Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1969

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
03-05-2021
Zaaknummer
13.751.282-20
Rechtsgebieden
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

EAB Polen; de overlevering is geweigerd o.g.v. artikel 12 OLW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13.751.282-20

RK nummer: 20/3717

Datum uitspraak: 21 april 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 augustus 2020 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 11 december 2019 door the District Court Wroclaw (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon],

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1986,

verblijvend op het adres [adres]

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 13 oktober 2020. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes. De opgeëiste persoon is, via telehoren, gehoord en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen. Tevens is de gevangenhouding bevolen en bepaald dat de overleveringsdetentie ook na de 90 dagentermijn moet voortduren onder verwijzing van de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 5 maart 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:729).

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting voor onbepaalde tijd geschorst om de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie op de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen over – kort samengevat – de Poolse rechtstaatkwestie af te wachten.

Op de openbare zitting van 16 december 2020 is het schorsingsverzoek behandeld. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal. De opgeëiste persoon is, via telehoren, gehoord en is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon geschorst. Deze beslissing is afzonderlijk opgemaakt.

De behandeling van de vordering is voortgezet op de openbare zitting van 7 april 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. K. van der Schaft. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. S.J. van der Woude, advocaat te Amsterdam en door een tolk in de Poolse taal.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon

heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een verdict of the District Court for Wrocław-Śródmieście van 30 mei 2018 met zaaknummer II K 81/18.

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis.

Dit vonnis betreft de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 OLW

4.1

Standpunt van de advocaat

De advocaat heeft betoogd dat de overlevering moet worden geweigerd op grond van artikel 12 OLW. Het is namelijk onmogelijk dat de opgeëiste persoon de oproep voor de zitting van 23 mei 2018 in persoon heeft ontvangen, omdat hij op het moment dat die oproep (volgens de informatie van de Poolse autoriteiten) aan hem zou zijn betekend, te weten op 17 april 2018 om 10.39 uur, in Nederland was. Ter onderbouwing daarvan heeft de advocaat een werkbriefje en salarisspecificatie overgelegd. Bovendien komt de handtekening op de ontvangstbevestiging van 17 april 2018 niet overeen met zijn handtekening op zijn identiteitsbewijs. De opgeëiste persoon was dus niet op de hoogte van datum en tijd van de zitting. Daarnaast is hem geen recht op een nieuw proces aangeboden. Met de komst van de nieuwe Overleveringswet is artikel 12 OLW een facultatieve weigeringsgrond geworden. De rechtbank zou volgens de verdediging alleen gebruik moeten maken van de discretionaire bevoegdheid om de weigeringsgrond te passeren wanneer sprake is van opzettelijk wegblijven van de zitting of misleiding van de autoriteiten.

4.2

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van de weigeringsgrond van artikel 12 OLW, omdat de opgeëiste persoon de oproep voor de zitting van 23 mei 2018 in persoon heeft ontvangen op 17 april 2018. Daarnaast is het verwijtbaar dat hij zich niet beschikbaar heeft gehouden terwijl hij wist dat er een strafprocedure tegen hem liep. Immers is een eerdere oproep voor dezelfde strafprocedure aan zijn vriendin uitgereikt en heeft hij een klacht ingediend bij de post vanwege te late postbezorging. Hij was dus op de hoogte van het strafproces.

4.3

Toetsingskader

4.3.1

De Overleveringswet is op onderdelen gewijzigd bij wet van 3 maart 2021, Stb. 125, die op 1 april 2021 in werking is getreden. Daarbij is ook artikel 12 OLW gewijzigd, in die zin dat de in deze bepaling neergelegde weigeringsgrond nu een facultatief karakter heeft. Gelet op deze wijziging zal de rechtbank eerst het beoordelingskader onder het gewijzigde artikel 12 OLW bespreken.

4.3.2

In overeenstemming met de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de rechtbank allereerst vaststellen of de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.

Als dit niet het geval is, dan moet worden beoordeeld of zich één van de onder a tot en met d genoemde omstandigheden heeft voorgedaan.

