Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:202

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-01-2021
Datum publicatie
28-01-2021
Zaaknummer
13/845035-19 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van omkoping en witwassen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845035-19 (Promis)

Datum uitspraak: 28 januari 2021

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige economische strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 januari 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.I.M. Geertsema en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.W.C. Bruins naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding en beschuldiging

De Nederlandse Spoorwegen N.V. (hierna: NS) maakt bij geplande en ongeplande stremming van het treinverkeer gebruik van bussen om gestrande treinpassagiers te vervoeren. Voor het organiseren van vervangend busvervoer heeft de NS een contract met [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ). [bedrijf] heeft weer contracten gesloten met regionale busondernemingen, de onderaannemers. Verdachte was in dienst bij [bedrijf] en medeverantwoordelijk voor het organiseren van het vervangend busvervoer. Hem wordt onder meer verweten dat hij onderaannemers de mogelijkheid heeft geboden om busritten die niet hebben plaatsgevonden bij [bedrijf] te factureren. In ruil voor de declaratie van die extra bussen zou verdachte geld, goederen en diensten hebben gevraagd en aangenomen. De zoon van verdachte, medeverdachte in deze strafzaak, zou hebben geholpen bij het ophalen van het geld bij de onderaannemers. Ook zou de zoon van verdachte gebruik hebben gemaakt van het geld, de goederen en de diensten. De zaken van verdachte en zijn zoon zijn samen behandeld op zitting. De rechtbank doet vandaag in beide zaken uitspraak.

Verdachte wordt beschuldigd van omkoping (feit 1) en het witwassen van de verkregen geldbedragen, goederen en diensten (feit 2) en dat hij beide feiten tezamen en in vereniging heeft gepleegd.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie vindt dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen. Verdachte heeft de feiten grotendeels bekend. Daarnaast is er voldoende steunbewijs per onderaannemer dat verdachte daadwerkelijk geld en goederen van hen heeft ontvangen voor het schrijven van extra busritten. Voor onderaannemer [naam 1] (hierna: [naam 1] ) van vervoersbedrijf [vervoersbedrijf 1] geldt dat de van dit bedrijf verkregen € 30.000 door het Openbaar Ministerie als lening wordt gezien. Van dat bedrag moet verdachte worden vrijgesproken. De ontvangen geldbedragen en spullen heeft hij witgewassen door ze uit te geven of over te dragen. Verdachte kan voor de hele periode worden veroordeeld omdat hij ook na zijn ontslag nog geld en goederen heeft ontvangen voor de extra busritten.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman vindt dat niet alle goederen en geldbedragen op de tenlastelegging kunnen worden bewezen. De 30.000 euro van [naam 1] is een lening, dus geen gift voor een door verdachte verrichte prestatie. Dat betekent dat de kredietaflossing van 2.500 euro en de betaling voor de Audi TT niet kan worden bewezen, omdat deze betalingen zijn gedaan met de lening van [naam 1] .

Verdachte heeft verklaard dat hij nooit extra busritten heeft laten declareren in ruil voor het geld en de spullen die verdachte van [naam 2] (hierna [naam 2] ) van vervoersbedrijf [vervoersbedrijf 2] heeft ontvangen. [naam 2] heeft verklaard dat verdachte hem hielp door zelf zijn chauffeurs te bellen als hij niet opnam. Dat was de reden dat [naam 2] geld en goederen aan verdachte gaf. Dat wordt bevestigd door het feit dat [naam 2] ook toen hij na mei 2016 niet meer voor [bedrijf] reed nog steeds geld aan verdachte is blijven geven, onder andere voor boodschappen.

Van de geldbedragen die verdachte na zijn ontslag bij [bedrijf] op zijn rekening heeft gestort gekregen kan niet worden bewezen dat ze afkomstig zijn van omkoping. Ook van de contante stortingen op de rekening van de zoon van verdachte kan niet worden bewezen dat ze van omkoping afkomstig zijn.

