Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1900

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-02-2021
Datum publicatie
21-04-2021
Zaaknummer
13/751769-18
Rechtsgebieden
Internationaal strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Uitlevering aan de VS niet toelaatbaar wegens ontbreken van dubbele strafbaarheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751769-18

RK nummer: 18/6517

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Uitleveringswet van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam van 20 september 2018, onder meer strekkende tot het in behandeling nemen van het door tussenkomst van de Minister van Justitie en Veiligheid ontvangen verzoek van de Amerikaanse autoriteiten tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Verenigde Staten van Amerika) op [geboortedag] 1971,

verblijvende op het adres [adres] .

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang.

De rechtbank heeft op 13 juni 2019 de opgeëiste persoon, mr. C. Scheurwater, die namens zijn raadsman, mr. R.A. Kaarls, advocaat te Den Haag is verschenen, en de officier van justitie ter openbare zitting gehoord.

De rechtbank heeft het onderzoek voor bepaalde tijd geschorst vanwege het feit dat de raadsman pas kortgeleden de verdediging op zich had genomen.

Het onderzoek is , met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 25 juni 2019 in de stand waarin het zich op 13 juni 2019 ten tijde van de schorsing bevond. De rechtbank heeft de opgeëiste persoon, zijn raadsman mr. C. Scheurwater en de officier van justitie gehoord.

De rechtbank heeft op 9 juli 2019 tussenuitspraak gedaan, waarbij het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst om de officier van justitie, door tussenkomst van het Ministerie van Justitie en Veiligheid, in de gelegenheid te stellen de in de tussenuitspraak genoemde vragen/verzoeken aan de autoriteiten van de Verenigde Staten voor te leggen.

Het onderzoek is, met toestemming van partijen, voortgezet op de openbare zitting van 19 september 2019 in de stand waarin het zich op 9 juli 2019 ten tijde van de schorsing bevond. De rechtbank heeft de opgeëiste persoon, zijn raadsman en de officier van justitie gehoord.

De rechtbank heeft op 3 oktober 2019 opnieuw een tussenuitspraak gewezen, waarin het onderzoek is heropend en voor onbepaalde tijd is geschorst om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen een gedegen standpunt in te nemen over de beschikking van deze rechtbank, afdeling privaatrecht, van 26 juni 2019 (zie hierna) en de eventuele betekenis daarvan voor het aannemen van de dubbele strafbaarheid, nu de officier van justitie pas op de zitting van 19 september 2019 van deze beschikking op de hoogte was geraakt.

Het onderzoek is op de openbare zitting van 26 november 2019 – met instemming van partijen – voortgezet in de stand waarin het zich op 19 september 2019 bevond. De rechtbank heeft de opgeëiste persoon, zijn raadsman mr. C. Scheurwater en de officier van justitie, mr. K. van der Schaft, gehoord.

De rechtbank heeft bij tussenuitspraak van 17 december 2019 het onderzoek heropend en geschorst in afwachting van de beslissing van het Gerechtshof Amsterdam, naar aanleiding van het hoger beroep dat is ingesteld tegen de beschikking van 26 juni 2019 van de afdeling privaatrecht van de rechtbank Amsterdam.

De rechtbank heeft het onderzoek op 28 januari 2021 met instemming van partijen voortgezet. De rechtbank heeft de opgeëiste persoon, zijn raadsman mr. R.A. Kaarls en de officier van justitie mr. K. van der Schaft gehoord.

De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat zijn personalia als bovengenoemd, juist zijn en dat hij niet de Nederlandse, maar wel de Amerikaanse nationaliteit heeft.

2 Het uitleveringsverzoek

De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ten behoeve van strafvervolging ter zake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor zijn aanhouding is gelast en zoals omschreven in het aanhoudingsbevel van de Arrondissementsrechtbank Oostelijk District van Kentucky, Zuidelijke Divisie London (Verenigde Staten van Amerika).

