Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:200

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
27-01-2021
Datum publicatie
29-01-2021
Zaaknummer
C/13/692611 / KG ZA 20-1007
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

kort geding; schending concurrentie- en geheimhoudingsbeding; inzagevordering ex artikel 843a Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2021-0121
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/692611 / KG ZA 20-1007 HH/EB

Vonnis in kort geding van 27 januari 2021

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VCTS 2 B.V.,

gevestigd te Leiden,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VCE B.V.,

gevestigd te Leiden,

eiseressen in conventie bij dagvaarding van 11 november 2020,

verweersters in reconventie,

advocaten mr. W.A. Vader en mr. N.L.P. van der Raaij te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaten mr. E.K.W. van Kampen en T. Welschen te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 2] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde in conventie,

advocaten mr. J.M. Atema en mr. B.I. Kraaipoel te Amsterdam.

Eiseressen zullen hierna gezamenlijk West Coast worden genoemd en afzonderlijk VCTS2 en VCE. Gedaagden zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden genoemd.

1 De procedure

Tijdens de mondelinge behandeling op 30 november 2020 hebben partijen verzocht om aanhouding van die behandeling. De behandeling is vervolgens aangehouden tot 13 januari 2021. Op de mondelinge behandeling van 13 januari 2021 heeft West Coast de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding en de akte vermeerdering van eis toegelicht. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben verweer gevoerd en [gedaagde 1] heeft een tegenvordering (eis in reconventie) ingediend. West Coast heeft de tegenvordering bestreden. Alle partijen hebben producties ingediend en pleitnota’s in het geding gebracht. Vonnis is bepaald op vandaag.
Ter zitting waren aan de zijde van West Coast aanwezig [naam 1] (indirect bestuurder), [naam 2] (legal counsel), mr. Vader, mr. Van der Raaij en mr. M.B. Vestering (Shearwaters Advocaten B.V.). [gedaagde 1] was aanwezig met mr. Van Kampen en mr. Welschen. Aan de zijde van [gedaagde 2] waren aanwezig de heer [naam 3] (CFO van [gedaagde 2] ), mr. Atema en mr. Kraaipoel.

2 De feiten

2.1.

VCTS2 en VCE maken deel uit van de West Coast Supply Group. VCTS2 houdt zich binnen de groep bezig met administratieve en andere diensten aan andere deelnemers van de groep. VCE richt zich in het bijzonder op de (internationale) handel in en opslag en distributie van toilet-, schoonheids- en verzorgingsartikelen.

2.2.

Met ingang van 1 oktober 2017 is [gedaagde 1] als trader in dienst getreden bij VCTS2, op basis van een arbeidsovereenkomst. Vervolgens is hij gedetacheerd binnen de groep, in ieder geval (ook) bij VCE. In zijn arbeidsovereenkomst staan een concurrentieverbod, een verbod op het benaderen van relaties van West Coast en een geheimhoudingsbeding. Zijn salaris bedroeg bij aanvang bruto € 2.500,00 per maand, exclusief een dertiende maand. Zijn manager had de discretionaire bevoegdheid hem een bonus toe te kennen.

2.3.

[gedaagde 1] heeft ontslag genomen per 31 juli 2020 en is per 1 augustus 2020 als trader in dienst getreden bij [gedaagde 2] , een holdingmaatschappij binnen de [gedaagde 2] . Een aantal traders van West Coast waren hem al voorgegaan. Tot 2015 behoorden West Coast en [gedaagde 2] tot dezelfde groep van ondernemingen. In 2015 is die groep gesplitst in twee onderdelen, die zich aanvankelijk richtten op distributie van verschillende soorten goederen. Voor [gedaagde 2] waren dat aanvankelijk luxe goederen zoals juwelen, cosmetica en wijn. Inmiddels richt [gedaagde 2] zich, net als West Coast ook op de handel en distributie van toiletries en professional haircare.

2.4.

Onderzoek door West Coast heeft aanwijzingen opgeleverd – en [gedaagde 1] erkent dat inmiddels ook – dat [gedaagde 1] vóór zijn vertrek bij West Coast kopieën heeft gemaakt van de klantenlijst, de productlijst (een overzicht van wat klanten kochten) en een overzicht van wat er werd ingekocht bij leveranciers, om bij [gedaagde 2] een vliegende start te kunnen maken. Vanuit [gedaagde 2] heeft hij klanten en een leverancier benaderd die (ook) klant van West Coast zijn.

