Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2092

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
15-06-2021
Zaaknummer
AMS 20/5151
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ziektewetuitkering, arbeidsgeschiktheid. Medische beoordeling zorgvuldig. Eiser heeft niet met medische stukken onderbouwd waarom verdergaande beperkingen aangenomen moeten worden. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/5151

[eiseres] , te Amsterdam, [eiseres]

(gemachtigde: mr. R.E. Zalm),

en

de raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: R. Hopster).

Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en het Uwv.

Procesverloop

Bij besluit van 4 juni 2020 (het primaire besluit) heeft het Uwv vastgesteld dat [eiseres] per 16 september 2019 arbeidsgeschikt is in de zin van de Ziektewet.

Bij besluit van 21 augustus 2020 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard.

[eiseres] heeft daartegen beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2021 via een skype-verbinding.

[eiseres] en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Met het besluit van 14 maart 2019 heeft het Uwv de aanvraag van [eiseres] om toekenning van een WIA1-uitkering per 16 mei 2019 geweigerd. [eiseres] is namelijk minder dan 35% arbeidsongeschikt. Het Uwv heeft het bezwaar van [eiseres] tegen dit besluit ongegrond verklaard. het Uwv heeft zich daarbij gebaseerd op de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 juni 2019, de functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 24 juni 2019 en de rapportage van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 juli 2019. Met het besluit van 7 juni 2019 heeft het Uwv aan [eiseres] met ingang van

16 mei 2019 een WW2-uitkering toegekend. Per 16 september 2019 heeft [eiseres] zich vanuit de situatie dat zij een WW-uitkering ontving ziek gemeld, waarna het Uwv bij besluit van 16 december 2019 een Ziektewetuitkering heeft toegekend. Vervolgens is zij uitgenodigd voor een verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

2. Bij het primaire besluit heeft het Uwv [eiseres] met ingang van 16 september 2019 arbeidsgeschikt geacht in de zin van de Ziektewet. De primaire arts3 heeft met de rapportage van 30 januari 2020 en de aanvullende rapportage van 2 juni 2020 vastgesteld dat er enige beperkingen aanwezig zijn in het gebruik van beide armen. Ondanks deze beperkingen is [eiseres] volgens hem wel geschikt voor de maatgevende arbeid. De maatgevende arbeid is in dit geval ten minste één van de functies die als passend beoordeeld zijn tijdens de WIA-beoordeling per 16 mei 2019. Om billijkheidsgronden heeft het Uwv de arbeidsgeschiktheidsbeslissing vastgesteld in de toekomst, namelijk op 6 juni 2020.

3. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 17 augustus 2020 de in bezwaar overgelegde medische stukken betrokken. Zij komt tot de conclusie dat een heroverweging van de belastbaarheid op 16 september 2019 niet leidt tot herziening van de arbeidsgeschiktheidsbeslissing van de primaire arts. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep concludeert in haar rapportage van 17 augustus 2020 dat [eiseres] geschikt is voor de maatgevende arbeid.

Standpunt van [eiseres]

4. [eiseres] voert aan dat haar belastbaarheid ernstig wordt onderschat. Ze is wel degelijk arbeidsongeschikt in de zin van de Ziektewet per 16 september 2019 en de beëindiging van de Ziektewetuitkering is dus onterecht. [eiseres] omschrijft alle beperkingen die volgens haar moeten worden opgenomen in de FML.

Beoordelingskader

5. Op grond van artikel 19 van de Ziektewet heeft de verzekerde – kort gezegd – recht op ziekengeld bij ongeschiktheid tot het verrichten van ‘zijn arbeid’ als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek.

6. Op grond van vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep dient onder ‘zijn arbeid’ te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.4 Wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, geldt een andere maatstaf. Dan geldt als maatstaf arbeid zoals nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van de aanspraak van betrokkene op een WIA-uitkering. Van ongeschiktheid in de zin van de Ziektewet is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA. Dit betekent dat aan de voorwaarde van artikel 19aa, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ziektewet niet is voldaan, indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies waarvoor hij in het kader van de eerdere WIA-beoordeling geschikt is geacht.

Het oordeel van de rechtbank

7. In dit geval moet onder ‘zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van de Ziektewet worden verstaan: één van de functies waarvoor [eiseres] bij de WIA-beoordeling per 16 mei 2019 geschikt is geacht. De functie van archiefmedewerker (SBC-code 553020) is er daar in dit geval één van.

8. het Uwv mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan [eiseres] om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen.