De periode moet worden beperkt tot 22 september 2017, omdat daarna geen betalingen door onderaannemers zijn gedaan.

De verweren die zijn gevoerd voor de omkoping gelden ook voor het witwassen. Alleen voor de geldbedragen en goederen die zijn verkregen door de omkoping kan de criminele herkomst en daarmee het witwassen ervan worden bewezen. Van het medeplegen moet verdachte worden vrijgesproken, omdat de zoon van verdachte geen wetenschap van de corruptie had.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Juridisch kader

Voor een bewezenverklaring van omkoping zoals hier tenlastegelegd moet sprake zijn van een gift die in relatie staat tot een (nog te verrichten) prestatie in het kader van het dienstverband. Er moet dus sprake zijn van een causaal verband; de (nog te verrichten) prestatie moet de oorzaak zijn geweest van de gift. En er moet sprake zijn van een situatie waarin je je werkgever van die gift en (te verrichten) prestatie op de hoogte had moeten stellen, maar dat niet hebt gedaan. Het in algemene zin in stand houden van een goede relatie is voldoende concreet als geleverde prestatie.

Verklaring verdachte

Verdachte heeft een grotendeels bekennende verklaring afgelegd. Hierna bespreekt de rechtbank eerst de betrokkenheid van verdachte bij het regelen van vervangend busvervoer en zijn verklaring op grote lijnen. Daarna zal de rechtbank per onderaannemer ingaan op het bewijs en eventuele verweren.1

Verdachte is op 10 juni 2013 in dienst getreden van Taxi Centrale O-Taks N.V. Dat bedrijf behoort tot hetzelfde concern als [bedrijf] . [bedrijf] heeft een raamovereenkomst met de NS om als hoofdaannemer te fungeren voor het organiseren van vervangend busvervoer bij geplande en ongeplande stremmingen van het treinverkeer. [bedrijf] heeft eveneens overeenkomsten gesloten met onderaannemers om bij stremmingen van het treinverkeer een deel van het vervangend vervoer te verzorgen. Verdachte was verantwoordelijk voor de organisatie van het vervangend busvervoer via de onderaannemers. Op 22 januari 2018 is verdachte naar aanleiding van een integriteitschending ontslagen.2

Verdachte heeft verklaard dat verschillende onderaannemers hem geld en goederen hebben gegeven in ruil voor het factureren van busritten die feitelijk niet hebben plaatsgevonden. Het aantal ingezette bussen op het opdrachtformulier was soms hoger dan het aantal bussen dat werkelijk werd ingezet. Als er bijvoorbeeld 20 bussen werden gevraagd en verdachte er 15 kon regelen, gaf hij aan de onderaannemer door dat de onderaannemer 17 bussen op het opdrachtformulier moest zetten. Hierdoor konden de onderaannemers meer factureren. [naam 3] , de leidinggevende van verdachte, was hiervan niet op de hoogte. Verdachte maakte gebruik van het e-mailadres [naam 3] voor zijn contacten met onderaannemers. Verdachte heeft een bankrekening op naam van zijn kleindochter geopend. Al het geld op die rekening was afkomstig van onderaannemers.3

[naam 1]