2.5.

West Coast heeft [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en een recruiter die zij ervan verdenkt [gedaagde 1] te hebben geronseld voor [gedaagde 2] , bij brief van 2 september 2020 gesommeerd hun onrechtmatig handelen te staken. [gedaagde 1] is daarbij meegedeeld dat hij tenminste € 150.000,00 aan boetes verschuldigd was geworden en hij is gemaand om bedrijfsinformatie van West Coast niet langer te gebruiken maar aan haar te retourneren.

2.6.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben op de sommatie gereageerd. Zij erkenden de overstap van [gedaagde 1] naar [gedaagde 2] , maar stelden dat dat dienstverband per

31 augustus 2020, tijdens zijn proeftijd, alweer was beëindigd. [gedaagde 1] heeft toegezegd zich aan de postcontractuele bedingen uit zijn arbeidsovereenkomst te zullen houden, maar aangekondigd dat hij de boetes niet zal betalen omdat die te hoog zijn en zijn werkzaamheden bij [gedaagde 2] ‘nihil’ zouden zijn geweest. Een van de door hem voor [gedaagde 2] benaderde klanten, Normal, was volgens hem al klant van [gedaagde 2] .

2.7.

Omdat West Coast de antwoorden niet overtuigend vond, heeft zij op

14 oktober 2020 conservatoir bewijsbeslag gelegd ten laste van [gedaagde 1] . De voorzieningenrechter van deze rechtbank had daartoe op 8 oktober 2020 verlof verleend. De beslagleggende deurwaarder heeft direct bij binnenkomst in de woning van [gedaagde 1] afgifte van de in de woning aanwezige mobiele telefoon en laptops gevorderd, op straffe van een dwangsom van € 10.000,00 per overtreding en

€ 10.000,00 voor ieder uur dat deze overtreding voortduurde. Daarbij heeft de deurwaarder de digitale bescheiden in conservatoir beslag genomen. Nadat [gedaagde 1] in staat was gesteld zijn advocaat te bellen, heeft [gedaagde 1] nog een telefoontje gepleegd dat urgent zou zijn. Hij heeft daarvoor toestemming van de deurwaarder gekregen, onder de voorwaarde dat de hulpofficier van justitie bij dat gesprek aanwezig zou zijn. [gedaagde 1] heeft toen gebeld met [naam 4] , bedrijfsjurist bij [gedaagde 2] . Na dat telefoontje zijn de mobiele telefoon en de laptop die [gedaagde 1] in gebruik had gekregen van [gedaagde 2] , op afstand teruggezet naar de fabrieksinstellingen (en dus gewist). In de woning lag ook een USB-stick die door de deurwaarder in beslag is genomen. De deurwaarder heeft [gedaagde 1] vervolgens gesommeerd, op straffe van het verbeuren van de dwangsommen, om mee te werken aan het weer toegankelijk maken van de virtuele omgeving. Daarop heeft [gedaagde 1] weer met [gedaagde 2] gebeld en te horen gekregen dat hij zou worden teruggebeld. Toen dat niet gebeurde, heeft [gedaagde 1] nogmaals met [gedaagde 2] gebeld, maar hij werd niet meer te woord gestaan door [naam 4] .

2.8.

Nog diezelfde dag is [gedaagde 1] door de deurwaarder aangezegd dat hij zich niet gehouden heeft aan het bevel om onmiddellijk toegang te verschaffen tot de digitale omgevingen en bestanden en is hem bevolen € 30.000,00 aan verbeurde dwangsommen te betalen. Op 16 oktober 2020 heeft de deurwaarder [gedaagde 1] , omdat nog steeds niet was voldaan aan het bevel, bevolen het maximum van € 100.000,00 aan dwangsommen te betalen. West Coast heeft executoriaal beslag ten laste van [gedaagde 1] gelegd onder verschillende derden.

2.9.

Vervolgens heeft [gedaagde 2] het initiatief genomen tot overleg, maar omdat dat niets opleverde heeft West Coast op 5 november 2020 bewijsbeslag ten laste van [gedaagde 2] gelegd.

