Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1991

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
22-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
13/274977-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 46-jarige man is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf waarvan 4 maanden voorwaardelijk omdat hij tussen juli 2019 en november 2020 in Amsterdam (veelal oudere) slachtoffers oplichtte en bestal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/274977-20

Datum uitspraak: 22 april 2021

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,

niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen,

gedetineerd in [naam Justitieel Complex] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 8 april 2021.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. F.R. Bons, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.G. Emsbroek, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort samengevat – van beschuldigd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

Feit 1

oplichting van 26 personen door middel van een babbeltruc in de periode van 13 juli 2019 tot en met 3 november 2020;

Feit 2

diefstal van verschillende goederen van vijf personen in de periode van 10 april 2020 tot en met 24 oktober 2020;

Feit 3

diefstal van een geldbedrag van € 90,09 van [slachtoffer 1] in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 6 oktober 2020.

De tekst van de gehele tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht en maakt daarvan deel uit.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Bewijsoverwegingen

4.1.1.

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft tijdens de zitting gezegd dat hij grotendeels schuldig is aan de feiten die hem worden verweten. Hij heeft verteld dat hij een reeks delicten heeft gepleegd, die hij veelal beging terwijl hij onder invloed was van drugs. Hij heeft bekend dat hij mensen heeft opgelicht door middel van een babbeltruc en in sommige gevallen spullen van het slachtoffer heeft weggenomen. Concrete gevallen kan hij zich echter niet goed voor de geest halen. Er zitten aangiftes in het dossier van voorvallen die hij zich niet kan herinneren. Het zou kunnen dat hij ook die feiten heeft gepleegd, maar verdachte kan het zich niet heugen.

De raadsvrouw heeft bepleit dat verdachte van 18 zaken dient te worden vrijgesproken wegens een gebrek aan bewijs.

4.1.2.

Betrokkenheid verdachte

De betrokkenheid van verdachte blijkt – behalve uit zijn eigen verklaring – ook uit de volgende feiten en omstandigheden.

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de man die hem heeft opgelicht met de telefoon van aangever naar de Taxi Centrale Amsterdam heeft gebeld. Dit telefoongesprek is beluisterd door twee politieagenten en zij hebben de stem van verdachte herkend. In het proces-verbaal van bevindingen staat uitgebreid omschreven waar zij de stem van verdachte aan herkennen.

Aangever [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) vertelde dat de man die hem en zij vriendin heeft opgelicht hen zei dat hij zojuist bij Albert Heijn was geweest. Verdachte is door een politieagent herkend op camerabeelden van een nabijgelegen Albert Heijn (ca. 25 minuten voordat de oplichter bij [slachtoffer 3] aanbelde). Op de camerabeelden is voorts te zien dat verdachte dezelfde kleding droeg (waaronder een opvallende muts) als bij een controle die later die dag plaatsvond.

Aangeefster [slachtoffer 4] heeft samen met de man die haar heeft opgelicht geld gepind bij een Albert Heijn. Deze transactie is op camerabeelden van deze Albert Heijn te zien en een politieagent heeft daarop verdachte herkend. Daarnaast komt de kleding van de verdachte die op de camerabeelden te zien is overeen met de kleding die verdachte bij zich had ten tijde van zijn aanhouding, waaronder een opvallende sjaal.

Aangeefster [slachtoffer 5] heeft verklaard dat haar zus samen met de man die hen heeft opgelicht geld heeft gepind. Op camerabeelden van tankstation Esso is verdachte door een politieagent herkend.

Daarnaast hebben twee aangevers ( [slachtoffer 6] en [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] )) verdachte herkend bij een meervoudige fotoconfrontatie.

In de zaak van aangever [slachtoffer 7] is verdachte op aanwijzen van een getuige aangehouden door de politie.

4.1.3.