Het medisch onderzoek

9. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verzekeringsartsen zorgvuldig medisch onderzoek verricht. De primaire arts heeft het dossier bestudeerd en [eiseres] op het spreekuur van 27 januari 2020 gedurende zestig minuten gezien en haar lichamelijk en psychisch onderzocht. Naar aanleiding daarvan heeft hij het noodzakelijk geacht om informatie op te vragen bij de behandelaar van [eiseres] met betrekking tot haar hand- en armklachten. Uit de informatie van de behandelaar is gebleken dat deze de diagnoses radiaal tunnel syndroom en epicondylitis lateralis bij [eiseres] heeft vastgesteld. In de vervolgrapportage van 2 juni 2020 heeft de primaire arts de diagnoses en de informatie van de behandelaar bij zijn beoordeling betrokken.

10. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft ook het dossier bestudeerd. Daarnaast heeft zij de telefonische hoorzitting bijgewoond en de in bezwaar door [eiseres] overgelegde medische informatie onderzocht en bij haar beoordeling betrokken. Het gaat daarbij om een medisch dossier van circa vijfhonderd pagina’s én een dossier van de handtherapie.

De medische beoordeling

11. Aan de hand van de medische stukken en zijn eigen expertise heeft de primaire arts de beperkingen van [eiseres] vastgelegd. De primaire arts acht enige beperkingen aanwezig in het gebruik van beide armen: zwaar tillen, het zeer frequent tillen van lichte voorwerpen van 1 kilo (dagelijks voorkomend > 300 keer per uur), langdurig boven schouderhoogte actief zijn en het moeten uitvoeren van schroefbewegingen met kracht of andere zware belastingen of piekbelastingen. Deze beperkingen kunnen worden geobjectiveerd, maar in de functie van archiefmedewerker wordt de belastbaarheid van [eiseres] niet overschreden. De primaire arts concludeert daarom dat [eiseres] per 16 september 2019 doorlopend geschikt is voor de maatgevende arbeid. De verzekeringsarts bezwaar en beroep neemt de beoordeling van de primaire arts over en motiveert daarnaast waarom andere klachten van [eiseres] zich niet laten vertalen naar medische beperkingen. Uit de in bezwaar overgelegde medische informatie komt namelijk geen ander medisch beeld naar voren dan reeds bekend is en meegewogen is door de primaire arts. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wijst er bovendien op dat [eiseres] niet met medische stukken onderbouwd heeft waarom verdergaande beperkingen aangenomen moeten worden. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan de bevindingen en het medisch oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen.

Het arbeidskundig onderzoek

12. Bij de vraag of [eiseres] geschikt is voor de functie die de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voor haar heeft geselecteerd, gaat de rechtbank uit van de beperkingen zoals deze zijn vastgelegd in de FML van 24 juni 2019. Daarnaast gaat de rechtbank uit van de beperkingen die in aanvulling op de FML van 24 juni 2019 genoemd en aangenomen zijn door de primaire arts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

13. Het Uwv heeft zich naar het oordeel van de rechtbank op het rapport van 17 augustus 2020 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep kunnen baseren. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft toegelicht waarom [eiseres] , gelet op haar medische beperkingen, geschikt wordt geacht voor de geduide functie van archiefmedewerker. De rechtbank heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de geduide functie in medisch opzicht voor [eiseres] niet geschikt is. Daar waar sprake is van signaleringen en mogelijke overschrijdingen heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende onderbouwd waarom de geduide functie geschikt is voor [eiseres] . Zij heeft overleg gepleegd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de signalering met betrekking tot

4.3.8 Repetitieve hand- en vingerbewegingen. In de functie van archiefmedewerker is er sprake van telkens herhalende bewegingen, maar deze zijn verdeeld over de werkdag en vinden niet in een gedwongen tempo plaats. Daarnaast gaat het om lichte handelingen zonder gebruik van kracht. De conclusie na het overleg met de verzekeringsarts bezwaar en beroep is dat de belasting op dit punt niet bezwaarlijk is.

Conclusie

14. het Uwv heeft [eiseres] op 16 september 2019 terecht arbeidsgeschikt geacht in de zin van de Ziektewet. Het beroep is ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling of teruggave van het griffiegeld bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.F. de Lemos Benvindo, rechter, in aanwezigheid van

mr. R. Camps, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.

2 WW: Werkloosheidswet.

3 Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is uitgevoerd door een arts en vervolgens is het Sociaal Medisch Oordeel getoetst en akkoord bevonden door een verzekeringsarts.

4 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1985.