2.10.

Beide beslagen datasets zijn in bewaring genomen door DigiJuris.

3 De vordering in conventie

3.1.

West Coast vordert na vermeerdering van eis, enigszins samengevat:

[gedaagde 1] :

1. te gebieden de schending van het concurrentie-, het wervings- en het geheimhoudingsbeding te staken, op straffe van verbeurte van een dwangsom;

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] :

2. te verbieden haar bedrijfsinformatie te bezitten of te gebruiken en hen te gebieden die informatie af te geven en te vernietigen; en

3. mee te werken met het onderzoek van DigiJuris;

4. alles op straffe van verbeurte van een dwangsom;

[gedaagde 2] :

5) te gebieden te stoppen met het ronselen van haar werknemers en hen uit te lokken hun arbeidsovereenkomst te schenden, alles op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Daarnaast vordert West Coast [gedaagde 1] en de [gedaagde 2] te veroordelen tot

primair

afgifte van een groot aantal stukken, zoals weergegeven in het petitum van de dagvaarding en de akte vermeerdering van eis;

subsidiair

het verlenen van inzage in de beslagen datasets en het meewerken aan het onderzoek en het voortduren van de bewaring totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist;

alles op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de werkelijke proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met rente.

3.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De vordering in reconventie

4.1.

[gedaagde 1] vordert, kort gezegd, afgifte van zijn personeelsdossier, op straffe van een dwangsom. Daarnaast vordert hij primair algehele schorsing van de executiemaatregelen en een gebod tot opheffing van de executoriale beslagen en subsidiair hetzelfde maar dan voor zover het gaat om meer dan € 10.000,00. [gedaagde 1] vraagt verder aan de opheffingsveroordelingen dwangsommen te verbinden en West Coast te veroordelen in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met rente.

4.2.

West Coast voert verweer.

4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5 De beoordeling in conventie

5.1.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] erkennen dat [gedaagde 1] bij [gedaagde 2] heeft gewerkt, aanvankelijk in loondienst en naderhand in opdracht, onder een schuilnaam, waarbij tevens betalingen hebben plaatsgevonden op een rekening op naam van zijn moeder. [gedaagde 1] erkent ook dat hij bedrijfsinformatie van West Coast heeft meegenomen naar [gedaagde 2] . Het gaat volgens hem om klantenlijsten, lijsten met daarop de producten die klanten kochten en lijsten van wat West Coast inkocht bij haar leveranciers. Dit handelen van [gedaagde 1] is laakbaar. Dit betekent echter nog niet dat daarmee zonder meer gegeven is dat West Coast daarvan ook schade heeft ondervonden. Gegevens met namen en adresgegevens over klanten en leveranciers lijken voorshands niet erg waardevol. In de markt zal breder bekend zijn, althans niet moeilijk te achterhalen, welke bedrijven verzorgingsproducten produceren, verhandelen en afnemen. Het is West Coast met name te doen om de gegevens over door haar (in het verleden bij deals) gehanteerde marges, die – indien bij een concurrent bekend – kunnen leiden tot het doen van een beter aanbod dan dat van West Coast, zodat West Coast daardoor omzet misloopt. Tegelijk stelt zij dat die informatie vluchtig en tijdgebonden is. Het is nu bijna een half jaar geleden dat [gedaagde 1] bij West Coast vertrokken is. Tegen deze achtergrond zal de zaak worden beoordeeld.

5.2.

In de kern gaat het West Coast in dit kort geding om drie dingen: 1) het beëindigen van onrechtmatige concurrentie door [gedaagde 1] en ronselen door [gedaagde 2] , 2) het staken van het gebruik van bedrijfsinformatie van West Coast binnen de [gedaagde 2] en 3) het verkrijgen van informatie waarmee de omvang van de door West Coast geleden schade kan worden vastgesteld.

Het staken van concurrentie, het benaderen van relaties en het ronselen

5.3.