Enkelvoudige fotoconfrontaties

Het merendeel van de aangevers heeft verdachte naar aanleiding van een enkelvoudige fotoconfrontatie herkend. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat dergelijke enkelvoudige fotoconfrontaties met grote behoedzaamheid tegemoet moeten worden getreden en dat hieraan niet dezelfde betrouwbaarheid kan worden toegeschreven als aan een meervoudige fotoconfrontatie.

De rechtbank is het met de raadsvrouw eens dat de bewijswaarde van een enkelvoudige fotoconfrontatie in beginsel lager is dan die van een meervoudige fotoconfrontatie. De rechtbank zal de resultaten van de fotoconfrontaties met de nodige behoedzaamheid betrekken bij haar bewijsweging. Het gaat echter wel om een groot aantal herkenningen, die onafhankelijk van elkaar tot stand zijn gekomen. Bovendien is er het nodige andere bewijs dat verdachte degene was die de oplichtingen en diefstallen heeft gepleegd (zie hiervoor onder 4.1.1 en 4.1.2).

4.1.4.

Schakelbewijs

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de modus operandi die aan verdachte wordt toegeschreven niet dermate uniek of onderscheidend is, dat daaraan enig gewicht kan worden toegekend. Uit het mutatierapport van 13 oktober 2020 op pagina 243 van het dossier volgt immers dat zowel verdachte als een persoon met de naam [naam 1] van deze modus operandi in de omgeving Amsterdam-Oost gebruik maakte. De modus operandi kan daarom zonder ander steunbewijs niet in de vorm van schakelbewijs worden gebruikt voor een bewezenverklaring.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de modus operandi van verdachte steeds op essentiële en specifieke punten overeenkomt. Daar waar voor sommige feiten geen directe steun voor de aangifte voorhanden is, kan op grond van schakelbewijs het bewijs voor die feiten worden afgeleid.

De rechtbank overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is het gebruik van aan andere bewezen verklaarde soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen als ondersteunend schakelbewijs toegelaten. Het moet daarbij gaan om bewijsmateriaal dat op essentiële punten belangrijke overeenkomsten vertoont met het bewijsmateriaal van de te bewijzen feiten en dat duidt op een specifiek patroon in het gedrag van verdachte, welk patroon herkenbaar aanwezig is in de voor het te bewijzen feit voorhanden zijnde bewijsmiddelen. In eenvoudiger taal: het bewijsmateriaal in de ene zaak kan als ondersteunend bewijs dienen in een andere, soortgelijke zaak, maar alleen als er op belangrijke punten overeenkomsten bestaan tussen beide zaken.

Uit het dossier blijkt het volgende. Een groot aantal mensen heeft aangifte gedaan van oplichting. Uit de aangiftes blijkt dat het signalement en de werkwijze van de dader in veel gevallen sterk overeenkomt. De aangevers werden steeds aangesproken door een man die vertelde dat hij zichzelf had buitengesloten en dat zijn sleutels, portemonnee en telefoon nog binnen lagen. De man vroeg of hij met de telefoon van aangever zijn vader mocht bellen, die in Weesp aan het werk zou zijn. De telefoonnummers die volgens de aangevers door de man zijn gebeld komen veelal overeen (negen keer is gebeld naar [nummer] , eenmaal naar [nummer] en vier keer naar [nummer] . Vervolgens wist hij de aangevers tot afgifte van geld te bewegen door te vragen of hij een klein bedrag mocht lenen voor het openbaar vervoer. Met het geld wilde hij een reis naar Weesp bekostigen om de reservesleutel op te halen. De man beloofde de aangevers het geld snel terug te betalen. In sommige gevallen kwam de man later op de dag terug om meer geld te vragen voor een taxi naar Weesp, omdat de trein niet zou rijden. In andere gevallen vroeg hij om meer geld zodat hij de aangevers in grotere coupures kon terugbetalen of voor het betalen van een reeds door hem ingeschakelde slotenmaker. In geen van de gevallen heeft de man het door hem geleende geld teruggeven aan de aangevers en in een aantal gevallen heeft de man ook goederen van aangevers weggenomen. Hoewel de aangiftes niet op alle onderdelen overeenkomen, komen wel in vrijwel alle aangiftes meerdere van de hiervoor beschreven specifieke details terug.