Op 6 mei 2015 heeft verdachte aan [naam 1] gevraagd of hij 24, 24 en 25 mei een verhuisbusje van [naam 1] mag gebruiken.4 Op 10 augustus 2015 vraagt verdachte aan [naam 1] of hij dat weekend een verhuisbusje mag gebruiken en in de daaropvolgende mailwisseling schrijft verdachte dat ze wel weer een beetje dik zullen schrijven.5 Op 12 november 2016 vraagt verdachte via de e-mail aan [naam 1] of hij in de periode van 21 tot en met 27 januari een taxibusje mag gebruiken.6 heeft verklaard dat hij soms één dubbeldekker stuurde, maar wel twee bussen declareerde. Verdachte heeft het taxibusje en verhuisbusje gebruikt zonder daarvoor te hoeven betalen. Met dik schrijven bedoelde verdachte dat er meer bussen werden gefactureerd dan er werkelijk hadden gereden. [naam 1] schonk het taxibusje aan verdachte voor de diensten die hij hem gunde. Bij het bedrijf van [naam 1] zijn reparaties aan een auto verricht voor verdachte. Daarvoor hoefde verdachte om dezelfde reden niet te betalen. [naam 1] voerde een paar keer per maand gegevens in van bussen die in werkelijkheid niet hebben gereden. De facturen met valse gegevens zijn door [bedrijf] uitbetaald.7 Verdachte heeft verklaard dat hij weleens voor de reparatie van auto’s van onder andere zijn zoon [zoon] bij [naam 1] is geweest. Hij heeft weleens een taxibusje van [naam 1] geleend. Over deze giften heeft verdachte niets aan zijn werkgever verteld.8

De rechtbank vindt het gezien de verklaring van [naam 1] bewezen dat verdachte de busjes en het auto onderhoud van [naam 1] heeft gekregen in ruil voor de mogelijkheid om bussen te declareren die in werkelijkheid niet hadden gereden of bussen dubbel te declareren. Deze giften heeft verdachte niet gemeld aan zijn werkgever [bedrijf] . Verdachte heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan feit 1.

De rechtbank vindt net als de officier van justitie en de verdediging dat van de 30.000 euro van [naam 1] niet kan worden vastgesteld dat dat bedrag onderdeel uitmaakte van omkoping en van dat deel van het onder 1 tenlastegelegde zal verdachte dan ook worden vrijgesproken.

[naam 4]

Verdachte heeft op 18 november 2015 op zijn rekening 1.200 euro ontvangen van [naam 4] (hierna: [naam 4] ) van vervoersbedrijf [vervoersbedrijf 3]9 heeft verklaard dat hij verdachte dat geld heeft geleend, omdat verdachte binnen [bedrijf] in de positie was om te bepalen welke onderaannemers hij belde. Verdachte stelde voor om bussen die niet rijden wel te factureren en op die manier zijn lening af te lossen.10 Verdachte heeft verteld dat hij van [naam 4] geld heeft ontvangen en in ruil daarvoor de mogelijkheid heeft gegeven om extra te declareren.11

De rechtbank vindt het gezien de verklaring van verdachte en de verklaring van [naam 4] bewezen dat verdachte €1.200 van [naam 4] heeft gekregen in ruil voor de mogelijkheid om bussen te declareren die in werkelijkheid niet hadden gereden of bussen dubbel te declareren. Deze gift heeft verdachte niet gemeld aan zijn werkgever [bedrijf] . Verdachte heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan feit 1.

[naam 5]

Verdachte heeft in de periode van 3 september 2015 tot en met 22 september 2017 van onderaannemer [naam 5] (hierna: [naam 5] ) van vervoersbedrijf [vervoersbedrijf 4] in totaal 3.850 euro ontvangen op zijn rekening. Bij de overboekingen is telkens de omschrijving: “provisie” vermeld.12 Verdachte mailt [naam 5] op 2 september 2015 zijn bankrekeningnummer en schrijft dat hij zal zorgen dat [naam 5] van die 1.200 euro geen spijt zal krijgen.13 Op 2 juli 2017 vraagt verdachte via de mail of [naam 5] hem kan helpen met 650 euro en dat verdachte dan wel weer wat busjes voor [naam 5] regelt.14 Verdachte heeft verklaard dat hij hiermee bedoelt dat hij niet zou zeggen dat er gerommeld werd met het aantal ingezette bussen en dat hij wat extra’s voor [naam 5] zou opgeven, zodat [naam 5] dubbel of extra kon declareren. Op die manier heeft verdachte [naam 5] terugbetaald.15

De rechtbank vindt het gezien de verklaring van verdachte en de e-mailwisseling bewezen dat verdachte € 3.850 van [naam 5] heeft gekregen in ruil voor de mogelijkheid om bussen te declareren die in werkelijkheid niet hadden gereden of bussen dubbel te declareren. Deze giften heeft verdachte niet gemeld aan zijn werkgever [bedrijf] . Verdachte heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan feit 1.

