Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:204

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2021
Datum publicatie
29-01-2021
Zaaknummer
C/13/673498 / HA ZA 19-1070
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Reisovereenkomst pakketreis. Bedevaartreis non-conform; voldoet niet aan redelijke verwachtingen. Meerdere klachten. Schadevergoeding slecht hotel toegewezen. Aanvullende immateriële schadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/673498 / HA ZA 19-1070

Vonnis van 27 januari 2021

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [eiser 2],

wonende te [woonplaats] ,

3. [eiser 3],

wonende te [woonplaats] ,

4. [eiser 4],

wonende te [woonplaats] ,

5. [eiser 5],

wonende te [woonplaats] ,

6. [eiser 6],

wonende te [woonplaats] ,

7. [eiser 7],

wonende te [woonplaats] ,

8. [eiser 8],

wonende te [woonplaats] ,

9. [eiser 9],

wonende te [woonplaats] ,

10. [eiser 10],

wonende te [woonplaats] ,

11. [eiser 11],

wonende te [woonplaats] ,

12. [eiser 12],

wonende te [woonplaats] ,

13. [eiser 13],

wonende te [woonplaats] ,

14. [eiser 14],

wonende te [woonplaats] ,

15. [eiser 15],

wonende te [woonplaats] ,

16. [eiser 16],

wonende te [woonplaats] ,

eisers,

advocaat mr. L. Barou te De Meern,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. E. El-Sharkawi te 's-Gravenhage.

Partijen zullen hierna [eisers] en [gedaagde] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 4 oktober 2019, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord, met producties,

  • -

    het tussenvonnis van 4 maart 2020, waarin ambtshalve een mondelinge behandeling is bepaald,

  • -

    het proces-verbaal van mondelinge behandeling van 10 december 2020, met de daarin genoemde stukken

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eisers] hebben in augustus 2018 een bedevaartreis gemaakt naar heilige Islamitische plaatsen in Saoedi-Arabië, waaronder Medina en Mekka. Deze bedevaartreis is één van de vijf zuilen van de Islam en heet ook wel ‘Hadj’. Het doel van de bedevaart is om van zonden te worden gereinigd, waardoor moslims dichterbij Allah kunnen komen.

2.2.

De bedevaartreis die [eisers] hebben gemaakt was georganiseerd door reisbureau [reisbureau 1] . [gedaagde] is de eigenaar van het reisbureau [reisbureau 1] en is een door de Saoedische autoriteiten erkende reisorganisatie die in bezit is van een vergunning voor het organiseren van de jaarlijkse Hadj.

2.3.

De overeenkomst die [reisbureau 1] / [gedaagde] met de reizigers heeft gesloten, zag er als volgt uit, dit is het exemplaar van de heer [eiser 10] :

Om privacy redenen wordt de afbeelding niet getoond

2.4.

Tijdens de bedevaartreis verbleven veertien reizigers tijdens hun verblijf in Mekka in het hotel Jamjoom Ajyad (hierna: hotel Jamjoom). Alleen twee reizigers, de heer [eiser 10] en zijn vrouw [eiser 11] (hierna samen: de heer en mevrouw [eiser 10 en 11] ), verbleven in een ander hotel, het hotel Waha Aiyad 2 (hierna: hotel Waha 2).

2.5.

De veertien reizigers die in het hotel Jamjoom verbleven, hebben bij aankomst in dit hotel geklaagd dat de hotelkamers niet schoon waren. [gedaagde] heeft hierna bij de receptie van het hotel gemeld dat de kamers niet schoon waren en dat het beddengoed niet was vervangen. Hierna hebben schoonmakers de hotelkamers schoongemaakt en is het beddengoed vervangen.

2.6.

Op de website van [reisbureau 1] staat het aanbod voor de bedevaartreis van 2018 beschreven:

Om privacy redenen wordt de afbeelding niet getoond.

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis – samengevat – veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 76.911,14, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 18 juni 2019 en proces- en nakosten.

3.2.

