Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2010

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
C/13/673343 / FA RK 19-6142
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindigende maatregel voor ouders. Aanvaardbare termijn is verstreken en perspectief ligt bij het pleeggezin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/673343 / FA RK 19/6142 (BV/ID)

Beschikking van 21 april 2021 betreffende het ouderlijk gezag

in de zaak van:

De Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de Raad,

tegen

[moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. R.H. Wormhoudt te Amsterdam,

en

[vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen de vader,

advocaat mr. A.E. Martinez-Linnemann te Almere.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen de WSS,

2 [pleegouders] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen, de pleegouders.

1 Het verdere verloop van de procedure

1.1.

Bij beschikking van 30 september 2020 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoek pro forma aangehouden tot 16 november 2020, om de Raad de gelegenheid te geven om het verzoek ten aanzien van de vader (dat kort voor de mondelinge behandeling van 4 september 2020 was gedaan) nader te onderbouwen en de vader de gelegenheid te geven daarop te reageren.

1.2.

De rechtbank heeft daarna nog kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het door de Raad op 27 oktober 2020 uitgebrachte rapport;

  • -

    het verweerschrift van de vader d.d. 21 januari 2021;

  • -

    het F9- formulier d.d. 31 januari 2021 van de zijde van de moeder met bijlage.

1.3.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021, samen met het verzoek van de WSS tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging uithuisplaatsing (zaaknummers C/13/698771 / JE RK 21/203 en C/ 13/697949/ JE RK 21/146).

Verschenen zijn:

  • -

    mevrouw [naam] namens de Raad;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de pleegouders;

  • -

    mevrouw [naam] namens de WSS.

2 De verdere beoordeling

2.1.

De rechtbank neemt over en blijft bij wat in de beschikking van 30 september 2020 is overwogen en beslist.

2.2.

De rechtbank moet nog beslissen over het verzoek van de Raad om het ouderlijk gezag van de moeder en van de vader over [minderjarige] te beëindigen en de WSS tot voogd te benoemen, evenals over het zelfstandige verzoek van de vader om op grond van artikel 810a lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) een deskundige te benoemen die de opvoedcapaciteit van vader kan onderzoeken.

2.3.

De Raad is in het Raadsrapport van 27 oktober 2020 van mening dat het in het belang van [minderjarige] is dat het gezag van beide ouders wordt beëindigd. Volgens de Raad zijn beide ouders niet in staat om [minderjarige] zelfstandig op te voeden. De Raad heeft om die reden ook een verzoek ten aanzien van vader ingediend, omdat het perspectief van [minderjarige] bij de pleegouders ligt. Tevens is volgens de Raad gebleken dat de aanvaardbare termijn om in onzekerheid te blijven over het toekomstperspectief al lang is verstreken. Naar het oordeel van de Raad zal een gezagsbeëindiging van de ouders veel duidelijkheid voor alle betrokkenen geven. Volgens de Raad prevaleert het belang van [minderjarige] boven het belang van de ouders om [minderjarige] zelfstandig op te voeden. In het pleeggezin waar [minderjarige] ongeveer sinds zijn tiende levensmaand woont en al ruim drie jaar verblijft, maakt [minderjarige] een positieve ontwikkeling door en hij heeft het daar fijn. Volgens de Raad ligt het perspectief van [minderjarige] dan ook bij het pleeggezin. De ouders vinden dit echter moeilijk te accepteren. De Raad hoopt dat een gezagsbeëindigende maatregel de ouders zal helpen om toe te werken naar het accepteren en vormgeven van ouderschap op afstand. De ouders zijn betrokken maar vinden het lastig om aan te sluiten bij de behoefte van [minderjarige] . De Raad is van mening dat indien het gezag van de ouders wordt beëindigd, de WSS als voogd dient te worden benoemd. De Raad vindt dat de WSS als neutrale instantie belast dient te worden met de voogdij over [minderjarige] , om zijn belangen te behartigen. De ouders zullen altijd actief moeten worden betrokken. De WSS moet steeds bekijken wat de mogelijkheden zijn voor de omgang van ouders met [minderjarige] . Er is volgens de Raad een grote rol voor ouders maar niet in de zin van opvoeder.

2.4.

