Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1921

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
07-04-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
AMS 21/1317
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Afwijzen Tozo-uitkering omdat verzoeker in de BRP staat vermeld met code 98 (geen verblijfstitel). Verzoek vovo afwijzen omdat verzoeker zich eerst bij de IND dient te wenden om deze code te wijzigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 21-04-2021
FutD 2021-1340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 21/1317

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] te Amsterdam, verzoeker

(gemachtigde: mr. R. Grijpstra),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. A.A. Brouwer).

Procesverloop

Met het besluit van 27 november 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker voor een uitkering op grond van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo 3) afgewezen. Deze regeling loopt van 1 oktober 2020 tot

1 april 2021 en is inmiddels verlengd tot 1 juli 2021.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft de zaak behandeld op de zitting van 30 maart 2021. Verzoeker is verschenen met bijstand van zijn gemachtigde. Tevens is de dochter van verzoeker op de zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verzoeker heeft de [nationaliteit] nationaliteit en is onderdaan van de Europese Unie (Unieburger). Verzoeker verricht werkzaamheden als zelfstandige in zijn eenmanszaak “ [naam bedrijf] tevens koeriersbedrijf. Verzoeker heeft een

Tozo-uitkering gevraagd omdat het slecht gaat met zijn zaak en sprake is van broodnood. Volgens verzoeker voldoet hij aan alle voorwaarden die aan het verlenen van deze uitkering zijn verbonden.

2. Verweerder heeft de Tozo-uitkering geweigerd omdat verzoeker in de Basisregistratie Personen (BRP) geregistreerd staat onder code 98. Deze code houdt in dat verzoeker geen verblijfstitel (meer) heeft. Verweerder heeft vervolgens telefonisch contact gezocht met de IND1. Uit de verstrekte informatie blijkt dat verzoeker in 2013 een aanvraag heeft gedaan voor een verblijfsvergunning maar dat deze is afgewezen. Volgens de IND kan verzoeker wederom een aanvraag doen voor een verblijfsvergunning als hij kan aantonen dat hij meer dan vijf jaar in Nederland heeft gewerkt.

3. Volgens verzoeker heeft hij recht op een Tozo-uitkering omdat hij langer dan vijf jaar in Nederland woont en werkt. Hij heeft dus duurzaam verblijf in Nederland en moet op grond van artikel 16, eerste lid, van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europese Parlement en de Raad (Richtlijn), als Unieburger met een Nederlander gelijk worden gesteld.

Oordeel voorzieningenrechter

4. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

5. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder in beginsel mag uitgaan van de juistheid van de in de BRP vermelde code. Mocht echter blijken dat een BRP-code niet overeenstemt met de werkelijke verblijfstitel van een belanghebbende, dan is de werkelijke verblijfstitel van doorslaggevende betekenis.2 Verweerder heeft contact met de IND opgenomen om te verifiëren of de in de BRP vermelde code 98 juist is. De IND heeft verweerder meegedeeld dat een eerdere aanvraag om een verblijfsvergunning is afgewezen en dat de verblijfscode op juiste wijze in de BRP is vermeld. Dit betekent dat verzoeker niet als rechthebbende in de zin van de Tozo kan worden aangemerkt. Verweerder heeft dan ook de aanvraag om een Tozo-regeling kunnen afwijzen.

Conclusie

6. Gelet op het voorgaande zal het bestreden besluit in bezwaar hoogstwaarschijnlijk stand houden. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

7. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Loman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. W. Niekel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 april 2021.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

1 Immigratie- en Naturalisatiedienst.

2 Zie – onder meer – de uitspraak van 28 juli 2020 met ECLI:NL:CRVB:2020:1658.