[vervoersbedrijf 2]

heeft op 12 mei 2016 2.100 euro naar verdachte overgemaakt.16 Verdachte stuurt op 21 mei 2015 een e-mail over een barbecue. In die e-mail staan bestelgegevens, het afleveradres (bij de zoon van verdachte) en dat verdachte [vervoersbedrijf 2] bedankt en schrijft dat hij er erg blij mee is.17 Op 15 juni 2016 stuurt verdachte aan [vervoersbedrijf 2] een e-mail met als onderwerp: “harstikke bedankt, regel het wel met je”. Als bijlage is een bestelbon van een bankstel bijgevoegd.18 [naam 2] heeft verklaard dat hij weleens geld naar verdachte overmaakte. De barbecue heeft hij besteld en bij de zoon van verdachte afgeleverd. Die barbecue was een beloning voor verdachte omdat hij in de nacht de moeite deed om zijn chauffeurs te bellen, zodat [naam 2] kon blijven liggen. [vervoersbedrijf 2] heeft ook betaald voor het bankstel. Die was voor verdachte omdat verdachte [naam 2] hielp. Als [naam 2] niet opnam ging verdachte zelf de chauffeurs bellen om het te regelen. Die bank was dus een beloning voor verdachte voor het werk wat hij voor [naam 2] deed. Eind mei 2016 heeft hij zijn contract met [bedrijf] ingeleverd.19 Verdachte heeft verklaard dat hij giften van [naam 2] ontving, zoals het bankstel en de barbecue. Hij heeft daarover niets gezegd tegen zijn werkgever.20

De rechtbank vindt het gezien de verklaring van verdachte, de verklaring van [naam 2] en de e-mails bewezen dat verdachte € 2.100, de barbecue en het bankstel heeft gekregen in ruil voor het onderhouden van een goede relatie met verdachte waardoor [naam 2] geen ritten misliep ook als hij zelf de telefoon niet kon opnemen. Deze gift heeft verdachte niet gemeld aan zijn werkgever [bedrijf] . Verdachte heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan feit 1.

De giften die verdachte van [vervoersbedrijf 2] heeft ontvangen nadat [vervoersbedrijf 2] het onderaannemerscontract met [bedrijf] had beëindigd (€ 1.749 en € 2.587), staan niet in causaal verband met enige gunst die verdachte in dienstbetrekking voor [vervoersbedrijf 2] zou kunnen verrichten en niet valt in te zien waarom hij die giften aan zijn werkgever had moeten melden. Hierbij komt dat ter zake van de giften van [vervoersbedrijf 2] aan verdachte na 22 januari 2018 (€ 2.587) bovendien geldt dat verdachte niet langer in dienst was bij [bedrijf] en om die reden evenmin sprake is van causaal verband tussen die gift en een te verwachten tegenprestatie in het kader van de (niet meer bestaande) dienstbetrekking en evenmin van een verplichting om de gift te melden aan de werkgever. Verdachte wordt ter zake van dat deel van feit 1 vrijgesproken.

