Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2021:1870

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
20-04-2021
Zaaknummer
13/752049-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Duits EAB. verweren met betrekking tot genoegzaamheid en de artikelen 11 en 13 OLW verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/752049-20

RK nummer: 21/811

Datum uitspraak: 13 april 2021

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 11 februari 2021 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 23 september 2020 door het Amtsgericht Nordhorn (Duitsland) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

uit anderen hoofde gedetineerd in de [detentieplaats] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 30 maart 2021. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. C.L.E. McGivern. De opgeëiste persoon is bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.A.C. Sandberg, advocaat te Vorden.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een bevel tot voorlopige hechtenis van Amtsgericht Nordhorn van 1 september 2020, parketnummer 5 Gs 830 Js 8770/20 (295/20).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar Duits recht strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB en de aanvullende informatie van 16 maart 2021 van de uitvaardigende justitiële autoriteit. Gewaarmerkte fotokopieën hiervan zijn als bijlagen aan deze uitspraak gehecht.

3.1.

Genoegzaamheid

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft gesteld dat de feiten ongenoegzaam zijn omschreven. Er wordt in het EAB gesproken van een zestal strafbare feiten in een bepaalde periode zonder namen van medeverdachten en zonder indicatie van de buit. De omschrijving van de feiten is nader gespecificeerd in een e-mail van 16 maart 2021, maar daar wordt niets verduidelijkt over de aard en omvang van de samenwerking en over de modus operandi, aldus de raadsman.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de feiten genoegzaam zijn omschreven, nu die in de aanvullende informatie zijn uitgesplitst.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat het EAB gegevens dient te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de Overleveringswet geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die beschrijving de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In deze zaak geldt het volgende.

In het EAB wordt beschreven dat in totaal vijf verdachten in de periode van 18 oktober 2019 tot 6 februari 2020 een zestal bedrijfsinbraken hebben gepleegd te Bad Bentheim, Geeste en andere plaatsen. In de aanvullende informatie van 16 maart 2021 is per feit de pleegdatum en de pleegplaats nader aangeduid.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn de strafbare feiten daarmee voldoende gespecificeerd om het specialiteitsbeginsel te waarborgen en is voor de opgeëiste persoon genoegzaam duidelijk waartegen hij zich dient te verdedigen. De rechtbank merkt in dit verband nog op dat het een vervolgings-EAB betreft; het onderzoek is dus nog niet afgerond.

4 Strafbaarheid

Feiten vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht, moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten:

georganiseerde of gewapende diefstal.

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar Duits recht een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft betoogd dat uit het EAB niet valt op te maken of sprake was van een organisatie als bedoeld in het lijstfeit. Er zijn te weinig details genoemd over de modus operandi en de samenstelling van de groep.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het lijstfeit in redelijkheid is aangekruist. Zij heeft erop gewezen dat sprake is van een groot aantal feiten die gedurende een langere periode in georganiseerd verband zijn gepleegd.

Het oordeel van de rechtbank

Het is in beginsel aan de uitvaardigende justitiële autoriteit om te beoordelen of een feit waarvoor overlevering wordt verzocht al dan niet onder de hiervoor genoemde lijst valt en welk feit dient te worden aangekruist. Enkel in gevallen waarin sprake is van een evidente tegenstrijdigheid tussen de feitsomschrijving en de aangekruiste categorie zou dit tot de conclusie moeten leiden dat de uitvaardigende justitiële autoriteit het feit niet in redelijkheid heeft aangeduid als feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. De rechtbank is van oordeel dat van zo een evidente tegenstrijdigheid geen sprake is.

5 De garantie als bedoeld in artikel 6, eerste lid, OLW

De opgeëiste persoon heeft de Nederlandse nationaliteit. Zijn overlevering kan daarom alleen worden toegestaan, indien naar het oordeel van de rechtbank is gewaarborgd dat, zo hij ter zake van de feiten waarvoor de overlevering kan worden toegestaan in de uitvaardigende lidstaat tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf wordt veroordeeld, hij deze straf in Nederland zal mogen ondergaan.