[eisers] leggen aan hun vordering ten grondslag dat de bedevaartreis niet is uitgevoerd volgens hetgeen zij redelijkerwijs mochten verwachten. De accommodaties waren vervuild – met name de hotels in Mekka terwijl er drie of vijf sterren hotels waren overeengekomen – er was geen vervoer/transfer naar de hotels en de maaltijden zouden inclusief zijn maar waren er niet. Hierover is geklaagd bij [gedaagde] , maar het geboden alternatief voldeed niet en hebben zij daarom niet geaccepteerd.

Voor het gederfde reisgenot vorderen zij een schadevergoeding die minimaal 50 % van de totale reissom bedraagt, hetgeen neerkomt op € 54.050,-, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in 6:119 BW ter hoogte van € 3.151,19. Ook vorderen ze ook de kosten van de juridische bijstand van € 3.710,25 en een immateriële schadevergoeding van totaal € 16.000,- (€ 50,- per persoon voor 20 dagen).

3.3.

[gedaagde] voert verweer. Hij voert aan dat de doelstelling van de bedevaartreis, het verrichten van de vijfde zuil van de Islam, de Hadj, is gerealiseerd. De overeengekomen prestatie is dus verricht. Bijna alle elementen van de overeenkomst voldoen volgens de reizigers; het Hadj-visum, de vlucht van Nederland naar Saoedi-Arabië en terug, binnenlandse vluchten en de begeleiding tijdens de reis. Alleen over het verblijf is onenigheid. [gedaagde] betwist dat is overeengekomen dat de hotels een bepaald aantal sterren zouden hebben. Dat een aantal kamers van het hotel in Mekka nog niet schoon waren toen de reizigers daar aan kwamen, klopt. [gedaagde] heeft echter meteen actie ondernomen en dit aangekaart bij het hotel, waarna het hotel alsnog alles heeft schoongemaakt. Ook heeft [gedaagde] zelfs nog een alternatief hotel aangeboden, maar dit werd niet door de reizigers geaccepteerd omdat het te ver van de moskee af lag. Er is dus geen sprake van gederfd reisgenot dan wel een tekortkoming.

De hoogte van de schadevergoeding voor het gederfd reisgenot wordt betwist, evenals de immateriële schadevergoeding, de wettelijke rente en de kosten voor de rechtsbijstand.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat alle zestien reizigers een overeenkomst hadden gesloten met [reisbureau 1] / [gedaagde] voor de bedevaartreis.

Nu niet bekend is of de overeenkomsten zijn gesloten voor of na 1 juli 2018 staat niet vast of de tot 1 juli 2018 geldende regeling van de Reisovereenkomst dan wel de na die datum geldende regeling moet worden toegepast. Dit is echter niet van belang, nu voor zover in deze zaak van belang de regelingen niet wezenlijk van elkaar verschillen.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de bedevaartreis conform de overeenkomst is verlopen. [eisers] stellen dat er meerdere tekortkomingen zijn; [gedaagde] betwist die. Deze gestelde tekortkomingen zullen achtereenvolgens worden beoordeeld.

Norm

4.3.

Op grond van artikel 7:500 lid 1 onder b BW (oud) respectievelijk artikel 7:500 onder b BW (nieuw) kan deze bedevaartreis worden gedefinieerd als een ‘pakketreis’. De bedevaartreis bestaat immers uit tenminste twee verschillende diensten (in dit geval o.a. vervoer, verblijf en visum), waarbij de reizigers een vooraf samengesteld pakket overeenkomen in één overeenkomst met één reisorganisator/organisator, [gedaagde] .

4.4.

Volgens artikel 7:507 lid 1 BW (oud) respectievelijk artikel 7:510 BW (nieuw) is het de hoofdverplichting van de (reis)organisator, [gedaagde] , dat de overeengekomen pakketreis wordt uitgevoerd overeenkomstig de verwachtingen die de reiziger op grond van de overeenkomst redelijkerwijs mocht hebben.

Transfer / vervoer

4.5.