Uit hetgeen hiervoor onder 5.1. is overwogen, volgt dat er een gerede kans bestaat dat de informatie die [gedaagde 1] heeft meegenomen nu alweer achterhaald is. Op de zitting is de vraag naar de schade aan de orde gesteld. West Coast heeft daar geen duidelijk antwoord op gegeven. Zij stelt, in algemene zin en niet met stukken gestaafd, dat omzet is weggevallen na het vertrek van de traders en dat er sprake is van een incubatietijd waardoor de schade ook nog op een later moment kan intreden. De kans dat de onderneming van West Coast nu nog schade zal ondervinden van een schending van het concurrentie- en het wervingsbeding door [gedaagde 1] , wordt zo klein geacht dat de vordering tot nakoming van deze bedingen bij gebrek aan belang zal worden afgewezen. Daarbij weegt mee dat de voorzieningenrechter zich niet aan de indruk kan onttrekken dat de concurrentiestrijd tussen West Coast en [gedaagde 2] over het hoofd van [gedaagde 1] wordt uitgevochten en [gedaagde 1] in staat moet zijn om een inkomen te vergaren. Dat betekent dat geen beslissing wordt gegeven of de bedingen voorshands afdwingbaar zijn. Partijen twisten over die vraag. Desgewenst zal de meest gerede partij zich tot de kantonrechter dienen te wenden met de vraag of [gedaagde 1] aan de bedingen gebonden is.

5.4.

[gedaagde 2] voert als verweer tegen de vordering haar te veroordelen het ronselen onder de werknemers van West Coast te staken, dat West Coast geen spoedeisend belang heeft bij die vordering omdat zij al onvoorwaardelijk heeft toegezegd het ontstaan van vergelijkbare situaties tegen te zullen gaan. Zij zal geen personen meer aannemen van wie zij weet dat die aan postcontractuele bedingen jegens West Coast gebonden zijn en bij twijfel zal ze West Coast bellen. Ze verwacht wel dat West Coast haar waar nodig ook zal waarschuwen.

5.5.

West Coast vertrouwt niet op deze toezegging en zij heeft ook wel goede grond voor haar wantrouwen. Eerder, op 20 mei 2020, heeft een recruiter – waarvan niet is betwist dat die in opdracht van [gedaagde 2] handelde – in ieder geval één collega van [gedaagde 1] benaderd voor een overstap, waarbij haar is meegedeeld dat als ze een concurrentiebeding had, [gedaagde 2] bereid was het risico daarvan op zich te nemen zodat zij zich geen zorgen hoefde te maken. Toen [gedaagde 2] door West Coast werd aangesproken op de overstap van [gedaagde 1] , heeft zij bovendien lange tijd volgehouden dat [gedaagde 1] nauwelijks voor [gedaagde 2] heeft gewerkt omdat hij al in zijn proeftijd was ontslagen. Naar nu blijkt, is [gedaagde 1] nadien voor [gedaagde 2] blijven werken, maar dan als zzp-er onder de schuilnaam [naam 5] . Dat dit allemaal niet fraai is, is een understatement. [gedaagde 2] heeft volhard in haar gedragingen totdat het bewijsbeslag werd gelegd, waarbij [gedaagde 2] het beslag bij [gedaagde 1] heeft gefrustreerd. Ook als het door [gedaagde 2] terugzetten naar fabrieksinstellingen van de laptop en telefoon van [gedaagde 1] een paniekreactie is geweest, zoals [gedaagde 2] stelt, is dat een kwalijke zaak. De ommezwaai die zij sinds de beslaglegging heeft gemaakt, lijkt vooral te zijn ingegeven door een wens om haar schade zoveel mogelijk te beperken. Nu voorshands aannemelijk is dat prikkels van buitenaf nodig zijn om een eind te maken aan de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde 2] , zal het ronselverbod (zie onder 3 punt 5) worden toegewezen als na te melden. West Coast heeft daarbij een spoedeisend belang omdat de vraag naar traders veel groter is dan het aanbod. Daarover zijn partijen het eens. Wel zal de dwangsom worden beperkt op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5.6.

Er zijn geen aanwijzingen dat [gedaagde 2] [gedaagde 1] of collega’s die vóór hem de overstap maakten van West Coast heeft aangemoedigd hun geheimhoudingsbeding of relatiebeding te schenden. De recruiter had het alleen over het concurrentiebeding en niet over de overige post-contractuele bedingen. Daar komt bij dat [gedaagde 1] heeft verklaard bij het meenemen van de informatie van West Coast op eigen initiatief te hebben gehandeld (om een vliegende start te maken). Voor toewijzing van de vordering om [gedaagde 2] te verbieden om werknemers van West Coast aan te sporen of uit te lokken om hun relatiebeding of geheimhoudingsbeding te schenden, bestaat dan ook onvoldoende grond.

