Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1980

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
07-07-2021
Zaaknummer
AWB - 20 _ 174
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag toevoeging afgewezen. Het betreft een Wob verzoek, valt niet onder milieuzaken, maar onder algemeen bestuursrecht. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 20/174

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: [naam 2] en [naam 3] ),

en

Raad voor Rechtsbijstand Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. C.W. Wijnstra).

Procesverloop

Bij besluit van 13 september 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag om een toevoeging op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) afgewezen.

Bij besluit van 26 november 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 februari 2021. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat de procedure over?

1.1.

Op 14 augustus 2019 heeft eiseres een aanvraag om een toevoeging ingediend. Op het aanvraagformulier heeft eiseres bij omschrijving rechtsprobleem het vakje K010 milieuzaken algemeen aangekruist. Daarnaast is in een bijlage bij het aanvraagformulier vermeld dat het gaat om een verzoek op grond van de Wet openbaarheid bestuur (Wob) dat is ingediend bij de Centrale organisatie voor radioactief afval (COVRA). Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde toevoeging afgewezen. Verweerder heeft daarbij vermeld dat een Wob-verzoek niet wordt beschouwd als een zaak waarvoor de specifieke zaakcode K010 (milieurecht) bedoeld is. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

1.2.

Bij het bestreden besluit handhaaft verweerder zijn standpunt dat het gaat om een Wob-verzoek en hiervoor de zaakcode B010 geldt. Zaakcode K010 heeft betrekking op een milieurechtsbelang. Dat de gewenste stukken wellicht in de toekomst betrokken kunnen worden bij een dergelijk belang, maakt niet dat nu in deze zaak gesproken kan worden van een milieurechtsbelang. De verwijzing naar het Uitvoeringsverslag van Nederland uit 2017 op grond van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (Verdrag van Aarhus), kan eiseres niet baten in haar stelling dat zaakcode K010 van toepassing is, omdat daarin enkel is opgenomen dat er een mogelijkheid is van gesubsidieerde rechtsbijstand maar daarbij is opgemerkt dat er voorwaarden aan deze voorziening zijn verbonden. Uit het Uitvoeringsverslag volgt geen ondubbelzinnige toezegging dat er in een zaak als deze een toevoeging verleend moet worden. Omdat zaakcode K010 niet van toepassing is, geldt daarom niet de regel dat de aanvraag niet wordt afgewezen als het vermogen van de rechtspersoon minder dan €10.000,- bedraagt. Rechtsbijstand aan rechtspersonen wordt slechts verstrekt onder de voorwaarden van artikel 36 van de Wrb. Van eiseres mag worden verwacht dat deze de kosten van rechtsbijstand uit de inkomsten of het vermogen van de rechtspersoon betaalt. Onvoldoende is gebleken dat eiseres in redelijkheid niet in staat is om de kosten van rechtsbijstand zelf te bekostigen. Van eiseres kan een actieve werving van donateurs worden gevraagd, indien de inkomsten of het vermogen ontoereikend is, aldus verweerder.

1.3.

In beroep heeft eiseres het bestreden besluit gemotiveerd bestreden.

Beoordeling door de rechtbank

Valt het verzoek onder zaakcode K010 of B010?

2.1.

Allereerst heeft eiseres aangevoerd dat zaakcode K010 van toepassing is op het verzoek om rechtsbijstand in de procedure tegen COVRA, omdat de Wob-stukken die zijn opgevraagd een milieubelang betreffen. Eiseres heeft COVRA verzocht om milieu informatie zoals dat is gedefinieerd in het Verdrag van Aarhus (het Verdrag). Het Verdrag kent drie pijlers: toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter. Toegang tot de verzochte milieu informatie is een noodzakelijke voorwaarde voor eiseres om haar recht op inspraak in milieu besluitvorming te effectueren en haar recht op toegang tot de rechter uit te kunnen oefenen. Op grond van het Verdrag dient een partij passende mechanismen in te stellen om financiële en andere belemmeringen voor toegang tot de rechter weg te nemen. Het is dus in strijd met dit Verdrag om geen toevoeging te verlenen.

2.2.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting opgemerkt dat de zaakcode K010 ziet op zaken die concreet met het milieu te maken hebben, het moet gaan om daadwerkelijke schade aan het milieu, ervaren milieuhinder of overtreden milieunormen. In onderhavige zaak is daarvan geen sprake nu er een Wob-verzoek is ingediend. Wob-verzoeken vallen onder zaakcode B010, algemeen bestuursrecht, aldus de gemachtigde van verweerder.

2.3.