4.3.3

Doet zich een van die omstandigheden voor, dan mag de rechtbank de overlevering niet weigeren op grond van artikel 12 OLW.

4.3.4

Doet zich geen van die omstandigheden voor, dan kan de rechtbank rekening houden met andere omstandigheden die haar in staat stellen zich ervan te vergewissen dat de overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt.

4.3.5

In het kader van deze beoordeling is van belang of de opgeëiste persoon uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht als verdachte om in persoon aanwezig te zijn bijzijn proces, op voorwaarde dat dit ondubbelzinnig vaststaat.1

4.3.6

In het kader van de in overweging 4.3.4 bedoelde beoordeling kan de rechtbank ook overigens de handelwijze van de opgeëiste persoon in aanmerking nemen.

Zo kan de rechtbank in dit kader bijzondere aandacht besteden aan een kennelijk gebrek aan zorgvuldigheid van de opgeëiste persoon, met name wanneer blijkt dat hij heeft getracht te ontkomen aan de betekening van de aan hem gerichte informatie2 of heeft getracht elk contact met de door de rechterlijke instanties van de uitvaardigende lidstaat ambtshalve benoemde advocaat te vermijden.3 Ook kan zij rekening houden met de omstandigheid dat de opgeëiste persoon zelf hoger beroep heeft ingesteld tegen een beslissing in eerste aanleg.4

4.3.7

De vaststelling of overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt vindt plaats aan de hand van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.5

4.3.8

Komt de rechtbank na de in de overwegingen 4.3.4 tot en met 4.3.7 bedoelde beoordeling tot de conclusie dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij afzien van de bevoegdheid om de overlevering te weigeren, ook al is geen van de in artikel 12, onderdeel a tot en met d, OLW bedoelde omstandigheden van toepassing. Kan zij daarentegen na die beoordeling niet vaststellen dat de overlevering geen schending van de verdedigingsrechten inhoudt, dan zal zij de overlevering weigeren op grond van artikel 12 OLW.

4.4

Oordeel van de rechtbank

In het EAB staat dat de opgeëiste persoon niet aanwezig was bij het proces dat tot het vonnis heeft geleid, en dat hij niet in persoon is gedagvaard maar dat hij op andere wijze is geïnformeerd over de tijd en plaats van de zitting en over de mogelijkheid dat een vonnis kan worden gewezen in zijn afwezigheid. Ook staat in het EAB nog vermeld dat de opgeëiste persoon niet binnen de appeltermijn hoger beroep heeft ingesteld of om herziening heeft gevraagd.

In de aanvullende informatie van 18 augustus 2020 van de uitvaardigende justitiële autoriteit staat (samengevat) dat:

- de zitting aanvankelijk op 11 april 2018 was gepland;

- de oproep voor deze zitting aan een huisgenoot is betekend;

- uit een verklaring van de opgeëiste persoon van 19 april 2018 als gevolg van een klacht over de postbezorging blijkt dat de oproep voor de zitting van 11 april 2018 op 16 maart 2018 aan een huisgenoot is betekend;

- de opgeëiste persoon niet is verschenen op de zitting van 11 april 2018;

- de zitting van 11 april 2018 is uitgesteld tot 23 mei 2018 vanwege foutieve postbezorging;

- de oproep voor de zitting van 23 mei 2018 in persoon aan de opgeëiste persoon is uitgereikt op 17 april 2018 om 10.39 uur;

- de opgeëiste persoon niet is verschenen op de zitting van 23 mei 2018;

- het vonnis op 30 mei 2018 is uitgesproken en dat de opgeëiste persoon hierbij niet aanwezig was;

- de opgeëiste persoon niet is vertegenwoordigd door een advocaat;

- het vonnis onherroepelijk is en dat de opgeëiste persoon niet meer in hoger beroep kan;

- de opgeëiste persoon geen recht heeft op een nieuw proces.