Het gebruik van bedrijfsinformatie van West Coast binnen [gedaagde 2]

5.7.

[gedaagde 1] erkent zoals gezegd bedrijfsinformatie van West Coast te hebben meegenomen bij zijn vertrek. Volgens hem stond die informatie op de USB-stick die door de deurwaarder in beslag is genomen. Hij heeft ter zitting verklaard het geen probleem te vinden om die door de deurwaarder aan West Coast te laten afgeven, inclusief de gegevens die daarop staan. Er wordt vanuit gegaan dat dit na afloop van de zitting in overleg is geregeld.

5.8.

De gegevens op de USB-stick heeft [gedaagde 1] naar zijn laptop van [gedaagde 2] gekopieerd en volgens zijn zeggen heeft hij de lijsten aangepast met informatie die hij bij [gedaagde 2] verkreeg. [gedaagde 1] heeft ook verklaard de meegenomen informatie te hebben gedeeld binnen [gedaagde 2] . Aannemelijk is dan ook dat de informatie al dan niet gewijzigd in ieder geval ook terecht is gekomen op de privé laptop van [gedaagde 1] en binnen de digitale omgeving van [gedaagde 2] . Die moeten daar zoveel mogelijk uit worden verwijderd. West Coast wil dat bereiken door de deurwaarder al dan niet met behulp van ICT-specialisten van DigiJuris alle gegevensdragers van [gedaagde 2] en [gedaagde 1] te laten doorzoeken en aanwezige gegevens die van West Coast afkomstig zijn te laten vernietigen. Dat is een ingrijpende en kostbare exercitie, terwijl de schade die de gegevens West Coast nu nog kunnen berokkenen beperkt lijkt te zijn, gelet op het volatiele karakter van die gegevens en het feit dat West Coast in dit geding ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij daadwerkelijk schade van enige omvang heeft geleden. Voor dit paardenmiddel bestaat vooralsnog onvoldoende grond. De privé laptop van [gedaagde 1] is in bewaring gegeven aan DigiJuris en zal voorlopig in bewaring blijven, waarover hierna meer. Bij het doorzoeken van die laptop en verwijderen van gegevens die van de USB stick afkomstig zijn, heeft West Coast onvoldoende spoedeisend belang. Wel mag van [gedaagde 2] worden verwacht dat zij op haar kosten een onafhankelijke derde (bijvoorbeeld een forensisch expert) inschakelt die, zo nodig met hulp van [gedaagde 1] , (i) onderzoekt aan wie en op welke wijze de gegevens op de USB-stick binnen de [gedaagde 2] zijn gedeeld, (ii) die de aangetroffen gegevens verwijdert en (iii) die aan West Coast verslag doet van het onderzoek naar en verwijdering van de gegevens. Zij krijgt daarvoor zes weken de tijd, te rekenen vanaf de datum van betekening van dit vonnis. Alleen aan de veroordeling tot overlegging van het onderzoeksverslag door de onafhankelijke derde zal een gematigde en gemaximeerde dwangsom worden verbonden, omdat voor de overige twee veroordelingen (onderzoek naar, en verwijderen van gegevens) een te groot risico op executiegeschillen bestaat. Met deze voorziening wordt voldoende recht gedaan aan de belangen van West Coast. Bij die beoordeling is de volatiliteit van de belangrijkste gegevens betrokken.

Het vaststellen van de omvang van de schade

5.9.

Vooraf verdient opmerking dat partijen het erover eens zijn dat de beslagen datasets in stand moeten worden gehouden totdat onherroepelijk is beslist in een (nog op te starten) bodemprocedure. Die gegevens blijven dus ook zonder rechterlijk ingrijpen bewaard. De vraag die in dit kort geding voorligt, is of [gedaagde 2] en [gedaagde 1] nu al op zoek moeten naar een groot aantal mogelijk bestaande bescheiden waarvan West Coast primair afgifte vordert, of dat zij nu al moeten meewerken aan een onderzoek naar de beslagen datasets, dat door de deurwaarder zou moeten worden uitgevoerd, zoals subsidiair is gevorderd.