[eisers] hebben niet duidelijk gemaakt of de transfer van het vliegveld naar het hotel in Mekka bij aankomst helemaal niet is gekomen of slechts te laat was. [gedaagde] betwist dat de transfer helemaal niet is gekomen. [gedaagde] heeft toegelicht dat het normaal, dan wel gebruikelijk is dat tijdens de Hadj vervoer wel eens te laat is vanwege de enorme drukte en dat dit daarom geen tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst oplevert. Dit betoog van [gedaagde] is onvoldoende gemotiveerd betwist en wordt dan ook gevolgd.

De stelling van [eisers] dat [gedaagde] op basis van zijn ervaring met de drukte tijdens de Hadj dit had kunnen voorkomen, gaat niet op. Dit is immers een omstandigheid waar [gedaagde] nu juist geen invloed op heeft en [eisers] hadden hier anderzijds juist rekening mee moeten houden, gezien de algemeen bekende drukte tijdens de bedevaartreis.

4.6.

Daarnaast hebben [eisers] gesteld dat de heer en mevrouw [eiser 10 en 11] in een ander hotel zaten en dat de transfer naar dit hotel niet was geregeld waardoor zij moesten lopen, of in ieder geval tot midden in de nacht hebben moeten wachten op de transfer. Dit levert wel een tekortkoming op. [eisers] hebben immers gesteld dat zij een overeenkomst hebben gesloten waarbij de transfers waren inbegrepen, ook voor dit hotel. [gedaagde] heeft dit betwist en heeft aangevoerd dat bij het goedkopere hotel waar de heer en mevrouw [eiser 10 en 11] verbleven de transfer niet inbegrepen was en zij dus van het hotel waar zij waren afgezet naar het hotel waar ze logeerden hadden moeten lopen. Uit de door [gedaagde] zelf overgelegde overeenkomst, van de heer [eiser 10] , blijkt echter dat ‘vervoer voor hele reis’ inbegrepen was (zie 2.3).

Het verweer van [gedaagde] dat niet is gebleken dat sprake is van tekortkoming tenzij [eiser 10 en 11] aantoont dat hij extra kosten heeft moeten maken voor ander vervoer slaagt niet. [eisers] hebben dus voldoende gesteld dat de transfer is overeengekomen en deze er niet was, waardoor de reis op dit punt niet aan de redelijke verwachtingen van de heer en mevrouw [eiser 10 en 11] voldeed en er dus sprake is van een tekortkoming.

Welke gevolgen dit heeft wordt besproken onder 4.16.

Maaltijden

4.7.

[eisers] hebben onvoldoende concrete omstandigheden gesteld waaruit volgt dat alle zestien reizigers de bedevaartreis hebben geboekt inclusief maaltijden. Reizigers konden er namelijk ook voor kiezen om de reis exclusief maaltijd te boeken. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden wie de reis inclusief maaltijden hadden geboekt en evenmin zijn concrete omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat bepaalde personen de overeengekomen maaltijden niet hebben gekregen. Een tekortkoming op dit punt kan daarom niet worden vastgesteld.

Verblijf

4.8.

Ten aanzien van het verblijf in hotel Waha 2 van de heer en mevrouw [eiser 10 en 11] is onvoldoende gebleken dat er concrete gebreken aanwezig waren in dit hotel. Er zijn geen foto’s van het hotel overgelegd waaruit dit zou blijken. Ook is niet gesteld dat er is geklaagd bij [gedaagde] over de gestelde gebreken. De blote stelling dat hotel Waha 2 ook vervuild was, is onvoldoende om aan te nemen dat dit hotel niet voldeed aan de verwachtingen. Er kan dus niet worden aangenomen dat sprake was van een tekortkoming ten aanzien van dit hotel.

4.9.

De overige veertien reizigers verbleven in Mekka in het hotel Jamjoom. Zij stellen ten eerste dat het hotel niet voldoet aan de redelijke verwachtingen omdat het geen enkele ster waard is terwijl een 3 of 5 sterren hotel is overeengekomen.

