Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1941

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
23-04-2021
Zaaknummer
C/13/700277 / KG ZA 21-278
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Een uitbouw die bewoners van een woning in hun tuin willen maken, mag van de voorzieningenrechter niet worden gebouwd volgens de huidige bouwplannen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/700277 / KG ZA 21-278 MDvH/EB

Vonnis in kort geding van 21 april 2021

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres bij (niet betekende) dagvaarding,

advocaat mr. E.C.H. Cuijpers te Bussum,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2 [gedaagde sub 2] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden, vrijwillig verschenen,

advocaat mr. G.E. Star Busmann te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en het [gedaagden] worden genoemd (en gedaagde sub 1 [gedaagde sub 1] ).

1 De procedure

Op de zitting van 7 april 2021 zijn partijen en hun advocaten verschenen. [eiseres] heeft de vorderingen zoals omschreven in de dagvaarding toegelicht. Het [gedaagden] heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben schriftelijke stukken en een pleitnota ingediend. De behandeling is ter plaatse voortgezet, in de tuinen van partijen. Vonnis is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn al geruime tijd buren van elkaar. Zij wonen in de [straat] , [eiseres] op nummer [1] en het [gedaagden] met hun drie kinderen op nummer [2] .

2.2.

In ieder geval sinds oktober 2020 heeft het [gedaagden] plannen om hun woning te verbouwen. Van die plannen maakt onder andere een uitbouw in de tuin deel uit. Het komt erop neer dat de al bestaande, originele uitbouw over de breedte zal worden uitgebouwd tot aan de erfgrens met [eiseres] en in hoogte tot de eerste verdieping zal (blijven) rijken. De uitbouw zal worden voorzien van een groen dak.

Hieronder staat de bouwtekening (bovenaanzicht) van de uitbouw afgebeeld.

2.3.

[gedaagde sub 1] heeft bij de gemeente nagevraagd of hij, uitgaande van het huidige bestemmingsplan en op basis van de laatste bouwtekening, vergunningsvrij mag uitbouwen. Een medewerker van de gemeente heeft daarop geantwoord, op 19 november 2020:

“In het huidige bestemmingsplan “Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt” valt het de achtertuin onder de noemer achtererfgebied en kan vergunningvrij worden aan-/uitgebouwd, mits aan de overige randvoorwaarden wordt voldaan.

In voorbereiding is een nieuw bestemmingsplan (…), momenteel in het stadium voorontwerp. (…) Praktisch gezien betekent dit dat de vergunningvrije mogelijkheden in algemene zin worden ingeperkt.

(…)”.

2.4.

Medio maart 2021 had [gedaagde sub 1] de financiering voor de verbouwing rond en een aannemer gecontracteerd. Op 17 maart 2021 heeft hij aan [eiseres] verteld dat hij van plan was een uitbouw in de tuin te maken en dat de werkzaamheden op 1 april 2021 zouden aanvangen.

2.5.

[eiseres] heeft (mondeling en schriftelijk) bezwaar tegen de plannen voor de uitbouw gemaakt, omdat die nadelige gevolgen zou hebben voor de lichtinval in haar woning en voor haar uitzicht.

2.6.

[gedaagde sub 1] heeft bij brief van zijn advocaat van 30 maart 2021 laten weten geen reden te zien om de verbouwing niet uit te voeren. Bij die brief zat de hierboven afgebeelde kopie van de bouwtekening van de uitbouw.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, kort gezegd, hoofdelijke veroordeling van het [gedaagden] :

  • -

    tot staking en het gestaakt houden van de bouwwerkzaamheden;

  • -

    tot afbraak van het gebouwde;

  • -

    tot afgifte van de volledige bouwtekeningen en -vergunningcheck,

alles op straffe van verbeurte van dwangsommen en met veroordeling van het [gedaagden] in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met rente.

3.2.

Het [gedaagden] voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het [gedaagden] had de plannen voor de uitbouw in ieder geval al in oktober 2020. Zij hebben echter gewacht met het informeren van [eiseres] over die plannen tot twee weken voor de start van de werkzaamheden. Door zo lang te wachten, hebben zij [eiseres] overvallen. Dat sprake was van persoonlijke omstandigheden, zoals ter zitting aangevoerd, maakt dit niet anders. Het [gedaagden] had dit eerder kunnen en moeten doen. Dat heeft de verhoudingen geen goed gedaan, maar dat terzijde.

4.2.

Een bouwstop is in kort geding toewijsbaar als voldoende aannemelijk is dat die vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen en als niet van de eisende partij kan worden gevergd dat die de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.

4.3.

Bij de plaatsopneming bleek dat de verbouwing al in gang is. De achtergevel van de woning van het [gedaagden] is nog intact, maar een beslissing over de uitbouw moet snel worden genomen. Daarmee is het spoedeisend belang bij de beoordeling van de vordering gegeven.

4.4.

De door het [gedaagden] gewenste uitbouw zal geen direct zonlicht wegnemen uit de woning van [eiseres] – dat wordt bevestigd door een in haar opdracht uitgevoerde zonnestudie – maar wel een deel van haar uitzicht. De uitbouw zal [eiseres] dus zeker hinder opleveren. Daarmee is echter nog niet gegeven dat de uitbouw er niet mag komen. Dat is alleen het geval als die hinder onrechtmatig is.

4.5.

Het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder, hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid — mede gelet op de daaraan verbonden kosten — en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen.

4.6.

Het belang van het voorkomen van onrechtmatige hinder door het gebruik maken van door een bestemmingsplan toegestane bouwmogelijkheden is niet een belang dat door de wettelijke regeling van het bestemmingsplan wordt nagestreefd. Niettemin kan het bestemmingsplan meer of minder sterke aanwijzingen bevatten dat, voor zover het gaat om de elementen die in het bestemmingsplan regeling hebben gevonden, het gebruik maken van de toegestane bouwmogelijkheden naar maatschappelijke opvattingen niet als onrechtmatige hinder is te beschouwen. De rechter zal derhalve, voor zover de stellingen van partijen daartoe aanleiding geven, het bestemmingsplan in zijn beoordeling dienen te betrekken (Hoge Raad 21 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2015:AT8823).

4.7.

Hieronder is een aantal foto’s van de achtergevels en tuinen van partijen afgebeeld.

De foto’s worden vanwege privacy niet getoond.

[eiseres] zit veelal op het terrasje bij haar achtergevel, naast haar uitbouw, omdat zij van daaruit het meeste uitzicht heeft. Vanaf daar kijkt zij namelijk over de lengte van de tuin, niet alleen rechtstreeks naar achteren de eigen tuin in, maar meer schuin naar links, in de richting van de tuin van het [gedaagden] en de achterliggende tuin met daarin bomen. Als de uitbouw er komt, is [eiseres] dat uitzicht definitief kwijt. In plaats daarvan zal over bijna de helft van de lengte van haar tuin een blinde muur verrijzen van ongeveer 3m80 hoog (tot de eerste verdieping), twee meter hoger dan de huidige houten schutting, een forse verhoging dus. Die blinde muur zal bovendien verrijzen op het smalle deel van haar tuin, op ongeveer tweeëneenhalve meter van de buitenmuur van haar eigen uitbouw. Daardoor zal in een groot deel van de tuin van [eiseres] een kokereffect ontstaan. Te verwachten valt dat dat een opgesloten gevoel zal geven. Dat zal niet of nauwelijks worden gecompenseerd door de aangeboden compenserende maatregelen, te weten een licht gekleurde muur en verlichting.

4.8.