5.10.

Beide routes zijn tijdrovend en kostbaar. Bovendien bestaat het risico dat bedrijfsinformatie van [gedaagde 2] terecht komt bij West Coast. Dat geldt temeer nu zij tot een aantal jaar geleden tot dezelfde groep behoorden. Bovendien wordt rekening gehouden met de mogelijkheid dat zij deels dezelfde relaties hebben, zoals [gedaagde 2] stelt. Daardoor is de kans groter dan normaal dat onbedoeld ook informatie van [gedaagde 2] wordt opgehaald bij het zoeken naar de bedrijfsinformatie van West Coast. Dat is niet de bedoeling, ook niet van West Coast. De gevolgen van toewijzing van één van deze vorderingen zijn niet goed te overzien. Het is maar zeer de vraag of de eventuele schade van West Coast tegen die nadelen opweegt. Vooralsnog lijkt het aangewezen om eerst te bezien welke concrete informatie [gedaagde 1] heeft meegenomen, wat de houdbaarheid van die informatie is en in hoeverre die informatie binnen [gedaagde 2] is verspreid voordat toegekomen wordt aan zulke verstrekkende voorzieningen als nu worden gevorderd. Dat kan dan het beste aan de orde komen in een bodemprocedure.

5.11.

Hoewel de vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] slechts gedeeltelijk worden toegewezen, waren het bewijsbeslag en dit daaruit voortvloeiende kort geding wel nodig om de kentering bij hen teweeg te brengen. Om die reden zullen zij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld.

5.12.

West Coast vordert de volledige proceskosten op de voet van artikel 1019ie Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Op dit moment is echter nog te ongewis in hoeverre de door [gedaagde 1] meegenomen informatie daadwerkelijk kan worden aangemerkt als bedrijfsgeheim in de zin van artikel 1 van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen om een veroordeling in de volledige proceskosten te rechtvaardigen. De primair en subsidiair gevorderde proceskostenveroordelingen zijn daarom niet toewijsbaar. Wel zullen de forfaitaire proceskosten worden toegewezen, zoals meer subsidiair is gevorderd. De kosten aan de zijde van West Coast worden begroot op:

- dagvaarding (2x € 83,38) € 166,76

- griffierecht 656,00

- salaris advocaat 980,00

Totaal € 1.802,76

5.13.

De gevorderde nakosten en de rente over de proces- en de nakosten zijn eveneens toewijsbaar.

5.14.

De gevorderde beslag- en bewaarkosten zullen conform het gewijzigde petitum onderdeel XVII eveneens worden toegewezen, op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

6 De beoordeling in reconventie

6.1.

Het personeelsdossier van [gedaagde 1] is inmiddels aan hem verstrekt, zo is ter zitting gebleken. Zijn vordering tot afgifte van dat dossier zal bij gebrek aan belang worden afgewezen.

6.2.

[gedaagde 1] vordert tevens opheffing van executoriale beslagen. Deze vordering is uit zijn aard spoedeisend.

6.3.

De dwangsommen waarvoor de executiemaatregelen zijn getroffen, zien op het niet opvolgen door [gedaagde 1] van het bevel om – kort gezegd – toegang te verlenen tot de digitale omgeving waartoe hij normaliter binnen [gedaagde 2] toegang heeft, door het naar fabrieksinstellingen terugbrengen van zijn telefoon en laptop.

6.4.

Over de gang van zaken bij het bewijsbeslag verschillen partijen van mening. Volgens West Coast heeft [gedaagde 1] [gedaagde 2] geïnstrueerd om de laptop en telefoon te wissen. [gedaagde 1] bestrijdt dat. Hij stelt dat hij juist heeft meegewerkt aan het beslag, conform de instructie van zijn advocaat. Hij heeft [gedaagde 2] alleen gebeld om te vragen hoe hij moest omgaan met de laptop en telefoon die zij hem in gebruik had gegeven. Volgens [gedaagde 1] heeft [gedaagde 2] tegen hem gezegd dat hij medewerking moest verlenen aan de deurwaarder, meer niet. [gedaagde 2] onderschrijft dat. Zij stelt uit eigen beweging, in een paniekreactie, te hebben besloten tot het terugzetten naar de fabrieksinstellingen.