De moeder is het niet eens met het verzoek. Zij wenst het gezag over [minderjarige] te behouden. [minderjarige] wordt naar haar mening niet ernstig bedreigd in zijn ontwikkeling en zij stelt dat ze in staat is om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen binnen een aanvaardbare termijn. De moeder heeft kennis genomen van het aanvullende raadsrapport, dat is opgesteld door de Raad naar aanleiding van de mondelinge behandeling op 4 september 2020. Die rapportage heeft met betrekking tot de moeder geen nieuwe inzichten verschaft. De moeder is het oneens met het standpunt van de Raad dat er bij de moeder niet of nauwelijks leerbaarheid zou bestaan. De moeder blijft dan ook bij haar standpunt dat het verzoek tot beëindiging van het gezag dient te worden afgewezen. Zij heeft in juni 2020 haar MBO niveau 1-diploma assistent dienstverlening en zorg behaald en volgt nu de opleiding dienstverlening zorg en welzijn niveau 2 op het ROC in Amsterdam Zuidoost. Zij stelt dat het goed met haar gaat en dat zij wel voldoende leerbaar is. De moeder staat open voor ondersteuning en begeleiding vanuit de hulpverlening.

2.5.

De vader voert verweer tegen het verzoek van de Raad om zijn gezag over [minderjarige] te beëindigen. Volgens de vader groeit [minderjarige] niet op in een situatie waarin hij ernstig wordt bedreigd in zijn ontwikkeling. De vader is naar zijn mening wel in staat om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] te dragen binnen een afzienbare termijn. Volgens de vader blijkt uit het rapport dat er door de WSS onvoldoende is gedaan om de omgangsregeling met de vader uit te breiden. Volgens de vader blijkt nergens uit dat als de omgangsfrequentie wordt verhoogd, dit een negatieve invloed heeft op [minderjarige] . De vader stelt dat als [minderjarige] bij hem is, hij bij de vader wil blijven en aan hem vraagt of hij mag blijven slapen. De vader voelt zich door de Raad en de WSS niet serieus genomen. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling aangeven dat hij vindt dat de WSS en de pleegouders te weinig doen om duidelijkheid te geven aan [minderjarige] over wie zijn pleegouders zijn en wie zijn vader en moeder zijn. Hij is van mening dat de pleegouders [minderjarige] hebben aangeleerd om hen “papa’’ te noemen. Hij is van mening dat deze situatie voor verwarring bij [minderjarige] zorgt. De vader is van mening dat als het perspectief niet bij de moeder ligt, er voordat er door de Raad geconcludeerd kan worden dat het perspectief ook niet bij de vader ligt, eerst een uitbreiding van de omgang moet plaatsvinden. Naar de mening van de vader is er op dit moment onvoldoende onderzoek gedaan naar de opvoedcapaciteiten van de vader en de mogelijkheid om middels een soort co-ouderschapsregeling met de pleegouders, invulling te geven aan het opvoeden van [minderjarige] . De gronden die in het rapport naar voren worden gebracht ter onderbouwing van het verzoek van de Raad acht de vader te summier en onvoldoende onderbouwd. De belangenafweging die bij het beëindigen van het gezag dient te worden gemaakt is naar de mening van de vader onvoldoende gemaakt. Volgens hem worden door de WSS de belangen van [minderjarige] onvoldoende in acht genomen. De conclusie dat het perspectief niet deels bij de vader kan liggen, is volgens hem niet gerechtvaardigd.

2.6.

De pleegouders hebben aangevoerd dat [minderjarige] in zijn eigen beleving vier ouders heeft. Er is altijd contact gezocht met de ouders, ook ten behoeve van de omgang met de vader. De omgang met de vader heeft wel invloed op het gedrag van [minderjarige] volgens de pleegouders. Hij heeft na omgang met de vader nachtmerries en verlatingsangst. De pleegouders willen graag met de zorg over [minderjarige] belast blijven. [minderjarige] weet goed wie zijn vader is volgens de pleegouders, zij proberen aan hem op een kindvriendelijke manier uit te leggen hoe de verhoudingen zijn. De pleegouders proberen het contact met de ouders positief te benaderen en denken dat het rust geeft aan alle partijen als er duidelijkheid is over het perspectief van [minderjarige] .

2.7.

Namens de WSS is tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat het in het belang van [minderjarige] is dat hij rust en duidelijkheid krijgt. Er is een bezoekregeling met de vader, inhoudende dat er een keer per maand gedurende 2,5 uur omgang is tussen de vader en [minderjarige] . Met de moeder is er een wekelijkse bezoekregeling op zaterdag. De moeder heeft vooruitgang geboekt, maar heeft nog moeite met het reguleren van haar emoties. Door de WSS is de vader de kans geboden om een opvoedcursus te volgen, omdat zij van mening zijn dat dit noodzakelijk is voor de uitbreiding van de omgang. Helaas is de vader niet bereid om deze cursus te volgen. De vader sluit nog onvoldoende aan bij de leeftijdsontwikkeling van [minderjarige] . [minderjarige] wordt naar de mening van de WSS door de vader op een verkeerde manier gecorrigeerd wanneer hij zijn pleegouders “papa” noemt, dit werkt verwarrend voor [minderjarige] . Volgens de WSS kunnen de ouders moeilijk accepteren dat het perspectief bij de pleegouders is en dat zij op een andere manier een rol spelen in het leven van [minderjarige] . De WSS ondersteunt het verzoek van de Raad tot beëindiging van het ouderlijk gezag.

2.8.

Op grond van artikel 1:266 BW kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

2.9.

Sinds de meest recente wetswijziging in 2015 is het uitdrukkelijk niet langer de bedoeling van de wetgever dat minderjarigen jarenlang onder toezicht staan en uit huis geplaatst zijn. Als niet te verwachten is dat ouders binnen een aanvaardbare termijn zelf de verzorging en opvoeding op zich kunnen nemen, ligt gezagsbeëindiging in de rede. De vraag die moet worden beantwoord is of de ouders binnen een aanvaardbare termijn de zorg voor de kinderen kunnen dragen. Die aanvaardbare termijn is de periode waarin de kinderen kunnen omgaan met onzekerheid over hun toekomstige opvoedsituatie, zonder daar ernstige schade door op te lopen. Deze termijn is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Andere factoren die van belang zijn, zijn bijvoorbeeld persoonlijke kenmerken, draagkracht en gehechtheid in het pleeggezin.

2.10.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op voormelde factoren en met inachtneming van de omstandigheden van dit geval, het gezag van de ouders dient te worden beëindigd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

2.11.

Voor de rechtbank is duidelijk dat de ouders veel van [minderjarige] houden. Zij zijn zeer betrokken bij [minderjarige] . De moeder zet zich positief in voor hulpverlening en ontwikkelt zich goed. De vader is dol op [minderjarige] en zou hem graag vaker zien, zodat hij een goede vader voor hem kan zijn. De rechtbank acht het in het licht van deze positieve ontwikkelingen dan ook begrijpelijk dat het voor de ouders moeilijk te accepteren is dat de Raad een verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders over [minderjarige] heeft ingediend.

2.12.

Centraal bij de beoordeling staan echter primair de belangen van het kind, gelet op artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind, hoezeer positieve ontwikkelingen van de ouders ook van belang zijn. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

2.13.

Uit de stukken en de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling is het volgende naar voren gekomen. Vanuit de Raad en de WSS zijn er zorgen over de opvoedcapaciteiten van de ouders. Naar de mening van de hulpverlening zijn de ouders niet in staat om de opvoeding van [minderjarige] binnen afzienbare termijn op zich te nemen. De moeder is naar het oordeel van de Raad moeilijk leerbaar en heeft trauma’s die zij opgelopen heeft vanuit haar problematisch verleden. Ze woont begeleid in een voorziening van Humanitas. Daarnaast zijn er nog steeds zorgen omtrent vaders mogelijkheden tot opvoeding en verzorging van [minderjarige] en staat hij daarbij niet open voor hulp. Ook heeft de vader vele maanden geen contact met [minderjarige] gehad omdat hij geen vrij kon krijgen van zijn werk. Het lukt hem niet om het belang van [minderjarige] voorop te stellen en hij heeft tijdens de omgangsmomenten moeite om adequaat en sensitief op het gedrag van [minderjarige] te reageren. De rechtbank is van oordeel dat de Raad voldoende heeft onderzocht wat de mogelijkheden zijn van ouders en deelt de zorgen daarover van de Raad.