In het door de raadsvrouw aangehaalde mutatierapport is een melding beschreven van een babbeltruc die qua modus operandi op essentiële en specifieke punten overeenkomt met de door de aangevers beschreven werkwijze. In de mutatie is ook genoteerd: “ [naam 1] van [geboortedatum] en [verdachte] van [geboortedag] 1975 zijn weer in de buurt gesignaleerd. Zij maken allebei gebruik van dit MO.” Anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, blijkt uit het mutatierapport echter niet dat beide personen gebruik maakten van dezelfde babbeltruc met dezelfde details zoals door de aangevers is beschreven. Het is weliswaar mogelijk dat beide personen gebruik maakten van een min of meer zelfde werkwijze, maar dat beide personen exact dezelfde modus operandi hanteerden is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden.

De rechtbank is dus van oordeel dat sprake is van een voldoende herkenbare, specifieke en gelijksoortige modus operandi, die bovendien voldoende uniek en onderscheidend is. In dit geval kan dan ook gebruik worden gemaakt van een schakelbewijsconstructie. Daar waar voor sommige feiten geen directe ondersteuning voor de aangifte beschikbaar is, kan het steunbewijs voor die feiten worden afgeleid uit de bewijsmiddelen die ten grondslag liggen aan de andere feiten.

Voorgaande brengt met zich mee dat de rechtbank van oordeel is dat met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de babbeltrucs telkens door dezelfde dader, zijnde verdachte, zijn gepleegd. Dat een telefoon die is gestolen van aangever [slachtoffer 8] bij aangever [slachtoffer 9] is achtergelaten door de dader, ondersteunt het oordeel dat sprake is van één en dezelfde dader.

4.1.5.

Partiële vrijspraak ten aanzien van de feiten 1 en 2

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 ten laste gelegde oplichtingen van aangevers [slachtoffer 10] (hierna: [slachtoffer 10] ), [slachtoffer 11] (hierna: [slachtoffer 11] ) en [slachtoffer 12] (hierna: [slachtoffer 12] ) en de onder 2 ten laste gelegde diefstal van aangever [slachtoffer 13] (Hierna: [slachtoffer 13] ).

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat in het geval van aangever [slachtoffer 10] sprake is van een poging tot oplichting. [slachtoffer 10] heeft verdachte geen geld gegeven en er is dus geen sprake van een voltooide oplichting. Daarom wordt verdachte hiervan vrijgesproken. Poging tot oplichting is niet aan hem ten laste gelegd.

De rechtbank is van oordeel dat de aangiftes van [slachtoffer 11] en [slachtoffer 12] dermate afwijken van de verklaringen van de overige aangevers, dat er niet kan worden gesproken van een voldoende herkenbare, specifieke en gelijksoortige modus operandi als ten aanzien van de overige gevallen. Daar komt bij dat aangever [slachtoffer 12] bij het zien van de foto van verdachte heeft verklaard: “Nee, dat is hem niet. Ik herken hem niet.” [slachtoffer 11] heeft verdachte wel herkend bij een enkelvoudige fotoconfrontatie, maar het door haar opgegeven signalement van de dader wijkt in significante mate af van het uiterlijk van verdachte. Verdachte wordt daarom vrijgesproken van de onder 1 ten laste gelegde oplichting van deze aangevers.

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat zich in het dossier geen enkel steunbewijs bevindt voor de aangifte van aangever [slachtoffer 13] . Verdachte wordt daarom vrijgesproken van de onder 2 ten laste gelegde diefstal van de portemonnee van deze aangever.

4.1.6.

Diefstal met de pinpas van [slachtoffer 1] (feit 3)

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er onvoldoende bewijs is dat verdachte degene is geweest die de gestolen pinpas van [slachtoffer 1] heeft gebruikt. De rechtbank verwerpt dit verweer, omdat er weinig tijd zat tussen de diefstal van de pinpas en de onrechtmatige transacties die daarmee zijn gedaan.

