Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1986

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-05-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
8897502 CV EXPL 20-21332
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Mondelinge uitspraak
Verstek
Inhoudsindicatie

Verstek. Ambtshalve toetsing. Voldaan aan essentiële (pre)contractuele informatieverplichtingen (art. 6:230m lid 1 onder a, b, e, h, o en p BW). Algemene voorwaarden n.v.t., dus opschorting ongegrond en subsidiair beroep op wet voor restwaarde kan niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 8897502 CV EXPL 20-21332

vonnis van: 6 mei 2021

fno.: 991

vonnis van de kantonrechter

i n z a k e

Ziggo B.V.

gevestigd te Utrecht

eisende partij

gemachtigde: LAVG Gerechtsdeurwaarders (Groningen)

t e g e n

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

niet verschenen

Verloop van de procedure

Bij dagvaarding van 4 november 2020 heeft eisende partij gevorderd een bedrag van € 231,91 met nevenvorderingen, zoals nader in die dagvaarding omschreven.

Gedaagde partij heeft geen uitstel verzocht en evenmin uiterlijk op de in de dagvaarding vermelde terechtzitting geantwoord. Tegen gedaagde partij is verstek verleend. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

Gronden van de beslissing

  1. De vordering komt niet onrechtmatig of ongegrond voor, behoudens voor het geval hierna anders is overwogen.

  2. Gedaagde partij is een consument, althans wordt vermoed consument te zijn. In dat geval moet de kantonrechter ambtshalve onderzoeken of de bedingen die in de tussen partijen gesloten overeenkomst staan niet oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13 EG (richtlijn oneerlijke bedingen). De kantonrechter moet ook ambtshalve onderzoeken of eisende partij de op haar rustende informatieverplichtingen heeft nageleefd.

(Pre)contractuele informatieverplichtingen

3. Het gaat hier om een overeenkomst op afstand. Eisende partij stelt dat zij heeft voldaan aan de verplichtingen van artikel 6:230m lid 1 BW en verwijst in dat kader naar een uitgebreide toelichting, vergezeld met schermafdrukken.

4. Op grond van de toelichting en de schermafdrukken wordt vastgesteld dat eisende partij heeft voldaan aan de essentiële precontractuele informatieverplichtingen (daaronder wordt begrepen de informatieverplichtingen genoemd in artikel 6:230m lid 1 onder a, b, e, h, o en p BW).

5. Aan de aanvullende verplichtingen van artikel 6:230v BW heeft eisende partij eveneens voldaan. De essentiële contractuele informatieverplichtingen die voortvloeien uit artikel 6:230v lid 7 BW zijn aan gedaagde partij verstrekt door middel van een bevestigingsmail, die eisende partij heeft overgelegd.

Algemene voorwaarden

6. Eisende partij stelt dat er algemene voorwaarden geldend per 1 juli 2018 op de overeenkomst van toepassing zijn. Gelet op de gestelde ingangsdatum van 4 juni 2018, is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet aannemelijk dat deze (op dat moment toekomstige) voorwaarden op de overeenkomst van toepassing zijn. Nu de juiste voorwaarden niet zijn overgelegd, kan de kantonrechter niet ambtshalve toetsen of de bedingen die op de overeenkomst van toepassing zijn niet oneerlijk zijn. Conclusie is daarom dat onvoldoende is gesteld dat én welke algemene voorwaarden van toepassing zijn, zodat eisende partij zich hierop niet kan beroepen. Voor zover de vordering gebaseerd is op bedingen uit de overgelegde algemene voorwaarden wordt dat deel van de vordering afgewezen, omdat daarvoor geen rechtsgrond aanwezig is. Dat geldt in dit geval voor de in rekening gebrachte afsluitkosten en de kosten die zien op de restwaarde van de CI-module.

7. Ten aanzien van de restwaarde van de aan gedaagde partij in bruikleen verstrekte apparatuur vordert eisende partij subsidiair op grond van de wet een schadevergoeding. Die subsidiaire grondslag kan eisende partij echter niet baten, omdat gelet op het voorgaande niet ambtshalve kan worden getoetst of het beding waarop eisende partij zich beroept voor wat betreft de hiervoor bedoelde restwaarde eerlijk is. In dat geval kan eisende partij op grond van het arrest van het HvJ EU van 27 januari 2021, ECLI:EU:C:2021:68 geen aanspraak maken op de in een bepaling van aanvullend nationaal recht vastgestelde wettelijke schadevergoeding die zonder dat beding van toepassing zou zijn geweest.

8. Eisende partij stelt de diensten te hebben opgeschort vanwege de wanbetaling door gedaagde partij. De bevoegdheid tot opschorting ontleent eisende partij aan haar algemene voorwaarden. Nu deze voorwaarden in dit geval zonder nadere toelichting niet van toepassing kunnen zijn, bestaat voor de gestelde opschorting geen rechtsgrond. Uit de door eisende partij overgelegde brief van 8 januari 2020, waarin opschorting wordt aangekondigd, leidt de kantonrechter af dat de diensten met ingang van 15 januari 2020 zijn stopgezet. Geoordeeld wordt dat gedaagde partij tot die datum abonnementsgelden is verschuldigd. Het meer gevorderde wordt afgewezen. Dat heeft tot gevolg dat de facturen met factuurnummers 443295804 en 447387784 volledig verschuldigd zijn en de factuur met factuurnummer 451440770 gedeeltelijk (namelijk uitsluitend de abonnementsgelden tot 15 januari 2020). Dat komt neer op een totale hoofdsom van € 70,40 + 62,45 + € 30,21 = € 163,06.

Slotsom

9. Op grond van het voorgaande is een lagere hoofdsom toewijsbaar dan gevorderd, waardoor de rente te hoog is berekend. De rente wordt toegewezen over de lagere hoofdsom vanaf de respectieve vervaldata van de in rechtsoverweging 8 genoemde facturen tot aan de dag van de voldoening.

10. Nu gedaagde partij gezien de uitkomst van dit vonnis niet is aangeschreven voor een juist bedrag aan hoofdsom, zijn de buitengerechtelijke kosten niet op wijze aangezegd als voorgeschreven in artikel 6:96 lid 6 BW. In de overgelegde veertiendagenbrief wordt gedaagde partij daarom onjuist geïnformeerd en dat staat aan toewijzing van buitengerechtelijke kosten in de weg.

11. Gedaagde partij wordt als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt gedaagde partij tot betaling aan eisende partij van € 163,06 aan hoofdsom, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de respectieve vervaldata van de in rechtsoverweging 8 genoemde facturen tot aan de dag van de algehele voldoening;

veroordeelt gedaagde partij in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van eisende partij begroot op:
explootkosten € 86,85
salaris gemachtigde € 37,00
griffierecht € 124,00
-----------------
totaal € 247,85
voor zover van toepassing, inclusief btw;

veroordeelt gedaagde partij in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 18,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat gedaagde partij niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L. van Berkum, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.