6.5.

Voorshands zijn er onvoldoende aanwijzingen om te kunnen concluderen dat [gedaagde 1] [gedaagde 2] heeft geïnstrueerd om de laptop en telefoon te wissen. Aannemelijk is dat [gedaagde 2] daartoe op eigen initiatief heeft besloten. De hulpofficier die bij het telefoongesprek aanwezig is geweest, heeft niets verklaard over een door [gedaagde 1] gegeven instructie. Niet aannemelijk is verder dat [gedaagde 1] het in zijn macht heeft om de digitale omgeving weer terug te plaatsen. Nu niet aannemelijk is dat [gedaagde 1] het bevel heeft overtreden, heeft hij geen dwangsommen verbeurd. De tenuitvoerlegging van de aangezegde dwangsommen levert dan ook misbruik van bevoegdheid op.

6.6.

De tegen [gedaagde 1] getroffen executiemaatregelen zullen daarom worden geschorst en de derdenbeslagen zullen worden opgeheven. Het is praktischer om dat zelf te doen dan West Coast te gelasten dat te doen. De primaire vordering is dan ook toewijsbaar met dien verstande dat de schorsing zal duren totdat een rechter anders beslist. Een schorsing voor onbepaalde tijd, zoals primair is gevorderd, is niet toewijsbaar.

6.7.

West Coast zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Wegens samenhang met de conventie worden de kosten aan de zijde van [gedaagde 1] begroot op nihil.

7 De beslissing

De voorzieningenrechter

in conventie

7.1.

verbiedt [gedaagde 2] om, zelf of via aan haar gelieerde ondernemingen, (ex-) werknemers of opdrachtnemers van West Coast te benaderen om naar haar over te stappen of hen voor haar te laten werken, in loondienst of op andere (indirecte) wijze, zolang zij jegens West Coast gebonden zijn aan een concurrentiebeding,

7.2.

veroordeelt [gedaagde 2] om aan West Coast een dwangsom te betalen van € 50.000,00 per overtreding van het onder 7.1 uitgesproken verbod, tot een maximum van € 1 miljoen is bereikt,

7.3.

veroordeelt [gedaagde 2] om door een onafhankelijke derde (bijvoorbeeld een forensisch expert) te laten onderzoeken in hoeverre de gegevens op de USB-stick van [gedaagde 1] binnen de [gedaagde 2] zijn gedeeld, en aan wie, en hoe die gegevens vervolgens weer verder binnen de [gedaagde 2] zijn gedeeld, en van dat onderzoek verslag te doen aan West Coast en de aangetroffen gegevens te verwijderen, alles binnen zes weken na betekening van dit vonnis,

7.4.

veroordeelt [gedaagde 2] om aan West Coast een dwangsom te betalen van

€ 5.000,00 voor iedere dag, te rekenen vanaf zes weken na betekening van dit vonnis, dat de door haar inschakelde onafhankelijke derde het onder 7.3 bedoelde verslag niet aan West Coast zal hebben uitgebracht, tot een maximum van

€ 250.000,00 is bereikt,

7.5.

veroordeelt [gedaagde 2] om aan West Coast € 14.351,26 aan beslag- en bewaarkosten te betalen,

7.6.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan West Coast € 11.864,56 aan beslag- en bewaarkosten te betalen,

7.7.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] in de proceskosten, aan de zijde van West Coast tot op heden begroot op € 1.802,76, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

7.8.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

7.9.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.10.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

7.11.

schorst de executiemaatregelen die West Coast tegen [gedaagde 1] heeft getroffen krachtens de beschikking van 8 oktober 2020, totdat een rechter anders beslist,

7.12.

heft op de executoriale derdenbeslagen die West Coast ten laste van [gedaagde 1] heeft gelegd krachtens de beschikking van 8 oktober 2020,

7.13.

veroordeelt West Coast in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [gedaagde 1] begroot op nihil,

7.14.

veroordeelt West Coast in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op

€ 157,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

7.15.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

7.16.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Hoogeveen, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2021.1

1 type: eB coll: LO