4.10.

[gedaagde] betwist op basis van de overgelegde overeenkomst (zie 2.3) en de informatie op zijn website (zie 2.6) dat hotels met een bepaald aantal sterren zijn overeengekomen. Nergens staat vermeld dat de hotels drie of vijf sterren zouden hebben. De door [eisers] in het geding gebrachte folder van [reisbureau 2] maakt dat niet anders, nu deze niet van hem afkomstig is en deze hem ook niet bekend was, aldus [gedaagde] .

4.11.

Het betoog van [gedaagde] slaagt; [eisers] hebben niets aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] verantwoordelijk is voor de folder van [reisbureau 2] en zij hebben ook overigens niets gesteld waaruit kan blijken dat in de door [gedaagde] gesloten reisovereenkomsten hotels met een bepaald aantal sterren waren overeengekomen.

4.12.

Ten tweede stellen [eisers] dat de staat van het hotel niet voldeed aan de verwachtingen; het hotel was vervuild, het beddengoed was verouderd en vervuild, sanitair zat los en was beschimmeld en er was ongedierte. Ter ondersteuning van hun standpunt hebben [eisers] bij dagvaarding verschillende foto’s overgelegd. Ter zitting hebben zij toegelicht wat er op de foto’s is te zien en dat dit foto’s zijn van het hotel Jamjoom gemaakt ná het schoonmaken van de kamers. [gedaagde] heeft betwist dat de foto’s van ná het schoonmaken zijn, volgens hem hebben [eisers] dat niet aangetoond. Verder wijst hij erop dat de foto’s alleen bepaalde details laten zien, maar geen algemeen beeld geven van het hotel.

4.13.

In het midden kan blijven of de foto’s voor of na het schoonmaken zijn genomen, Veel foto’s zijn van bepaalde details van de kamers of in de gangen. Er is geen totaalbeeld van het hotel aanwezig. Maar ook als wordt aangenomen dat na deze foto’s een schoonmaakbeurt is gevolgd, en als in ogenschouw wordt genomen dat het om detailfoto’s gaat, dan nog is uit deze foto’s wel af te leiden dat het een slecht onderhouden, ‘aftands’ hotel was. De reizigers hebben inderdaad zoals [gedaagde] meent een dak boven hun hoofd gehad, en konden aan hun hadj verplichtingen voldoen, waar het hen uiteindelijk om te doen was. Dat neemt niet weg dat deze reis moet voldoen aan de in de gegeven situatie redelijke verwachtingen en dat is niet anders als niet mocht worden uitgegaan van een bepaald aantal sterren, al is dat wel van invloed op wat redelijkerwijs mocht worden verwacht. De rechtbank volgt [eisers] in hun stelling dat het hotel niet voldoet aan de verwachtingen die zij redelijkerwijs mochten hebben. Door deze staat van het hotel is er sprake van enig gederfd reisgenot.

4.14.

Als gevolg van het gederfde reisgenot hebben [eisers] recht op een passende schadevergoeding c.q. prijsverlaging voor de periode waarin sprake was van gederfd reisgenot (non-conformiteit) op grond van artikel 7:507 lid 2 BW (oud) respectievelijk artikel 7:511 lid 1 BW (nieuw).

De rechtbank is van oordeel dat deze schadevergoeding c.q. prijsverlaging als gevolg van het gederfd reisgenot niet nauwkeurig kan worden vastgesteld en dat deze daarom op grond van artikel 6:97 BW moet worden geschat.

4.15.

Op de zitting heeft [gedaagde] toegelicht dat de prijs voor het hotel Jamjoom voor de totale periode van het verblijf in dat hotel ongeveer € 1.000,00 per persoon was. [eisers] stellen dat dit bedrag hoger is, echter zonder nadere onderbouwing. De rechtbank acht hun betwisting dan ook onvoldoende onderbouwd en is van oordeel dat gezien de in de reissom begrepen andere diensten geloofwaardig is dat de kosten voor dit hotel ongeveer 20 % van de totale reissom zijn.