4.2.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 13 juli 2019 tot en met 3 november 2020 te Amsterdam, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 9] en [slachtoffer 14] en [slachtoffer 15] en [slachtoffer 16] en [slachtoffer 5] en [slachtoffer 17] en [slachtoffer 18] en [slachtoffer 19] en [slachtoffer 20] en [slachtoffer 21] en [slachtoffer 7] en [slachtoffer 22] en [slachtoffer 23] en [slachtoffer 24] en [slachtoffer 6] en [slachtoffer 25] en [slachtoffer 26] en [slachtoffer 27] en [slachtoffer 28] en [slachtoffer 29] en [slachtoffer 30] en [slachtoffer 31] heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten geldbedrag(en) en mobiele telefoon(s) en een OV-jaarkaart door

met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - opzettelijk listiglijk en in strijd met de waarheid onder meer

  • -

    voor te wenden dat hij de buurman was en zich had buiten gesloten en/of de zoon van de (boven)buren en/of dat hij familie was van de buren was en/of

    voor te wenden dat hij zijn sleutels kwijt was en naar Weesp moest voor een reserve sleutel en/of dat hij naar zijn vader moest en zijn autosleutels in de woning van zijn moeder lagen en/of

  • -

    voor te wenden dat hij een taxi moest bellen en zijn vader in Weesp moest bellen en/of

  • -

    te verzoeken of hij even binnen mocht komen en/of

  • -

    voor te wenden dat zijn zus bij de bushalte stond en de weg niet kon vinden en (vervolgens) de woning uit liep met de telefoon in zijn hand en/of

  • -

    voor te wenden dat hij geen geld had voor een taxi en/of trein en/of OV en te vragen of hij een geldbedrag en OV-jaarkaart kon lenen en/of

  • -

    voor te wenden dat de sleutel aan de binnenkant van de deur zat en (vervolgens) te verzoeken om de rekening van het sleutelwerk voor te schieten en/of

  • -

    voor te wenden dat hij was terug gekomen geld terug te brengen en het geldbedrag zou betalen door middel van een zogenoemde ‘tikkie’ en/of

  • -

    voor te wenden dat het geldbedrag niet voldoende was en (vervolgens) mee is gelopen naar een pinapparaat voor afgifte van een geldbedrag en/of

    weer aan te bellen en/of

  • -

    voor te wenden dat hij was terug gekomen om geld terug te brengen en/of

  • -

    voor te wenden dat hij de 100 euro niet kon wisselen en dat hij, verdachte, wel de 100 euro wil geven als hij 40 euro terug zou krijgen en/of

  • -

    voor te wenden dat hij 50 euro bij zich had en (vervolgens) te verzoeken of hij kon wisselen,

waardoor voornoemde personen werden bewogen tot bovenstaande afgifte;

2.

in de periode van 10 april 2020 tot en met 24 oktober 2020 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een jas (met inhoud) en meerdere portemonnee(s) (met inhoud) en telefoon(s), toebehorende aan [slachtoffer 14] en [slachtoffer 1] en [slachtoffer 26] en [slachtoffer 8] ;

3.

in de periode van 5 oktober 2020 tot en met 6 oktober 2020 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag van (ongeveer 73,70 euro), toebehorende aan [slachtoffer 1] ,

waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van (contactloos betalen) met een bankpas.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door hem onder 1, 2 en 3 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De officier van justitie heeft daarbij gevorderd aan verdachte de bijzondere voorwaarden op te leggen die door de reclassering zijn geadviseerd.

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een groot aantal oplichtingen en diefstallen. Hij heeft de slachtoffers met een zogenoemde babbeltruc geld afhandig weten te maken, dan wel goederen van hen weten weg te nemen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen, de hulpvaardigheid en de goedgeefsheid van zijn (veelal oudere) slachtoffers.

De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 23 december 2020. Hieruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor oplichting en diefstallen. Dit heeft hem er niet van weerhouden opnieuw over te gaan tot het plegen van dergelijke feiten.

Uit het reclasseringsrapport van 30 maart 2021 van S. van Niekerken, en uit wat zij en verdachte ter terechtzitting van 8 april 2021 hebben verklaard, blijkt dat verdachte bereid is om een langdurige klinische behandeling te ondergaan voor zijn middelengebruik, zijn onderliggende psychische klachten en bijkomende sociaal-maatschappelijke problematiek. Hij staat bekend als veelpleger en voldoet aan de harde ISD-criteria. De afgelopen jaren bagatelliseerde hij zijn gebruik en weigerde hij zich te laten opnemen. De reclassering heeft de indruk dat verdachte nu meer open staat voor hulp en begeleiding dan voorheen. Hij voldoet daarom niet aan de zachte ISD-criteria en de reclassering adviseert om hem nog een laatste kans te geven om zich te laten behandelen binnen het drangkader dat een reclasseringstoezicht biedt. Uit het verleden is gebleken dat verdachte in staat is om te profiteren van een behandeling.

De rechtbank neemt het advies van de reclassering over.

De rechtbank is van oordeel dat een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op zijn plaats is, gelet op de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde en het strafrechtelijk verleden van de verdachte. De rechtbank ziet echter in de omstandigheid dat een klinische behandeling noodzakelijk is, aanleiding om een deel van de op te leggen gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering.

De rechtbank acht - alles afwegende - een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan vier maanden voorwaardelijk, met de bijzondere voorwaarden zoals die in het reclasseringsrapport van 30 maart 2021 worden geadviseerd, passend en geboden.

9 De benadeelde partijen

9.1.

[slachtoffer 14]

De benadeelde partij [slachtoffer 14] vordert € 551,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank waardeert de hoogte van deze schade als volgt:

  • -

    de rechtbank wijst een vergoeding toe ter hoogte van € 74,77 voor het aanvragen van een nieuw paspoort, omdat dit volgens de website van de Rijksoverheid de maximale kosten voor het verkrijgen van een paspoort zijn;

  • -

    de rechtbank wijst een vergoeding toe van € 4,50 voor het aanvragen van een nieuwe bankpas bij de ING-bank, nu dat volgens de website van de ING-bank de kosten zijn;

  • -

    de rechtbank wijst een vergoeding toe van € 7,50 voor het aanvragen van een nieuwe bankpas bij de ABN AMRO Bank, nu dat volgens de website van de ABN AMRO Bank de kosten zijn;

  • -

    de rechtbank wijst de gevorderde vergoeding van € 11,- voor het aanvragen van een nieuwe OV-chipkaart toe;

  • -

    ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor de weggenomen jas overweegt de rechtbank dat door de benadeelde partij geen nadere onderbouwing is gegeven of verdere gegevens zijn verstrekt. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek en wijst een vergoeding toe van € 100,-;

  • -

    ten aanzien van de gevorderde vergoeding voor de weggenomen mobiele telefoon overweegt de rechtbank dat door de benadeelde partij geen nadere onderbouwing is gegeven. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek en wijst - gelet op de dagwaarde van dit type telefoon - een vergoeding toe van € 25,-;

  • -

    de rechtbank wijst de gevorderde vergoeding van € 15,- voor het weggenomen geldbedrag dat in de weggenomen mobiele telefoon zat toe;

  • -

    de rechtbank wijst een vergoeding toe van € 120,- voor het weggenomen geldbedrag dat in de weggenomen portemonnee zat. Dit bedrag is door de benadeelde partij in haar aangifte genoemd;

  • -

    de rechtbank wijst de vordering af voor zover deze ziet op een vergoeding voor de weggenomen RMC-pas, nu het aanvragen van een nieuwe pas volgens de website van de Gemeente Amsterdam gratis is;

  • -

    de rechtbank wijst de gevorderde vergoeding van € 30,- voor het geldbedrag dat door [slachtoffer 3] aan verdachte is gegeven toe. Hoewel de benadeelde partij niet door [slachtoffer 3] is gemachtigd tot het vorderen van schadevergoeding, blijkt uit haar aangifte dat zij samen met hem een gezamenlijke huishouding voert en dat zij ook namens hem aangifte heeft gedaan van oplichting door verdachte. [slachtoffer 3] heeft zelf geen voegingsformulier toegestuurd gekregen. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van dit gedeelte van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 387,77, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 14] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.2.

[slachtoffer 5]

De benadeelde partij [slachtoffer 5] vordert € 33,50 aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De rechtbank waardeert de hoogte van deze schade als volgt:

  • -

    de rechtbank wijst de gevorderde vergoeding van € 3,50 voor het geldbedrag dat door [slachtoffer 5] aan verdachte is gegeven toe;

  • -

    de rechtbank wijst de gevorderde vergoeding van € 30,- voor het geldbedrag dat door de zus van [slachtoffer 5] aan verdachte is gegeven toe. Hoewel de benadeelde partij niet door haar zus is gemachtigd tot het vorderen van schadevergoeding, blijkt uit haar aangifte dat zij samen met haar een gezamenlijke huishouding voert en dat zij ook namens haar aangifte heeft gedaan van oplichting door verdachte. De zus heeft zelf geen voegingsformulier toegestuurd gekregen voor het vorderen van schadevergoeding in de strafprocedure. De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van dit gedeelte van de vordering gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot vergoeding van materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 33,50, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 5] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.3.

[slachtoffer 8]

De benadeelde partij [slachtoffer 8] vordert € 225,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het voegingsformulier is niet door de benadeelde partij ondertekend. In zoverre kleeft aan de vordering een gebrek. Daar komt bij dat door de benadeelde partij geen enkele nadere onderbouwing is gegeven over bijvoorbeeld het merk, type of bouwjaar van de weggenomen mobiele telefoon waarvan vergoeding wordt gevorderd. De rechtbank maakt daarom in dit geval geen gebruik van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek en zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9.4.

[slachtoffer 9]

De benadeelde partij [slachtoffer 9] vordert € 40,- aan vergoeding van materiële schade en € 500,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder 1 bewezenverklaarde rechtstreeks materiële en immateriële schade is toegebracht. De rechtbank waardeert de hoogte van deze schade als volgt:

- de rechtbank wijst de gevorderde vergoeding van € 40,- voor het geldbedrag dat door [slachtoffer 9] aan verdachte is gegeven toe.

- De rechtbank wijst een vergoeding van € 200,- toe voor geleden immateriële schade. Volgens artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek heeft een benadeelde recht op vergoeding van immateriële schade indien hij lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast.

Nu in deze zaak niet is bewezen dat verdachte lichamelijk letsel heeft toegebracht aan benadeelde of dat er sprake is van aantasting in zijn eer of goede naam, is de vraag die of benadeelde ‘op andere wijze’ in de persoon is aangetast in de zin van genoemd artikel. Van een dergelijke aantasting in de persoon is in ieder geval sprake indien de benadeelde geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan, waartoe nodig is dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Voor het aannemen van een persoonsaantasting is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Daarnaast kunnen de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon op andere wijze sprake is. In beginsel zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. In voorkomend geval kunnen de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.

De rechtbank is van oordeel dat benadeelde onvoldoende feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit het bestaan van geestelijk letsel kan worden afgeleid. Volgens de rechtbank doet zich hier echter wel een situatie voor waarin reeds uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan volgt dat van een aantasting ‘op andere wijze’ sprake is. Dat betekent dat er in deze zaak een wettelijke grondslag is aan te wijzen voor vergoeding van immateriële schade. De rechtbank waardeert deze in redelijkheid op een bedrag van € 200,-

De rechtbank concludeert dat de vordering zal worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 240,-, bestaande uit € 40,- aan materiële schade en € 200,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2020 tot aan de dag van algehele voldoening.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 9] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.5.

[slachtoffer 11]

De benadeelde partij [slachtoffer 11] vordert € 87,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

(gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van de oplichting van [slachtoffer 11] .

