook dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eisers hun inlichtingenplicht hebben geschonden en dat de transacties met de auto’s aangemerkt kunnen worden als op geld waardeerbare activiteiten.

10. De rechtbank moet nu beoordelen of als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Naar vaste rechtspraak levert schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het ligt dan op de weg van betrokkene om aannemelijk te maken dat, indien hij destijds wel de benodigde inlichtingen zou hebben verstrekt, het recht op bijstand nog steeds kon worden vastgesteld.

11. Naar het oordeel van de rechtbank zijn eisers hier niet in geslaagd. Eisers hebben een overzicht overgelegd waaruit blijkt wanneer de voertuigen zijn gekocht en verkocht, wat de aan- en verkoopprijs is geweest en of het voertuig bedoeld was voor eigen gebruik en/of de export. Dit door eisers zelf opgestelde overzicht wordt echter niet ondersteund door objectieve en verifieerbare informatie en/of gegevens. Er zijn bijvoorbeeld geen bankafschriften, transactiebonnen of vrijwaringsbewijzen overgelegd. Het gevolg hiervan is dat vanwege een inlichtingenverzuim over de transacties, het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld over de maanden waarin de voertuigen zijn verkocht. Het is ook niet aannemelijk geworden dat [eiser 1] nog beschikt of kan beschikken over objectieve en verifieerbare gegevens die zijn betoog ondersteunen en grond kunnen vormen om het recht op bijstand wél te kunnen vaststellen. Uit het rapport van bevindingen van het gesprek op

16 oktober 2014 van de afdeling Handhaving blijkt namelijk dat [eiser 1] eerder heeft verklaard dat hij niets heeft bewaard (de rechtbank begrijpt: stukken betreffende de voertuigen) en alles heeft weggegooid. Ter zitting heeft [eiser 1] verklaard dat hij niet over bewijsstukken beschikt van de aan- en verkoop van de voertuigen.

12. Voorts geldt dat eiser op bepaalde punten, op zijn minst genomen, geen eenduidig beeld heeft gegeven. Dit help niet om een betrouwbaar beeld te verkrijgen over de feiten aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of eisers recht hebben op bijstand. Zo heeft eiser pas in de gronden van zijn beroep vermeld dat zes voertuigen niet voor de autohandel zijn gebruikt maar voor eigen (consumptief) gebruik hebben gediend. Hoewel dat wel voor de hand had gelegen, heeft eiser dit niet verklaard tijdens het gesprek op 16 oktober 2014. Over de aanschaf van de voertuigen heeft eiser in de gronden aangegeven dat hij de overige (dus: zeven) voertuigen in opdracht van zijn zoon heeft aangeschaft, terwijl eiser op

16 oktober 2014 heeft verklaard dat zijn zoon de auto’s heeft aangeschaft. Over de export van de voertuigen, tenslotte, heeft eiser op 16 oktober 2014 verklaard dat zijn zoon de voertuigen heeft geëxporteerd, maar in de beroepsgronden staat vermeld dat eiser er voor heeft gezorgd dat de overige voertuigen naar Italië werden geëxporteerd.

13. Het geheel overziende, heeft verweerder dan ook terecht geconcludeerd dat als gevolg van schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand over de maanden in geding niet kan worden vastgesteld. Verweerder is daarom terecht overgegaan tot intrekking van de bijstand over die maanden. Over de wijze waarop verweerder van zijn bevoegdheid tot terugvordering gebruik heeft gemaakt, hebben eisers geen gronden aangevoerd.

14. Voor zover [eiser 1] heeft aangevoerd dat de verjaringstermijn voor de terugvorderingsbevoegdheid is verstreken, overweegt de rechtbank als volgt. In de PW is niet bepaald binnen welke termijn een intrekkings- of terugvorderingsbesluit moet worden genomen. Daarom moet voor de verjaring aansluiting worden gezocht bij het Burgerlijk Wetboek (BW). Een rechtsvordering uit onverschuldigde betaling verjaart door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldeiser zowel met het bestaan van zijn vordering als met de persoon van de ontvanger bekend is geworden.6 Aansluiting zoekend bij dit artikel vangt de verjaringstermijn voor het nemen van een besluit tot intrekking of terugvordering van bijstand aan op het moment dat verweerder bekend is geworden met feiten of omstandigheden op basis waarvan voldoende duidelijk is dat een besluit omtrent intrekking en terugvordering in de rede ligt.7

15. De rechtbank stelt vast dat verweerder op 16 oktober 2014 bekend is geworden met de feiten en omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven tot terugvordering van de uitkering wegens onverschuldigde betaling. De verjaringstermijn ving daarom aan op 16 oktober 2014. Verweerder heeft het primaire besluit op 26 september 2019 genomen. De verjaringstermijn verstreek 16 oktober 2019. Alhoewel de rechtbank kan begrijpen dat eisers het erg lang vonden duren voordat verweerder een besluit nam, is het besluit wel genomen binnen de wettelijke termijn. De terugvordering is daarom nog niet verjaard.

Conclusie

16. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen dus geen gelijk.

17. Bij deze uitkomst bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mazurel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2046.

2 Zie artikel 54, derde lid, van de PW.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1356.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3365.

5 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2145.

6 Dit volgt uit artikel 3:309 BW.

7 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 30 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:212.