Een passende prijsverlaging voor dit gederfde reisgenot wordt geschat op 15 % van de totale prijs voor dit hotel. Dit komt neer op € 150,00 per persoon.

Dit geldt voor alle veertien reizigers die in dit hotel verbleven; dat zijn alle eisers met uitzondering van de heer en mevrouw [eiser 10 en 11] .

4.16.

Zoals is overwogen in 4.6 hebben de heer en mevrouw [eiser 10 en 11] ook recht op een passende prijsverlaging ten aanzien van het gederfd reisgenot met betrekking tot de ten onrechte ontbrekende transfer naar hun hotel. Ook in dit geval kan de hoogte hiervan niet nauwkeurig worden vastgesteld en deze zal daarom worden geschat (artikel 6:97 BW). De rechtbank schat dit op € 150,- per persoon.

4.17.

Naast de schadevergoeding voor gederfd reisgenot vorderen [eisers] ook een vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 50,- per persoon per dag.

Het is mogelijk dat naast een passende prijsverlaging voor het gederfd reisgenot ook een passende schadevergoeding kan worden toegekend, zie artikel 7:510 BW (oud) respectievelijk artikel 7:511 lid 2 BW (nieuw). Onder het begrip schadevergoeding valt vermogensschade maar ook immateriële schade (HvJ 12 maart 2002, ECLI:EU:C:2002:163, [partij] /Tui), conform artikel 6:95 jo. 6:106 BW.

[eisers] hebben echter niet gesteld en onderbouwd op welke gronden zij naast het gederfde reisgenot recht hebben op een immateriële schadevergoeding, zodat die zal worden afgewezen.

Slotsom en proceskosten

4.18.

De conclusie is dat alle zestien reizigers een vergoeding van € 150,00 per persoon ontvangen wegens gederfd reisgenot.

4.19.

[eisers] hebben de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW gevorderd vanaf 18 juni 2019. Deze is betwist door [gedaagde] , omdat de vorderingen van [eisers] nog niet in rechte zijn vastgesteld.

4.20.

De rechtbank is van oordeel dat de wettelijke rente op grond van het bepaalde in artikel 6:83 onder b BW zou kunnen worden toegewezen vanaf het moment van de tekortkoming in de nakoming; dus kan deze in ieder geval worden toegewezen zoals gevorderd, namelijk vanaf 18 juni 2019.

4.21.

Ten aanzien van de gevorderde advocaatkosten van € 3.710,25 heeft [gedaagde] betoogd dat voor toewijzing hiervan geen grondslag is omdat er geen vordering voor vergoeding van buitengerechtelijke kosten is ingesteld. Nu de gevorderde advocaatkosten deel uitmaken van het gevorderde bedrag van € 76.911,14, terwijl daarnaast een proceskostenveroordeling wordt gevorderd, moet de vordering tot vergoeding van de “kosten juridische bijstand” kennelijk worden begrepen als vordering van een vergoeding van de buitengerechtelijke kosten. [eisers] hebben gesteld dat voorafgaand aan de dagvaarding buitengerechtelijke werkzaamheden hebben plaatsgevonden, die als zodanig niet zijn betwist. De buitengerechtelijke kosten zullen daarom over het toegewezen bedrag worden toegewezen overeenkomstig de wettelijke regeling, tot een bedrag van € 360,-.

4.22.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proces- en nakosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van [eisers] op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 106,46

- griffierecht 617,00

- salaris advocaat 922,00 (2,0 punten × tarief € 461,00)

Totaal € 1.645,46

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan [eisers] te betalen een bedrag van € 150,00 (éénhonderdvijftig euro) per persoon, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag met ingang van 18 juni 2019 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de buitengerechtelijke kosten tot een bedrag van € 360,-,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot op heden begroot op € 1.645,46,

5.4.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door
mr. E.H. van Kolfschooten, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2021.1

1 type: coll: