Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:2007

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
C/13/694061 / FA RK 20-8182
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Mondelinge uitspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geen gezagsbeëindigende maatregel voor ouders van 17 jarige; geen proportionele maatregel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2021-0110
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rekestnummer: C/13/694061 / FA RK 20-8182 (LH/ID)

Beschikking van 21 april 2021 betreffende wijziging van het gezag

in de zaak van:

RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING AMSTERDAM,

gevestigd te Zwolle,

hierna te noemen de Raad,

tegen:

[moeder],
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. A. El Aqde te Amsterdam;

en

[vader] ,

Wonende te [woonplaats] ,

Hierna te noemen de vader,

advocaat mr. G.L.D. Thomas te Amsterdam.


Als belanghebbende is aangemerkt:

JEUGDBESCHERMING REGIO AMSTERDAM,

gevestigd te Amsterdam,

hierna te noemen JBRA.

1 De procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoek van de Raad, ingekomen op 7 december 2020 en de correspondentie, waaronder met name een brief van de Raad met bijlage d.d. 22 december 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 24 maart 2021.

Verschenen zijn:

  • -

    mevrouw [betrokkene] namens de Raad;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    mevrouw [naam] namens JBRA.

1.3.

De minderjarige is, gelet op zijn leeftijd, in de gelegenheid gesteld om zijn mening kenbaar te maken. De voorzitter heeft voorafgaand aan de mondelinge behandeling met de minderjarige gesproken.

2 De feiten

2.1.

Ouders zijn gehuwd op 11 augustus 2003 te Marokko. Hun huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Den Haag van 8 juni 2010 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

Uit het huwelijk is geboren:

- [minderjarige],
geboren te [plaats] op [geboortedatum] 2004 ;

Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit.

2.3.

Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 10 juli 2018 is [minderjarige] onder toezicht gesteld en uithuisgeplaatst. Beide maatregelen zijn nadien telkens verlengd, laatstelijk tot 9 juli 2021.

2.4.

[minderjarige] woont sinds mei/juni 2020 bij Pluryn te Almere. Daarvoor heeft [minderjarige] vanaf 28 juni 2018 op de Hoenderloo groep gewoond.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt de rechtbank om het gezag over [minderjarige] van de ouders te beëindigen en JBRA als voogd te benoemen, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.

4 De beoordeling

4.1.

De Raad is van mening dat het in het belang is van [minderjarige] dat het gezag van zijn ouders over hem wordt beëindigd en verzoekt om JBRA te benoemen als voogd. Volgens de Raad is er sprake van een zodanige ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] , dat de gezagsbeëindigende maatregel noodzakelijk is. De Raad concludeert in het raadsrapport dat [minderjarige] bij de ouders onvoldoende geborgenheid, affectie en stabiliteit in de ontwikkeling heeft ervaren. Vanwege het feit dat de ouders onvoldoende beschikbaar waren voor [minderjarige] , in combinatie met zijn persoonlijke problematiek, heeft hij op meerdere plekken verbleven en verschillende opvoeders gekend. Mede daardoor heeft hij nu sociaal emotionele problemen en vertrouwt hij volwassenen onvoldoende. De Raad is van mening dat de ouders niet in staat zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en de opvoeding van [minderjarige] binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn te dragen. Volgens de Raad is de aanvaardbare termijn tot terugplaatsing bij de ouders inmiddels verstreken. Het perspectief van [minderjarige] ligt bij Pluryn. De Raad acht het van belang dat het voor [minderjarige] duidelijk is dat hij niet meer terug gaat naar zijn ouders. De wens van ouders over waar hij gaat wonen wisselt en dat is voor [minderjarige] onduidelijk en verwarrend. De Raad is van mening dat de gezagsbeëindigende maatregel duidelijkheid geeft aan het gezin over het perspectief van [minderjarige] en daarmee rust geeft. De Raad vindt deze maatregel noodzakelijk om [minderjarige] te helpen zijn meerderjarigheid op een adequate manier tegemoet te gaan.

4.2.

JBRA heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat de ouders nog steeds moeite hebben met begrijpen wat belangrijk is voor [minderjarige] . Zo blijft volgens JBRA de schoolgang een heel belangrijk punt voor de ouders. Het gaat niet goed op school en JBRA is gaan zoeken naar een mogelijkheid voor [minderjarige] om te gaan werken. Op dit moment loopt [minderjarige] stage bij het Kruidvat en waarschijnlijk kan [minderjarige] daar in dienst treden. De ouders staan daar niet voor open volgens JBRA. Volgens JBRA geven de ouders andere adviezen aan [minderjarige] dan JBRA en dat werkt verwarrend voor hem. Het geeft alle betrokkenen rust als duidelijk is dat [minderjarige] blijft wonen op de plek waar hij nu woont, in ieder geval totdat hij 18 jaar is. JBRA kijkt samen met [minderjarige] en de ouders naar hoe het straks verder moet als hij 18 jaar is. JBRA is van mening dat de gezagsbeëindiging [minderjarige] meer vertrouwen gaat geven in de hulpverlening en in wat de hulpverlening goed voor hem vindt. In de komende negen maanden tot aan de meerderjarigheid van [minderjarige] moeten er belangrijke beslissingen worden genomen en daarom helpt deze maatregel [minderjarige] volgens de JBRA.

4.3.

De moeder heeft verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. Zij stelt dat zij in staat is om gezagsbeslissingen te nemen voor [minderjarige] . Ze stelt dat het niet goed is voor [minderjarige] als het gezag bij JBRA komt te liggen, omdat zij als zijn ouders het beste snappen hoe [minderjarige] in elkaar zit en omdat zij in zijn belang denken. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de moeder aangegeven dat ze blij is dat er een goede systeemtherapeut is voor [minderjarige] , maar dat zij vindt dat [minderjarige] te weinig wordt geholpen met zijn schoolwerk. Zij vindt school erg belangrijk en hoopt dat [minderjarige] een diploma haalt dit jaar, waarbij hij meer zou moeten worden geholpen door de begeleiding van de groep. Volgens de moeder is de gezagsbeëindigende maatregel een te verstrekkende maatregel. Daarnaast komt het verzoek van de Raad volgens de moeder te laat. In maart 2019 was het volgens haar al duidelijk dat [minderjarige] niet terug kon naar zijn ouders. Er is naar de mening van de moeder de afgelopen jaren juist rust bereikt en die zou door deze maatregel worden verstoord. De ouders hebben de huidige situatie geaccepteerd en staan open voor hulpverlening. De moeder is dan ook van mening dat een gezagsbeëindigende maatregel een verkeerd signaal geeft en dat er meer kan worden bereikt met een goede samenwerking met JBRA.

4.4.

De vader heeft ook verweer gevoerd tegen het verzoek van de Raad. Hij maakt zich zorgen over de gezondheid van zijn zoon. Hij heeft het idee dat [minderjarige] niet goed wordt verzorgd in de groepsinstelling. Volgens de vader ziet [minderjarige] er ongezond uit als hij hem bezoekt en heeft [minderjarige] last van zijn rug. De vader heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat hij begrijpt dat [minderjarige] niet bij hem kan wonen en dat hij daarvoor ook geen geschikte woning heeft. Hij hoopt dat [minderjarige] misschien in de toekomst alsnog bij hem zou kunnen komen wonen wanneer hij wel een geschikte woning heeft. De vader wil graag het gezag over [minderjarige] behouden. De vader ziet geen noodzaak voor een gezagsbeëindigende maatregel, omdat hij niet verwacht dat er met deze maatregel verandering in de duidelijkheid over het perspectief van [minderjarige] komt. Het perspectief van [minderjarige] is voor hem al lang duidelijk en dat heeft hij geaccepteerd. De vader staat open voor de hulpverlening en is van mening dat hij altijd heeft gehandeld in het belang van [minderjarige] .

4.5.

Op grond van artikel 1:266 BW kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

4.6.

Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 1:266 BW volgt het volgende. Voor het beëindigen van het ouderlijk gezag op de voet van artikel 1:266 BW is vereist dat de minderjarige ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en duidelijk is dat de ouders niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding kunnen dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn of de ouder het gezag misbruikt.

4.7.

Een gezagsbeëindiging betekent een inmenging in het gezinsleven van ouders en kind. Om die reden is het bepaalde in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna EVRM) van belang bij de beoordeling of die inmenging gerechtvaardigd is. Op grond van dit artikel is vereist dat de maatregel bij wet is voorzien en dus niet willekeurig wordt genomen. Daarnaast behoort de inmenging in redelijke verhouding te staan tot het doel dat wordt nagestreefd. Ook is vereist dat de maatregel noodzakelijk is. De maatregel is slechts noodzakelijk als deze voldoet aan de vereisten van subsidiariteit en proportionaliteit. Als het doel met een lichtere maatregel kan worden bereikt, moet deze boven de zwaardere maatregel verkozen worden.

4.8.