In haar tussenuitspraak van 9 juli 2019 heeft de rechtbank al vastgesteld welk verdrag en welke wet van toepassing zijn op de beoordeling van de toelaatbaarheid van het uitleveringsverzoek. Tevens is vastgesteld dat voldaan is aan artikel 9, derde lid, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika, gesloten te ‘s-Gravenhage op 24 juni 1980 en op 15 september 1983 in werking getreden (Trb. 1980, 111, Trb. 1983, 133 en Trb. 2004, 299).

3 Uitkomst van de civiele procedure in Nederland

Op 17 december 2019 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en geschorst in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tegen de beschikking van de afdeling privaatrecht in deze rechtbank van 26 juni 2019 in de zaak C/13/655262 / FA RK 18-6388.

De rechtbank verwijst naar genoemde tussenuitspraak van 17 december 2019 en de motivering daarvan. Deze tussenuitspraak is aan deze uitspraak gehecht en maakt daarvan deel uit.

De moeder is inmiddels in hoger beroep tegen deze beschikking niet-ontvankelijk verklaard bij beschikking van 13 oktober 2020. Nu daartegen geen beroep in cassatie is ingesteld, is de beslissing onherroepelijk.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gesteld dat de rechtbank zich in de tussenuitspraak van 17 december 2019 reeds ondubbelzinnig heeft uitgelaten over de beschikking van de afdeling privaatrecht van 26 juni 2019 en daaraan de conclusie heeft verbonden dat geen sprake is van dubbele strafbaarheid. Nu het Gerechtshof Amsterdam het hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, heeft de raadsman geconcludeerd dat de uitlevering om die reden ontoelaatbaar dient te worden verklaard.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een juiste analoge transformatie de beslissing van een civiele rechter in Nederland geen bepalende rol kan spelen bij de vraag betreffende de dubbele strafbaarheid voor de internationale rechtshulpkamer. Ter illustratie van dat standpunt heeft de officier van justitie enkele hypothetische casussen beschreven aangaande het eigendomsrecht. De officier van justitie meent dat het oordeel van de Nederlandse civiele rechter slechts een rol kan spelen bij ‘probable cause’ of een onschuldbewering. Hij heeft gesteld dat de rechtbank in de tussenuitspraak van

17 december 2019 een weigeringsgrond heeft geïntroduceerd op grond van de ‘ordre public’, een weigeringsgrond die de Uitleveringswet, noch het toepasselijke verdrag kent. Indien dat wel zo zou zijn, dan komt een oordeel daarover toe aan de Minister, aldus de officier van justitie.

Het oordeel van de rechtbank

Bij tussenuitspraak van 17 december 2019 heeft de rechtbank reeds bepaald wat de beschikking van de afdeling privaatrecht betekent voor de uitleveringsprocedure. De rechtbank verwijst naar deze tussenuitspraak en de daarin opgenomen motivering. Zij ziet geen aanleiding om thans anders te beslissen. De reden om de zaak op 17 december 2019 aan te houden was slechts de omstandigheid dat de beschikking in de civiele procedure destijds nog niet onherroepelijk was. De rechtbank stelt vast dat dit inmiddels wel het geval is.

De rechtbank concludeert dat, nu ten aanzien van de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, is bevonden dat niet aan alle daarvoor in de Uitleveringswet en de toepasselijke Verdragen gestelde eisen is voldaan, de gevraagde uitlevering niet toelaatbaar dient te worden verklaard.

4 Beslissing.

Verklaart NIET TOELAATBAAR de door Verenigde Staten van Amerika verzochte uitlevering van [opgeëiste persoon] voornoemd ter strafvervolging.

STELT VAST dat de geschorste uitleveringsdetentie is beëindigd.

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. O.P.M. Fruytier en A.K. Mireku, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 11 februari 2021.

Ingevolge artikel 31 van de UW kan de officier van justitie tegen deze uitspraak binnen 14 dagen beroep in cassatie instellen.