2.14.

De rechtbank is van oordeel dat de voor [minderjarige] aanvaardbare termijn inmiddels al is verstreken. Dus zelfs als de ouders op dit moment in staat zouden zijn alsnog de opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen, is dit niet langer in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is al in zijn eerste levensjaar in een perspectief biedend pleeggezin geplaatst. In zijn eerste jaar heeft [minderjarige] veel meegemaakt. Zijn moeder was op dat moment, ook met intensieve hulp, niet in staat om voor [minderjarige] te zorgen en een opvoeder voor hem te zijn. Er was sprake van een onveilige situatie en een gewelddadige relatie tussen de ouders. Inmiddels is [minderjarige] 4 jaar oud en goed gehecht aan zijn pleegouders. [minderjarige] ontwikkelt zich goed in het pleeggezin en heeft het daar fijn. Het is in zijn belang dat hij verder kan opgroeien bij zijn pleegouders in een stabiele, voorspelbare opvoedsituatie.

2.15.

Het is in het belang van alle betrokkenen dat duidelijk wordt waar het toekomstperspectief van [minderjarige] ligt. Het belang bij duidelijkheid is des te groter nu de ouders de hoop lijken te hebben dat [minderjarige] op langere termijn weer bij de vader of moeder zou kunnen wonen. Het voort laten duren van het gezag van de ouders, terwijl het perspectief van [minderjarige] blijvend bij de pleegouders ligt, heeft tot gevolg dat voor [minderjarige] onvoldoende stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedsituatie kan worden geboden.

2.16.

De vader heeft verzocht een deskundigenonderzoek te gelasten naar de vraag of hij in staat is om de opvoeding van [minderjarige] binnen een aanvaardbare termijn ter hand te nemen. De rechtbank is echter van oordeel dat de uitkomsten van een dergelijk onderzoek geen wijziging kunnen brengen in voornoemd oordeel dat de aanvaardbare termijn in het geval van [minderjarige] reeds ruim is verstreken en terugplaatsing van [minderjarige] bij de ouders niet meer aan de orde is, ook niet als nog vastgesteld zou worden dat de vader inmiddels over voldoende opvoedingsvaardigheden zou beschikken. Een deskundigenbericht kan niet leiden tot een ander oordeel. De rechtbank zal het verzoek tot een deskundigenonderzoek daarom afwijzen.

2.17.

Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van de rechtbank in het belang van [minderjarige] de stabiliteit en continuïteit in hun opvoedsituatie te waarborgen door het gezag van de ouders te beëindigen.

2.18.

De rechtbank merkt op dat het feit dat het gezag van de vader en moeder over [minderjarige] wordt beëindigd, niet met zich brengt dat zij voor [minderjarige] minder belangrijk zijn. Immers, de ouders blijven altijd de vader en moeder van [minderjarige] en spelen een belangrijke rol in zijn leven en zijn ontwikkeling. Zij hebben recht op contact met [minderjarige] en informatie over zijn ontwikkeling, voor zover het belang van [minderjarige] zich daar niet tegen verzet.

2.19.

Omdat de beëindiging van het gezag van de ouders ertoe zal leiden, dat een gezagsvoorziening over [minderjarige] komt te ontbreken, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275, eerste lid BW een voogd over hen te benoemen. De Raad heeft geadviseerd om de WSS te belasten met de uitvoering van de voogdij over [minderjarige] . Gelet op dit advies van de Raad en de bereidverklaring van de WSS, zal de rechtbank de WSS belasten met de voogdij over [minderjarige] .

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

beëindigt het ouderlijk gezag van [moeder] en [vader] wonende te [woonplaats] ,

over de minderjarige:

- [minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2017 ;

3.2.

benoemt tot voogd over genoemde minderjarige de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;

3.3.

draagt de griffier op aantekening van deze gezagsbeslissing te laten opnemen in het gezagsregister.

3.4.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

3.5.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. B. de Vos, voorzitter tevens kinderrechter, mr. L. van der Heijden en mr. M.R. Bruning, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Drift, griffier, op 21 april 2021.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.