[naam 6]

Verdachte vraagt in een mail van 15 november 2016 aan [naam 6] (hierna: [naam 6] ) van vervoersbedrijf [vervoersbedrijf 5] of hij autovelgen voor hem kan regelen. Verdachte zal hem terug betalen zoals besproken. “Dus het zijn maar een paar busjes.”, schrijft verdachte.21 heeft verklaard dat hij op initiatief van verdachte af en toe een extra rit declareerde van een niet gereden rit. Ook kwam het voor dat bussen dubbel gefactureerd werden. De velgen zijn bezorgd op het opgegeven adres, het adres van de zoon van verdachte. Verdachte betaalde hem terug door de mogelijkheid te bieden om niet gereden ritten te factureren.22 Verdachte heeft verklaard dat hij van [naam 6] autovelgen heeft gekregen. De tegenprestatie was dat hij extra busjes zou schrijven. Hij heeft niet betaald voor de velgen.23

De rechtbank vindt het gezien de verklaring van verdachte en de e-mailwisseling bewezen dat verdachte de velgen van [naam 6] heeft gekregen in ruil voor de mogelijkheid om bussen te declareren die in werkelijkheid niet hadden gereden of bussen dubbel te declareren. Deze gift heeft verdachte niet gemeld aan zijn werkgever [bedrijf] . Verdachte heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan feit 1.

Contante stortingen

In de periode dat verdachte in dienst was bij [bedrijf] is in totaal 11.630 euro aan contanten op de rekeningen van verdachte gestort. Op de rekening van zijn kleindochter is in die periode totaal 9.670 euro aan contanten gestort.24 Verdachte heeft verklaard dat hij één keer 1.000 euro heeft gewonnen bij het casino, de rest is afkomstig van onderaannemers. Het geld op de rekening van zijn kleindochter is allemaal afkomstig van onderaannemers.25 [naam 4] heeft verklaard dat hij contante geldbedragen aan verdachte heeft geleend in ruil voor het factureren van niet gereden ritten.26 [naam 6] heeft ook verklaard contante geldbedragen aan verdachte te hebben gegeven in ruil voor het factureren van niet gereden ritten.27

De rechtbank vindt gezien de verklaring van verdachte, de gegevens van zijn rekening en de rekening van kleindochter en de verklaringen van de onderaannemers bewezen dat verdachte de contante bedragen heeft gekregen in ruil voor de mogelijkheid om bussen te declareren die in werkelijkheid niet hadden gereden of bussen dubbel te declareren. Deze giften heeft verdachte niet gemeld aan zijn werkgever [bedrijf] . Verdachte heeft zich hierdoor schuldig gemaakt aan feit 1.

De rechtbank kan niet vaststellen dat de contante stortingen op de rekening van de zoon van verdachte van onderaannemers afkomstig zijn. De zoon heeft ter zitting een niet andersluidende verklaring gegeven voor zijn bezit van contant geld. Verdachte zal ter zake van dit deel (€ 4.574,94) worden vrijgesproken van feit 1. Dit geldt ook voor het bedrag van in totaal € 750 dat contant is gestort op de rekening van verdachte nadat verdachte al uit dienst was bij [bedrijf] . Een oorzakelijk verband tussen deze geldstroom en een te verwachten tegenprestatie in het kader van zijn (niet meer bestaande) dienstverband is daarvoor niet vast te stellen en dus is er ook geen plicht die betalingen aan de (voormalige) werkgever te melden.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank ter zake van de omkoping tot een bewezenverklaring van in totaal € 28.450, bestaande uit: € 1.200 van [naam 4] , € 3.850 van [naam 5] , € 2.100 van [vervoersbedrijf 2] en € 21.300 contant gestort op de rekening van verdachte.

Witwassen

De rechtbank vindt bewezen dat verdachte de hiervoor genoemde goederen en geldbedragen waarvan is geoordeeld dat verdachte ze door omkoping verkregen heeft, heeft witgewassen. Deze goederen en geldbedragen zijn immers van misdrijf afkomstig. Van de rest van de bedragen wordt hij vrijgesproken, omdat er naast de omkoping, waarvan verdachte voor deze bedragen wordt vrijgesproken, geen aanknopingspunten zijn dat dit geld uit een ander misdrijf afkomstig zou zijn. Verdachte heeft de bewezen goederen en geldbedragen verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en/of gebruikt. De rechtbank vindt bewezen dat verdachte heeft witgewassen in de periode van 7 april 2015 tot en met 1 november 2017. Verdachte heeft de laatste gift die bewezen is verklaard als zijnde omkoping namelijk ontvangen op 22 september 2017 (van [naam 5] ). De rechtbank gaat er vanuit dat dit geldbedrag voor 1 november 2017 is omgezet of gebruikt. Gelet op de periode en de hoeveelheid van de giften vindt de rechtbank dat verdachte van het witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Medeplegen