De rechtbank concludeert als volgt. Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is gebleken dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. [minderjarige] is door zijn autisme gebaat bij stabiliteit, continuïteit en een woonplek waar hem structuur, veiligheid en duidelijkheid wordt geboden. Daarom verblijft hij in een woonvorm van Pluryn en daar gaat het goed met [minderjarige] . Volgens de rechtbank is niet gebleken dat er onduidelijkheid is over het toekomstperspectief van [minderjarige] . Het is voor alle betrokkenen duidelijk dat [minderjarige] in de instelling van Pluryn verblijft totdat hij 18 jaar wordt. De ouders hebben zich hiertegen niet verzet en stellen zich over het algemeen meewerkend op voor de hulpverlening. De rechtbank verwacht dat de ouders samen met de hulpverlening de komende negen maanden in staat zijn om beslissingen ten aanzien van [minderjarige] te kunnen nemen. Om de lichamelijke en geestelijke gezondheid van [minderjarige] te beschermen, is naar het oordeel van de rechtbank van belang dat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing, blijft worden ingezet totdat [minderjarige] 18 jaar is op [geboortedatum] 2022. Deze maatregel is een minder grote inmenging in het gezinsleven dan een gezagsbeëindiging. Er zal daartoe nog maximaal eenmaal een verlengingsverzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing worden gedaan.

4.9.

[minderjarige] heeft in het kindgesprek zelf aangegeven dat hij het niet eens is met het verzoek van de Raad. Hij wil dat het gezag over hem bij zijn ouders blijft, zodat zij de gezagsbeslissingen ten aanzien van hem kunnen nemen. Hij vindt het niet fijn als een voogd de gezagsbeslissingen zou nemen. De rechtbank weegt zijn mening, gelet op zijn leeftijd, zwaar mee in deze beoordeling.

4.10.

Daarnaast concludeert de rechtbank op basis van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gebracht dat het de bedoeling is dat de ouders, weliswaar op afstand, actief betrokken blijven bij de opvoeding en verzorging van [minderjarige] . De hulpverlening heeft verschillende doelen gesteld om het veilig volwassen worden van [minderjarige] te waarborgen, waarbij het gecontinueerde verblijf bij Pluryn en de systeemtherapie en verdere behandeling van belang is, terwijl de ouders actief worden meegenomen in de behandeling en verder opgroeien van [minderjarige] . Ook tegen deze achtergrond is een gezagsbeëindiging naar de mening van de rechtbank niet passend.

4.11.

Een belangrijk argument dat door de Raad en JBRA wordt aangedragen is dat er, gelet op de aanvaardbare termijn, duidelijkheid moet komen voor de ouders en [minderjarige] over zijn toekomstperspectief en dat een gezagsbeëindiging deze duidelijkheid schept, nu terugplaatsing bij de ouders niet meer aan de orde is. De rechtbank is echter van oordeel dat in het licht van de vereisten die voortvloeien uit artikel 8 EVRM gezagsbeëindiging niet noodzakelijk is om de gewenste duidelijkheid over het toekomstperspectief van een minderjarige te bewerkstelligen. Naar het oordeel van de rechtbank moet het dragen van de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding niet zodanig worden uitgelegd dat de minderjarige daadwerkelijk weer bij de ouders komt wonen. Onder bepaalde omstandigheden kan die verantwoordelijkheid ook op afstand worden uitgeoefend. In een situatie waarin ouders instemmen met een uithuisplaatsing van een minderjarige in een residentiele instelling, zonder dat sprake is van nieuwe opvoeders voor de minderjarige, en ouders meewerken aan de plaatsing en de hulpverlening terwijl zij op afstand betrokken blijven in het leven van de minderjarige, dragen zij op juiste wijze hun verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun zoon.

4.12.

Gelet op het bovenstaande concludeert de rechtbank dat een gezagsbeëindiging onder de huidige omstandigheden niet proportioneel is ten opzichte van het beoogde doel en daarmee niet voldoet aan art. 8 EVRM en niet in het belang van [minderjarige] is. De rechtbank wijst het verzoek van de Raad tot beëindiging van het gezag van de ouders dus af. Er loopt ten aanzien van [minderjarige] een ondertoezichtstelling en een uithuisplaatsing en deze minder ingrijpende inbreuk op het gezinsleven volstaat in deze situatie. Daarbij is het wel van belang dat de ouders in het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing blijven meewerken aan de noodzakelijke hulpverlening en dat zij de woonsituatie van [minderjarige] bij Pluryn blijven accepteren om de bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] af te wenden en hem rust en duidelijkheid te geven.

5 De beslissing

De rechtbank:

- wijst het verzoek van de Raad af.

Deze beschikking is gegeven door mr. L. van der Heijden, voorzitter tevens kinderrechter, mr. B. de Vos en mr. M.R. Bruning, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.M. van der Drift, griffier, op 21 april 2021.1

1 Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).
Het beroep moet worden ingesteld:
- door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.