De benadeelde partij en de verdachte zullen ieder de eigen kosten dragen.

9.6.

[slachtoffer 17]

De benadeelde partij [slachtoffer 17] vordert € 125,- aan vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De heer [slachtoffer 17] is door het Openbaar Ministerie per abuis niet tijdig als benadeelde partij geregistreerd. Hij is één dag voor de zitting door de officier van justitie telefonisch op de hoogte gebracht van de zitting. De heer [slachtoffer 17] heeft toen kenbaar gemaakt een verzoek om schadevergoeding te willen indienen. De officier van justitie heeft hem daarom een voegingsformulier toegestuurd, maar het was voor de heer [slachtoffer 17] niet mogelijk om dit formulier digitaal in te vullen of in te scannen en te e-mailen. Vanwege de coronapandemie was hij niet in de gelegenheid de zitting bij te wonen. De officier van justitie heeft daarom namens de heer [slachtoffer 17] tijdens de zitting mondeling verzocht om een schadevergoeding van € 125,- voor het verlies van een mobiele telefoon. Een dergelijke mondelinge vordering is zonder schriftelijke machtiging van de heer [slachtoffer 17] echter niet mogelijk (zie de artikelen 51g en 51c van het Wetboek van Strafvordering). Hoewel de rechtbank begrijpt dat de heer [slachtoffer 17] onder deze omstandigheden geen redelijke mogelijkheid heeft gehad om een verzoek tot schadevergoeding in te dienen, moet de rechtbank de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank hecht eraan op te merken dat als een benadeelde partij zich door een omissie van het Openbaar Ministerie niet heeft kunnen voegen in het strafproces, hij kan verzoeken om een tegemoetkoming. De rechtbank verwijst naar punt 7.3 van de ‘Aanwijzing Slachtofferrechten’ (2018A005). De rechtbank draagt de officier van justitie op de heer [slachtoffer 17] op de hoogte te brengen van deze mogelijkheid.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 310, 311 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4.2 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Oplichting, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal, meermalen gepleegd

Ten aanzien van feit 3:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3:

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- Meldplicht bij reclassering

De veroordeelde meldt zich conform afspraak bij Reclassering Fivoor op het adres Stationsplein 21 te Heerhugowaard. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

- Opname in een zorginstelling

De veroordeelde laat zich opnemen in FPA Heiloo of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing. Als overbruggingszorg noodzakelijk blijkt, werkt de veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

- Ambulante behandeling

Betrokkene laat zich behandelen door FAZ Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start na de klinische behandeling. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling.

- Begeleid wonen of maatschappelijke opvang

De veroordeelde verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering, indien de reclassering dat noodzakelijk acht. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

- Meewerken aan middelencontrole

De veroordeelde werkt mee aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt of en hoe vaak betrokkene wordt gecontroleerd.

Geeft aan GGZ Reclassering Inforsa en/of Reclassering Fivoor op het adres Stationsplein 21,

Heerhugowaard de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht.

 Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 14] toe tot een bedrag van € 387,77 (zegge: driehonderdzevenentachtig euro en zevenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, aan vergoeding van materiële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 14] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 14] aan de Staat € 387,77 (zegge: driehonderdzevenentachtig euro en zevenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 24 oktober 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 7 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

 Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe tot een bedrag van € 33,50 (zegge: drieëndertig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, aan vergoeding van materiële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 5] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 5] aan de Staat € 33,50 (zegge: drieëndertig euro en vijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 oktober 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van één dag. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

 Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 8] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

 Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 9] toe tot een bedrag van € 240,- (zegge: tweehonderdveertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2020 tot aan de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit € 40,- aan vergoeding van materiële schade en € 200,- aan vergoeding van immateriële schade.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 9] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 9] aan de Staat € 240,- (zegge: tweehonderdveertig euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 oktober 2020 tot aan de dag van algehele voldoening, te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 4 dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

 Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 11] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

 Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 17] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. J.A.A.G. de Vries en J.M. Jongkind, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 april 2021.