De rechtbank vindt dat verdachte beide feiten samen met anderen heeft gepleegd. Verdachte heeft bij de omkoping samengewerkt met de onderaannemers; zij hadden een gezamenlijk doel om meer inkomsten te verkrijgen door extra bussen te declareren en verdachte daarvoor terug te betalen met giften. Bij het witwassen heeft verdachte samengewerkt met zijn zoon, doordat hij geldbedragen en goederen aan hem heeft overgedragen, waardoor de giften minder makkelijk naar verdachte terug te leiden waren. Dat de zoon van verdachte niet wist van de criminele herkomst van het geld vindt de rechtbank niet aannemelijk. Het gaat om giften van / voor aanzienlijke bedragen, van onderaannemers van de werkgever van verdachte waarvoor verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven. Dat het verdachte, zoals hij zijn familie voorhield, financieel voor de wind ging had zijn zoon niet mogen aannemen. Zijn zoon is immers meerdere keren in gekopieerd in e-mails waarin zijn vader bij onderaannemers om geld bedelde om (onder meer) zijn zoon financieel te kunnen helpen. Onder die omstandigheden moet zijn zoon hebben vermoed dat het ging om giften die van misdrijf afkomstig waren. Door de giften in ontvangst te nemen heeft zijn zoon een significante bijdrage geleverd aan het witwassen daarvan.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank vindt op grond van de bewijsmiddelen in rubriek 3.3. bewezen dat verdachte

onder 1

in de periode van 7 april 2015 tot en met 22 januari 2018 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, anders dan als ambtenaar werkzaam in dienstbetrekking bij Taxi Centrale O-Tax N.V., naar aanleiding van hetgeen verdachte in zijn dienstbetrekking heeft gedaan en/of nagelaten, dan wel zal/zou doen en/of nalaten, telkens in strijd met zijn plicht, giften en diensten heeft aangenomen en heeft gevraagd, te weten het gratis ter beschikking stellen van een verhuis- en taxibusje aan [naam 7] , het verrichten van gratis onderhouds- en reparatiewerkzaamheden aan auto's van [naam 7] , geldbedragen van in totaal 28.450,- euro, autovelgen, een bank en een barbecue;

onder 2

in de periode van 7 april 2015 tot en met 1 november 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander, voorwerpen te weten geldbedragen van in totaal 28.450,-, autovelgen, een bank en een barbecue heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen, heeft omgezet en van genoemd geldbedrag gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat die voorwerpen – onmiddellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, terwijl hij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Motivering van de straffen