De advocaat heeft een werkbriefje en salarisspecificatie overgelegd waaruit blijkt dat de opgeëiste persoon op 17 april 2018 van 00.00 tot 06.00 uur en op 18 april 2018 van 00.00 uur tot 08.00 uur in Nederland aan het werk was. Daarnaast heeft hij een kopie van het identiteitsbewijs met de handtekening van de opgeëiste persoon overgelegd en een kopie van de ontvangstsbevestiging van de oproep voor de zitting van 23 mei 2018.

De rechtbank stelt vast dat de handtekening op het identiteitsbewijs verschilt van de handtekening op de ontvangstsbevestiging van de oproep voor de zitting van 23 mei 2018. Daarnaast constateert de rechtbank dat het fysiek onmogelijk is geweest voor de opgeëiste persoon om op 17 april 2018 om 10.39 uur in Polen te zijn om de oproep in persoon te ontvangen, gezien zijn werkrooster. Gelet op dit alles is de rechtbank van oordeel dat, anders dan de uitvaardigende justitiële autoriteit heeft meegedeeld, de opgeëiste persoon de oproep voor de zitting van 23 mei 2018 niet in persoon heeft ontvangen. De omstandigheid van artikel 12, onder a, OLW doet zich dus niet voor. Ook is geen verklaring ex artikel 12, onder d, OLW afgegeven. Dit betekent dat de weigeringsgrond van artikel 12 OLW van toepassing is.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank de jurisprudentie van de Hoge Raad over oproeping en betekening, waarnaar hij heeft verwezen, niet van toepassing. De Hoge Raad geeft in die uitspraken immers uitleg aan het Nederlandse recht ter zake en niet aan Kaderbesluit 2002/584/JBZ. Dat de Hoge Raad zich bij die uitleg van het Nederlandse recht baseert op uitspraken van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens maakt dat niet anders.

De rechtbank ziet zich thans voor de vraag gesteld of de weigeringsgrond van artikel 12 OLW in het geval van de opgeëiste persoon moet worden toegepast of moet worden gepasseerd.

In de onderhavige zaak kan de rechtbank niet vaststellen dat de opgeëiste persoon is geïnformeerd over het tijdstip en de plaats van de zitting van 23 mei 2018, nu onduidelijk is hoe de oproep voor deze zitting is verlopen. Derhalve kan de rechtbank niet ondubbelzinnig vaststellen dat de opgeëiste persoon op de hoogte was van de voorgenomen zitting en uitdrukkelijk of stilzwijgend afstand heeft gedaan van zijn recht om in persoon op het proces te verschijnen.

Voorts ziet de rechtbank geen aanknopingspunten in de handelwijze van de opgeëiste persoon voor een kennelijke gebrek aan zorgvuldigheid waaruit zou blijken dat hij heeft geprobeerd te ontkomen aan de betekening van de oproep. De rechtbank kan zich er daarom niet van vergewissen dat overlevering geen schending van de rechten van de verdediging inhoudt en ziet aanleiding om de overlevering te weigeren op grond van artikel 12 OLW.

5 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 2, 5 en 12 OLW.

6 Beslissing

WEIGERT de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court Wroclaw (Polen).


HEFT OP het geschorste bevel tot overleveringsdetentie.


Aldus gedaan door

mr. H.P. Kijlstra, voorzitter,

mrs. J.G. Vegter en M.E.M. James-Pater, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 21 april 2021.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

1 HvJ EU 24 mei 2016, C-108/16 PPU, ECLI:EU:C:2016:346 (https://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=178582&pageIndex=0&doclang=nl&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=102487)([naam]), punt 42.

2 [naam] , punt 51.

3 HvJ EU 17 december 2020, C-416/20 PPU, ECLI:EU:C:2020:1042 (Generalstaatsanwaltschaft Hamburg), punt 52.

4 Generalstaatsanwaltschaft Hamburg, punt 53.

5 HvJ EU 22 december 2017, C-571/17 PPU, ECLI:EU:C:2017:1026 (Ardic), punt 74.