De uitbouw zal [eiseres] dus definitief beroven van een groot deel van haar uitzicht op de groene binnentuinen. Haar belang bij het behoud van dat uitzicht is groot, omdat de groene binnentuinen de in de stad hoognodige rust en ruimte bieden. Het nieuwe bestemmingsplan, waarbij breed is ingesproken, gaat daar ook van uit. Niet betwist is dat in de toelichting op dat plan onder meer staat dat de binnentuinen in de Hoofddorpplein- en Schinkelbuurt van groot belang zijn voor een prettig woon- en leefklimaat van de bewoners, dat de stedelijke drukte aan de voorzijde van de woning wordt gecompenseerd door de rust en ruimte in de binnentuinen en dat een verregaande verdichting van de binnentuinen niet wenselijk wordt geacht, teneinde het groene karakter van de binnentuinen kracht bij te zetten en daarmee het verblijfsklimaat aangenaam te houden.

4.9.

Het argument dat [eiseres] ook nog beschikt over twee balkons op de eerste verdieping neemt niet weg dat zij het uitzicht op het groen vanuit haar tuin grotendeels zal verliezen. De tuin grenst aan de huiskamer en eetkeuken van [eiseres] , en dus aan haar leefgedeelte, en de balkons niet.

4.10.

Het gezin [gedaagde sub 1] heeft met drie tieners behoefte aan meer ruimte. De uitbouw levert 14,3 m2 extra leefruimte op. Het [gedaagden] heeft er groot belang bij om te kunnen blijven wonen in zijn woning, en het is begrijpelijk dat zij een uitbouw wensen. Niet valt echter in te zien dat het – voor het creëren van voldoende extra leefruimte (uitbreiding van de (eet)keuken, zoals de voorzieningenrechter ter plaatse heeft gezien – nodig is een uitbouw van deze omvang, en met name deze hoogte te realiseren. Er lijken ook minder ingrijpende wijzen van uitbouw denkbaar, waardoor bij [eiseres] minder uitzicht wordt weggenomen. Bijvoorbeeld door niet de maximaal toegestane hoogte van circa 3m80 te benutten en/of het dak schuin te laten aflopen.

4.11.

Alle omstandigheden in aanmerking genomen en de belangen van partijen tegen elkaar afwegend, is de conclusie dat de uitbouw in de vorm die het [gedaagden] nu voor ogen heeft naar het zich laat aanzien onrechtmatige hinder zal veroorzaken voor [eiseres] .

4.12.

De bezwaren van [eiseres] zien uitsluitend op de uitbouw en niet op de overige werkzaamheden die worden uitgevoerd binnen de woning van [gedaagde sub 1] . Als het mindere van de gevorderde algehele bouwstop, zal het [gedaagde sub 1] worden verboden om de huidige bouwplannen voor de uitbouw uit te voeren totdat een rechter anders beslist. De uitbouw is nog niet gebouwd en er is dan ook niets wat kan worden afgebroken. Die vordering zal worden afgewezen. Nu de huidige bouwplannen voorlopig dus niet mogen worden uitgevoerd, heeft [eiseres] ook geen belang bij afgifte van alle bouwtekeningen en de vergunningencheck. Ook die vordering zal worden afgewezen.

4.13.

Het [gedaagden] heeft betoogd dat het opleggen van een dwangsom niet nodig is, echter zonder toe te zeggen dat zij zich zullen houden aan de uitspraak. Zekerheidshalve zal een gematigde dwangsom worden verbonden aan het uit te spreken verbod.

4.14.

Het [gedaagden] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- griffierecht € 309,00

- salaris advocaat 1.016,00

Totaal € 1.325,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

verbiedt het [gedaagden] om uitvoering te geven aan de huidige bouwplannen voor de uitbouw, totdat een rechter anders beslist,

5.2.

veroordeelt het [gedaagden] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van € 50.000,00 indien het na de betekening van dit vonnis het onder 5.1. uitgesproken verbod overtreedt,

5.3.

veroordeelt het [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.325,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van veertien dagen na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.4.

veroordeelt het [gedaagden] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 163,00 voor salaris advocaat, te vermeerderen met € 85,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt,

met de wettelijke rente daarover met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E. van Bennekom, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 21 april 2021.1

1 type: eB coll: MvG