5.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie vindt dat verdachte moet worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur, bij niet (goed) verrichten te vervangen door 120 dagen hechtenis. Daarnaast zou aan hem een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden moeten worden opgelegd met een proeftijd van 2 jaar.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de volledige medewerking van verdachte aan het onderzoek en zijn persoonlijke omstandigheden. Deze zaak heeft veel invloed gehad op zijn relatie met zijn vrouw en kinderen. Verdachte is op leeftijd en draagt de zorg voor zijn vrouw. De raadsman heeft benadrukt dat het declareren van extra bussen al gedaan werd voordat verdachte daar kwam werken. Hij heeft die constructie dus niet bedacht. Verder is [bedrijf] door het handelen van verdachte niet benadeeld.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan op de zitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan omkoping door geld, goederen en diensten aan onderaannemers te vragen en daarvan aan te nemen. In ruil daarvoor bood hij de onderaannemers de mogelijkheid om niet gereden busritten te declareren of busritten dubbel te declareren. Ook spande verdachte zich in ruil voor giften extra in voor een bevriende onderaannemer. Vervolgens heeft verdachte zich samen met zijn zoon schuldig gemaakt aan witwassen van de door de omkoping verkregen goederen en geldbedragen. Verdachte heeft het vertrouwen van zijn werkgever beschaamd. Zonder het te weten bracht zijn werkgever een veel groter bedrag in rekening bij de NS dan juist was en verdienden de onderaannemers veel meer geld dan waarop zij recht hadden. Zonder verdachte had deze fraude niet kunnen plaatsvinden. Verdachte had alle touwtjes in handen en beoordeelde zelfstandig welke busritten er teveel konden worden gedeclareerd. De kans dat zijn werkgever door deze gedragingen het contract met de NS zou kunnen verliezen en zijn reputatie in de markt beschadigd zou zien nam verdachte op de koop toe. Verdachte heeft zijn eigen financiële belangen volledig voorop gesteld. Dat anderen door het handelen van verdachte niet zijn benadeeld is volstrekt onjuist, zijn werkgever heeft immers te hoge bedragen bij de NS gefactureerd en daardoor zijn er te hoge bedragen door de NS aan de onderaannemers uitgekeerd. De NS heeft dus wel degelijk schade geleden en zou dat op de werkgever van verdachte kunnen verhalen.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank gekeken naar afspraken die de rechtbanken onderling hebben gemaakt over de strafoplegging bij fraudedelicten. Bij een benadelingsbedrag van 10.000 tot 70.000 euro geldt als uitgangspunt een gevangenisstraf van 2 tot 5 maanden of een vergelijkbare taakstraf.

Gelet op de ernst van de feiten, de rol van verdachte en de lange periode waarin de omkoping zich geeft afgespeeld, vindt de rechtbank dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf een passende reactie zou zijn. In de persoon van verdachte ziet de rechtbank toch aanleiding om dat in dit specifieke geval niet te doen. Verdachte is op leeftijd en heeft gezondheidsproblemen. De zaak heeft flinke impact gehad op zijn relatie met zijn vrouw en kinderen. Hij heeft bovendien direct openheid van zaken gegeven. De rechtbank schat de kans op herhaling dan ook laag in. Om toch uiting te geven aan de ernst van de feiten legt de rechtbank naast een taakstraf van 180 uur, ook een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden op.

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 328ter, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

onder 1

medeplegen van het, anders dan als ambtenaar werkzaam zijnde in dienstbetrekking, naar aanleiding van hetgeen hij in strijd met zijn plicht in zijn dienstbetrekking heeft gedaan/nagelaten, dan wel zal/zou doen/nalaten, aannemen/vragen van een gift/dienst, meermalen gepleegd;

onder 2

medeplegen van witwassen en daarvan een gewoonte maken.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 (honderdtachtig) uur, met bevel voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 (twee) maanden.

Beveelt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaar vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.P. Bleeker, voorzitter,

mrs. B.M. Visser en J. Huber, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M.N. Greeven, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 januari 2021.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de volgende voetnoten verwezen naar bewijsmiddelen uit het dossier. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. De aanduiding DOC staat steeds voor een geschrift.

2 DOC-001

3 V-001-01

4 DOC-040

5 DOC-042

6 DOC-043

7 V-003-01

8 V-001-02

9 AMB-008

10 V-011-01

11 V-001-01

12 AMB-008

13 DOC-024

14 DOC-025

15 V-001-01

16 AMB-008

17 DOC-020

18 DOC-021

19 V-014-01

20 V-001-01

21 DOC-100

22 V-012-01

23 V-001-02

24 AMB-008

25 V-001-01

26 V-011-01

27 V-012-01