De public prosecutor te Osnabrück heeft de volgende garantie gegeven:

I hereby assure you that should the prosecuted person receive a non-appealable and non-suspended prison sentence after he has been extradited from the Netherlands, he shall be transferred to the Netherlands so that the prison sentence can be served there pursuant to the Council Framework Decision 2008/909/JHA of 27 November 2008 on the application of the principle of mutual recognition of judgements in criminal matters imposing custodial sentences or measures involving a deprivation of liberty for the purpose of their enforcement in the European Union.

Naar het oordeel van de rechtbank is de hiervoor vermelde garantie voldoende.

Uit artikel 2:13, eerste lid, aanhef en onder f, Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardelijke sancties volgt dat deze garantie alleen kan worden geëffectueerd, indien de feiten ook naar Nederlands recht strafbaar zijn.

Aan deze voorwaarde is voldaan.

De feiten zijn inderdaad naar Nederlands recht strafbaar en leveren op:

(poging tot) diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.

6 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 13, aanhef en onder a, OLW

Het EAB heeft betrekking op strafbare feiten die geacht worden geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied te zijn gepleegd.
In die situatie staat artikel 13, aanhef en onder a, OLW de overlevering niet toe.

Op 1 april 2021 is de nieuwe OLW geïmplementeerd. Nu de Herimplementatiewet geen overgangsrecht bevat, is deze onmiddellijk in werking getreden. De rechtbank heeft meegedeeld dat, nu de uitspraak op 13 april 2021 zal worden gedaan, de zaak zal worden beoordeeld aan de hand van de nieuwe OLW.

Om die reden heeft de officier van justitie de rechtbank in overweging gegeven af te zien van deze weigeringsgrond en daartoe het volgende aangevoerd:

- het zwaartepunt van de feitsomschrijving ligt op Duits grondgebied;

- het bewijs bevindt zich in Duitsland;

- het onderzoek is in Duitsland aangevangen;

- de medeverdachten worden in Duitsland berecht;

- de Duitse rechtsorde is geschokt.

De officier van justitie heeft tevens aangegeven dat het Openbaar Ministerie niet voornemens is de vervolging over te nemen.

De raadsman van de opgeëiste persoon heeft de rechtbank verzocht de overlevering op grond van dit artikel te weigeren, omdat de afhandeling van de strafzaak door de Nederlandse autoriteiten de voorkeur zou verdienen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de zaak veel Nederlandse aspecten kent. Er is sprake van Nederlandse medeverdachten en de ontvreemde goederen zouden in Nederland zijn afgezet.

Met de inwerkingtreding op 1 april 2021 van de hiervoor genoemde Herimplementatiewet is artikel 13 OLW veranderd van een dwingende weigeringsgrond in een facultatieve weigeringsgrond. Het tweede lid van artikel 13 OLW – met betrekking tot de vordering van de officier van justitie – is komen te vervallen.

Gelet op de door de officier van justitie aangevoerde argumenten, alsmede vanuit een oogpunt van een goede rechtsbedeling, is de rechtbank van oordeel dat er geen gronden bestaan om de weigeringsgrond van artikel 13 OLW toe te passen. Hetgeen de raadsman heeft aangevoerd is onvoldoende om tot een ander oordeel te komen.

7 Weigering om humanitaire redenen

De raadsman heeft gesteld dat de opgeëiste persoon zich door gebrek aan inkomen geen advocaat kan permitteren in Duitsland en dat de kosten van een pro deo-advocaat in geval van een veroordeling op hem zullen worden verhaald. Hij heeft erop gewezen dat zonder verdediging geen sprake is van een eerlijk proces.

De officier van justitie heeft zich over dit verweer niet uitgelaten.

De rechtbank verstaat dit verweer als een beroep op artikel 47 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dan wel op artikel 11 OLW. Naar haar oordeel is niet aannemelijk geworden dat dat de opgeëiste persoon in Duitsland berecht zal worden zonder juridische bijstand dan wel dat deze bijstand onder zodanige omstandigheden of voorwaarden plaatsvindt dat er geen sprake is van daadwerkelijke rechtsbijstand. Het verweer wordt dan ook verworpen.

8 Slotsom

Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.

9 Toepasselijke wetsartikelen

De artikelen 311 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 6, 7 en 13 OLW.

10 Beslissing

STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan Amtsgericht Nordhorn (Duitsland).


Aldus gedaan door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. E. de Rooij en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van R. Rog, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 13 april 2021.

De oudste rechter is buiten staat te tekenen.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.