De rechtbank is van oordeel dat de gronden van eiseres niet slagen. Daartoe overweegt de rechtbank allereerst dat de procedure waarvoor eiseres een toevoeging heeft verzocht, een Wob-procedure betreft waarin een Wob-verzoek aan COVRA is gedaan. Daarbij is de vraag aan de orde of COVRA een bestuursorgaan is en of zij onder de Wob valt. Weliswaar ziet het Wob-verzoek op stukken die milieu informatie bevatten, maar daarmee wordt het Wob-verzoek zelf geen milieu aangelegenheid. Het is en blijft een verzoek op grond van de Wob waarbij het gaat om de vraag of COVRA al dan niet verplicht is de gevraagde stukken te verstrekken. Deze rechtsvraag verschilt van de rechtsvraag in zaken waarin het gaat over milieubelangen waarbij sprake is van mogelijke schade aan milieu/gezondheid, dan wel milieuoverlast of het overschrijden van milieunormen. Dat zijn andersoortige zaken en slechts in deze laatstgenoemde zaken kan een milieutoevoeging worden verleend door verweerder. Daarvan is in onderhavige geval geen sprake.

2.4.

Dat verweerder in strijd handelt met het Uitvoeringsverslag van Nederland uit 2017 op grond van het Verdrag van Aarhus, volgt de rechtbank niet. Uit het Uitvoeringsverslag volgt immers niet ondubbelzinnig dat ook voor een Wob-procedure een toevoeging verstrekt moet worden.

2.5.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat de procedure waarvoor een toevoeging is gevraagd valt onder code B010, een algemeen bestuursrecht procedure. De werkinstructie K010 is dus niet van toepassing. Aan eiseres kan dus niet een toevoeging worden verleend omdat haar vermogen minder dan €10.000,- bedraagt.

2.6.

In beginsel geldt dat aan rechtspersonen slechts bij uitzondering een toevoeging kan worden verleend. In artikel 36 van de Wrb zijn de voorwaarden voor het verlenen van rechtsbijstand aan een rechtspersoon opgenomen.

Voldoet eiseres aan de voorwaarden van artikel 36 van de Wrb?

3.1.

Eiseres voert aan dat zij een niet-gouvernementele organisatie (NGO) is met rechtspersoonlijkheid. Zij heeft een vermogen van minder dan € 10.000,-. Eiseres stelt op grond hiervan in aanmerking te komen voor rechtsbijstand. Eiseres ziet niet in hoe zij, naast de reeds door hen gefinancierde griffierechten en eigen bijdrage, haar donateurs in redelijkheid nog een nadere bijdrage zou kunnen vragen voor openbaarmaking van milieu informatie. Eiseres kan de procedure inzake het Wob-verzoek niet goed voeren zonder rechtsbijstand, gelet op de ingewikkeldheid van de zaak.

3.2.

Op grond van artikel 36, eerste lid, van de Wrb wordt aan rechtspersonen overeenkomstig de bepalingen van deze wet rechtsbijstand verleend, indien van de rechtspersoon redelijkerwijze niet verwacht kan worden dat deze de kosten van rechtsbijstand betaalt uit eigen vermogen of inkomsten, waaronder begrepen bijdragen van leden of betrokkenen, alsmede subsidies van de overheid.

3.3.

Gelet op vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State1 over artikel 36, kunnen rechtspersonen slechts bij uitzondering een toevoeging krijgen. Per geval zal, onder meer op basis van het beschikbare vermogen, het doel van de rechtspersoon en de draagkracht van leden of begunstigden moeten worden beoordeeld of van hem redelijkerwijs verwacht mag worden de kosten van rechtsbijstand zelf te dragen, daartoe reserves te vormen of daarvoor een verzekering af te sluiten.

3.4.

Eiseres heeft erop gewezen dat zij een kleine stichting is met een beperkt budget, dat volledig op vrijwilligerswerk steunt en zich tot doel stelt om zich zonder winstoogmerk in te zetten voor het beschermen van natuur en milieu tegen vervuiling in het algemeen en tegen straling, radioactiviteit en kernenergie in het bijzonder. Eiseres stelt geen leden te hebben, maar alleen giften te ontvangen van donateurs.

3.5.

De rechtbank begrijpt dat eiseres een nobel doel wil nastreven en dat zij beschikt over weinig middelen. Desondanks is de rechtbank van oordeel dat van eiseres mag worden verwacht dat zij reserves opbouwt en donateurs en fondsen werft om zo de procedures die zij wenst te voeren, te kunnen bekostigen. Dat kan niet worden gezien als een beperking van de toegang tot de rechter. Daarbij is van belang dat het bij het verlenen van rechtsbijstand gaat om de verdeling van schaarse middelen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder het begrip ‘redelijkerwijze’ in artikel 36 van de Wrb niet onredelijk heeft ingevuld en de toevoeging op goede gronden heeft afgewezen.

Conclusie

4. Gelet op het voorgaande verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiseres niet in het gelijk wordt gesteld en dat de besluitvorming van verweerder standhoudt. Eiseres komt niet in aanmerking voor een toevoeging.

5. De rechtbank ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O.P.G. Vos, voorzitter, en mr. R.B. Kleiss en mr. P. Sloot, leden, in aanwezigheid van mr. R.J.R. van Broekhoven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Uitspraak van de Afdeling van 28 december 2005, ECLI nummer: ECLI:NL:RVS:2005:AU8780, te vinden via rechtspraak.nl.